Einde inhoudsopgave
Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties (FM nr. 144) 2015/5.4.4
5.4.4 Verdrag met het Verenigd Koninkrijk
dr. B. Starink, datum 01-02-2015
- Datum
01-02-2015
- Auteur
dr. B. Starink
- JCDI
JCDI:ADS345674:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Loonbelasting / Pensioenregeling
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, gesloten op 26 september 2008, Trb. 2008, 201 en in werking getreden op 25 december 2010, Trb. 2011, 7.
Kamerstukken II 2009/10, 32145, nr. 3, p. 24.
Zie ook J.H.C. Hellebrekers en J. van der Wal, Het nieuwe belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk (deel II), MBB 2001/01 (e.v.), onderdeel 15. Zie voor een beschrijving van het verdrag tevens P.J. Kwekel, Komend verdrag met Verenigd Koninkrijk: andere pensioenaccenten, P&P 2009, p. 20.
Op 25 december 2010 is een nieuw verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk inwerking getreden.1 De onderhandelingen over dit nieuwe verdrag hebben ruim een decennium geduurd omdat geen overeenstemming kon worden bereikt over internationale bijstand bij invordering. Deze overeenstemming is uiteindelijk bereikt. Het pensioenartikel in dit verdrag is opmerkelijk.
Ik citeer artikel 17 uit het verdrag:
“Artikel 17: Pensioenen
Pensioenen en andere soortgelijke beloningen (met inbegrip van pensioenen betaald ingevolge een socialezekerheidsstelsel en lijfrenten) betaald aan een inwoner van een Verdragsluitende Staat zijn slechts in die Staat belastbaar.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, mogen betalingen waarop dat lid van toepassing is ook worden belast in de Verdragsluitende Staat van waaruit zij afkomstig zijn in overeenstemming met de wetgeving van die Staat, indien:
het recht tot vordering van de betalingen in die Staat is vrijgesteld van belasting, of bijdragen die verband houden met de betalingen in aanmerking zijn genomen voor fiscale faciliëring in die Staat; en
de betalingen niet worden belast in de Verdragsluitende Staat waarvan de ontvanger inwoner is of in een derde staat tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit dienstbetrekking, of minder dan 90 percent van het brutobedrag van de betalingen wordt belast. De voorgaande bepalingen van dit lid zijn uitsluitend van toepassing indien de totale brutobetalingen die, ingevolge de voorgaande bepalingen, belastbaar zouden zijn in de Verdragsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn, in het desbetreffende belastingjaar een bedrag van 25.000 euro overschrijden.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel, indien een afkoopsom wordt betaald vóór de datum waarop het pensioen ingaat, mag deze worden belast in de Verdragsluitende Staat waaruit deze afkomstig is. Indien de afkoopsom echter wordt betaald op of rond het tijdstip van aanvang van een periodiek pensioen, is deze slechts in die Staat belastbaar.
Voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel worden betalingen geacht afkomstig te zijn uit een Verdragsluitende Staat voor zover het recht tot vordering van de betalingen in die Staat is vrijgesteld van belasting of de bijdragen die daarmee verband houden in aanmerking zijn genomen voor fiscale faciliëring in die Staat. De overdracht van een pensioen van een pensioenregeling in een Verdragsluitende Staat aan een pensioenregeling in een andere staat beperkt de ingevolge dit artikel aan eerstbedoelde Staat toegekende heffingsrechten niet.
De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten kunnen in onderlinge overeenstemming dewijze van toepassing van het tweede lid van dit artikel regelen.
Bijdragen die door of namens een natuurlijke persoon die in een Verdragsluitende Staat (‘het gastland’) een dienstbetrekking uitoefent of als zelfstandige werkzaam is, worden betaald aan een in de andere Verdragsluitende Staat (‘het thuisland’) voor de belastingheffing erkende pensioenregeling, worden
voor het vaststellen van de door de natuurlijke persoon in het gastland verschuldigde belasting; en
voor het vaststellen van de winst van zijn werkgever die in het gastland mag worden belast;
in die Staat op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden en beperkingen behandeld als bijdragen die zijn betaald aan een pensioenregeling die in het gastland voor de belastingheffing erkend is, voor zover zij niet zo worden behandeld door het thuisland.
Het zesde lid is slechts van toepassing indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
de natuurlijke persoon was onmiddellijk voorafgaand aan het uitoefenen van de dienstbetrekking of zijn werkzaamheden als zelfstandige in het gastland geen inwoner van het gastland en nam deel in de pensioenregeling (of een andere soortgelijke pensioenregeling ter vervanging van de eerstgenoemde pensioenregeling); en
de pensioenregeling wordt door de bevoegde autoriteit van het gastland aanvaard als zijnde over het algemeen gelijkwaardig aan een door die Staat voor de belastingheffing als zodanig erkende pensioenregeling.
