Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/5.3.2.2
5.3.2.2 Het Gran via Moineşti-arrest
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494249:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitvoerig paragraaf 5.3.1.
HvJ 18 oktober 2012, nr. C-234/11, V-N 2012/56.13 (TETS Haskovo).
Ook hier geldt dat wanneer deze intentie er niet was geweest, herziening zou zijn uitgesloten. De vernietiging zou dan weliswaar in beginsel aanleiding geven tot herziening van de aftrek (op basis van art. 185 lid 1 Btw-richtlijn), maar door de expliciete uitzondering van de ‘naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging’ zou herziening toch niet aan de orde zijn. En mocht de conclusie zijn geweest dat Gran Via Moineşti in eerste instantie geen recht zou hebben gehad op aftrek van btw, dan zouden de sloop en de daaropvolgende aanwending voor btw-belaste prestaties in mijn optiek aanleiding moeten hebben gegeven voor een positieve herziening in het voordeel van de Gran Via Moineşti. Voorwaarde hiervoor is dan wel dat Gran Via Moineşti bij aankoop van de gebouwen kwalificeerde als btw-ondernemer.
Ook in de casus die leidde tot het Gran Via Moineşti-arrest betrof het de aankoop van een grondpositie, waarna de aanwezige opstallen met het oog op nieuwbouw werden gesloopt. De btw ter zake de aankoop had Gran Via Moineşti volledig in aftrek gebracht. Ook hier vormt de aftrek onderwerp van geschil met de belastingdienst. Door de nationale rechter werden daarop twee vragen aan het HvJ voorgelegd. De eerste betrof de vraag naar de initiële aftrek ex art. 167-168 Btw-richtlijn. De tweede vraag was of de sloop tot herziening van de initiële aftrek moest leiden.
Wat betreft de eerste vraag memoreert het HvJ dat, om recht op aftrek van btw te krijgen, in de eerste plaats sprake moet zijn van btw-ondernemerschap en in de tweede plaats de ingekochte goederen en diensten moeten worden gebruikt voor belaste handelingen. In dat verband overweegt het HvJ dat degene die investeringsuitgaven doet met het oog op een economische activiteit als btw-ondernemer moet worden aangemerkt en daarom gerechtigd is om de voorbelasting op grond van art. 167 Btw-richtlijn onmiddellijk af te trekken overeenkomstig het daadwerkelijke of voorgenomen gebruik (art. 168 Btw-richtlijn). Het HvJ brengt daarbij in herinnering dat, wanneer geen sprake is van fraude of misbruik, het recht op aftrek, zodra het is ontstaan, verworven blijft, behoudens eventuele herzieningen van art. 185 Btw-richtlijn, ook al heeft de beoogde activiteit niet tot belaste handelingen geleid.1 Met deze theorie – die naar mijn mening geheel in overeenstemming is met eerdere rechtspraak van het HvJ2 – toegepast op de casus overweegt het HvJ vervolgens dat Gran Via Moineşti met de aankoop van het vastgoed een economische activiteit had verricht en derhalve als btw-ondernemer kwalificeerde. Omdat de grondpositie was verworven met het oog op het verrichten van btw-belaste handelingen, bestond volgens het HvJ gewoon recht op aftrek van btw. Dat de aanwezig opstallen eerst moesten worden gesloopt, voordat Gran Via Moineşti uitvoering kon geven aan haar voornemen tot het verrichten van belaste handelingen, doet volgens het HvJ aan deze conclusie niet af. Het HvJ verwijst daarbij naar het TETS Haskovo-arrest van ruim één maand eerder.3
Wat betreft de tweede vraag brengt het HvJ in herinnering dat de herzieningsregels een essentieel bestanddeel vormen van het btw-stelsel, ‘doordat zij de juistheid van de aftrek en bijgevolg de neutraliteit van de belastingdruk dienen te waarborgen’. Met de herzieningsregels beoogt de Btw-richtlijn ‘een nauw en rechtstreeks verband te vestigen tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de betrokken goederen of diensten voor in een later stadium [verrichte; BH] belaste handelingen’, waarmee het herzieningsmechanisme een onlosmakelijk onderdeel van de btw-aftrekregeling vormt. In dat kader overweegt het HvJ ten aanzien van het geschil dat de sloop van de gebouwen in casu geen wijziging vormt in de elementen voor de btw-aftrek zoals bedoeld in art. 185 lid 1 Btw-richtlijn. Ter motivering voert het HvJ aan dat Gran Via Moineşti de sloop van de gebouwen reeds had gepland. Deze overweging doet de vraag rijzen of de sloop wel aanleiding had gegeven tot herziening van de aftrek als de sloop niet was gepland. Zolang Gran Via Moineşti maar de intentie had de betrokken goederen te bezigen voor btw-belaste activiteiten zou ik menen van niet.4