Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.4.0:6.4.0 Introductie
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.4.0
6.4.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS435527:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3 Vo-BlIbis verleent rechtsmacht aan de gerechten van een lidstaat, terwijl de relatief bevoegde rechter wordt bepaald volgens het interne procesrecht van de lidstaten.
Zie voor rechtspraak bijv. Rb. 's-Gravenhage 22 juli 2005, IJN AU0782; Rb. Maastricht 29 maart 2006, NIPR 2006, 114.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gronden voor de echtscheidingsbevoegdheid in art. 3-5 Vo-BIIbis zijn ten opzichte van de Vo-Brussel II niet veranderd. Art. 3 lid 1 Vo-BIIbis geeft een limitatieve opsomming van rechtsmachtgronden, welke zich concentreren rondom de aanknopingsfactoren gewone verblijfplaats van een of beide echtgenoten — soms in combinatie met de nationaliteit van de verzoeker — en gemeenschappelijke nationaliteit van partijen.1 Uit de rechtspraak blijkt dat er nauwelijks problemen rijzen bij de toepassing van deze bevoegdheidsgronden.2 Er bestaat geen hiërarchie tussen de afzonderlijke bevoegdheidsgronden in art. 3 lid 1 Vo-BIIbis. Staat de rechtsmacht op grond van art. 3 vast, dan is het desbetreffende gerecht ook bevoegd tot kennisneming van een tegenvordering (art. 4). Onverminderd art. 3 is het gerecht van een lidstaat dat een beslissing inzake scheiding van tafel en bed heeft gegeven, ook bevoegd om die scheiding om te zetten in echtscheiding, indien de wet van die lidstaat daarin voorziet (art 5).
Art. 7 lid 1 van de verordening geeft een regeling voor de residuele bevoegdheid in echtscheidingszaken. Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de Vo-Brussel 1Ibis bevoegd is, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat beheerst door de interne wetgeving van die lidstaat. Aan het Nederlandse interne recht kan in beginsel geen residuele bevoegdheid worden ontleend, nu art. 4 lid 1 Rv bepaalt dat de commune rechtsmacht wordt afgeleid uit art. 3-5 Vo-BIIbis. Wel kan mijns inziens de Nederlandse rechter in uitzonderlijke gevallen rechtsmacht ontlenen aan het forum necessitatis van art. 9 sub b Rv, wanneer een echtpaar in geen lidstaat en evenmin in de voor hen relevante overige jurisdicties een bevoegd echtscheidingsforum kan vinden.3