Voor de toepassing van het zesde en zevende lid:
betekent de uitdrukking ‘pensioenregeling’ een regeling waaraan de natuurlijke persoon deelneemt teneinde pensioenuitkeringen, met inbegrip van weduwen- en wezenpensioenen, veilig te stellen die hem verschuldigd zijn ter zake van de dienstbetrekking of werkzaamheden als zelfstandige als bedoeld in het zesde lid;
wordt een pensioenregeling voor de belastingheffing in een Verdragsluitende Staat erkend, indien de bijdragen aan de regeling in die Staat in aanmerking komen voor een fiscale faciliëring en indien bedragen door de werkgever van de natuurlijke persoon betaald aan de regeling in die Staat niet worden beschouwd als belastbare inkomsten van de natuurlijke persoon.”
Het artikel lijkt op het pensioenartikel in het Belastingverdrag Nederland- België 2001. Immers, er is sprake van woonlandheffing over pensioenuitkeringenwaarbij het bronland ook mag heffen indien aan de inmiddels bekende drie criteria wordt voldaan (EET-systeem van toepassing, niet voldoende belast in het woonland, uitkering hoger dan € 25.000). Indien een pensioen wordt afgekocht vóór de ingangsdatum, mag de afkoopsom in het bronland worden belast. Indien de afkoop plaatsvindt op of rond de ingangsdatum, is het bronland exclusief heffingsbevoegd. Het verschil is dat een pensioen dat wordt afgekocht vóór de ingangsdatum, in het woonland in het belastbaar wereldinkomen wordt betrokken maar dat het woonland tegelijkertijd aftrek verleent ter voorkoming van dubbele belasting op grond van artikel 21, derde lid Belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk 2008. Het pensioen dat op of rond de ingangsdatum wordt afgekocht is slechts in het bronland belast en wordt in het woonland niet in het belastbaar wereldinkomen betrokken. Ook mag het woonland het bedoelde inkomen niet in aanmerking nemen voor het progressievoorbehoud.2 De achtergrond hiervan is dat in het Verenigd Koninkrijk 25% van het pensioen belastingvrij kan worden afgekocht op de pensioeningangsdatum.3
Tevens is opmerkelijk dat het onderscheid tussen particulierpensioen en overheidspensioen is komen te vervallen in het Belastingverdrag Nederland- Verenigd Koninkrijk 2008. De MvT: “Het Verdrag bevat, net als het Verdrag uit 1980, een artikel betreffende werkzaamheden verricht in overheidsdienst (nu artikel 18, voorheen artikel 19). Onder het Verdrag uit 1980 is dit artikel tevens van toepassing op overheidspensioenen (artikel 19, tweede lid). Hiermee wordt voor deze pensioenen een uitzondering gemaakt op de toepassing van het reguliere pensioenartikel (artikel 18). Gevolg hiervan is dat wanneer een werknemer zowel in de private als publieke sector pensioen heeft opgebouwd, zijn pensioenuitkeringen dienen te worden gesplitst in een gedeelte waarop het reguliere pensioenartikel van toepassing is en een gedeelte dat onder de reikwijdte van artikel 19 valt. Dergelijke splitsingen blijken in de praktijk vaak lastig te maken en brengen veel administratieve lasten met zich. Dit heeft Nederland en het VK doen besluiten in het nu voorliggende Verdrag een artikel betreffende overheidsdiensten op te nemen zonder hierin een regeling te treffen voor overheidspensioenen. Alle pensioenuitkeringen vallen hierdoor onder het reguliere pensioenartikel, ongeacht of deze zijn opgebouwd in de private of de publieke sector. Een splitsing van pensioenuitkeringen is niet langer noodzakelijk, hetgeen de uitvoering ten goede komt. Reeds in 1991 is door de Staatssecretaris van Financiën bij beantwoording van Kamervragen uit de Eerste Kamer (Handelingen I 1990/91, nr. 26, blz. 53-54.) gewezen op de praktische bezwaren die optreden bij splitsing tussen particuliere en overheidspensioenen bij overgang van de private naar de publieke sector en vice versa. Voorliggende aanpassing van de behandeling van overheidspensioenen dient mede in dit licht te worden bezien.”4
Uit de geciteerde passage blijkt duidelijk dat de nadelen van het veelvoorkomende onderscheid tussen belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen worden onderkend. Desalniettemin is dit verdrag één van de weinige verdragen waarbij Nederland partij is waarin het genoemde onderscheid is opgeheven. Het verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk is daarmee een goede uiting van het Nederlands fiscaal verdragsbeleid inzake pensioenen maar bereikt nog niet de exclusieve bronlandheffing zoals geprefereerd op basis van de NFV 2011. Omdat in het vorige verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk het heffingsrecht over overheidspensioen nog bij het bronland lag, heeft de inwerkingtreding van het nieuwe verdrag tot gevolg dat heffingsrechten over reeds lopende pensioenuitkeringen verschuiven van het bronland naar het woonland. Om dit (ongewenste) effect te voorkomen is in artikel 30, vierde lid van het verdrag opgenomen dat een belastingplichtige kan opteren voor toepassing van de oude verdragsbepaling op dit punt. Dit betreft dus een tijdelijke overgangsregeling (naar verwachting circa twintig tot dertig jaar). Deze keuze staat slechts open voor deelnemers die bij inwerkingtreding van het nieuwe verdrag reeds pensioenuitkeringen ontvingen.