Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties
Einde inhoudsopgave
Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties (FM nr. 144) 2015/5.4:5.4 Bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting
Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties (FM nr. 144) 2015/5.4
5.4 Bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting
Documentgegevens:
dr. B. Starink, datum 01-02-2015
- Datum
01-02-2015
- Auteur
dr. B. Starink
- JCDI
JCDI:ADS345673:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Loonbelasting / Pensioenregeling
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Overzicht mede tot stand gekomen op basis van C. Bouman, De omkeerregel bij belastingheffing over pensioenen in internationaal verband (Master Thesis Tilburg University), september 2011, onderdeel 4.1.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de nota Belastingen in de 21e eeuw is al aangekondigd dat de regering een beleid ging inzetten waarbij het pensioenartikel in bilaterale belastingverdragen zou worden aangepast. Het eerste verdrag waarin deze nieuwe lijn zichtbaar is, is het verdrag met Portugal dat in 2001 in werking is getreden. Later volgden andere verdragen zoals het verdrag met België en Polen. Maar al vóór het verdrag met Portugal is in het verdrag met Canada een van de standaard afwijkende verdragsbepaling opgenomen. Uit de gewijzigde verdragsbepalingen kan meer informatie over het Nederlands fiscaal verdragsbeleid inzake pensioenen worden gehaald. Voordat een aantal bilaterale belastingverdragen uitvoeriger aan bod komt, wordt eerst ingegaan op een aantal groepen van bilaterale belastingverdragen waarbij Nederland partij is. Veel pensioenbepalingen in door Nederland gesloten bilaterale verdragen wijken namelijk af van de pensioenartikelen in het OESO-modelverdrag. Een uitgebreid overzicht is opgenomen in bijlage 4.1
Verdragen met standaard woonlandheffing zijn in de minderheid. De verdragen met Spanje en Frankrijk zijn wellicht de meest spekende voorbeelden. De meeste van deze verdragen dateren van de jaren 60 tot 80 van de vorige eeuw. Alleen de verdragen met Azerbeidzjan (2009), Oostenrijk (2004) en Kroatië (2002) dateren van deze eeuw.
De verdragen waarbij woonlandheffing de norm is maar waarbij het bronland heft bij afkoop dateren merendeels uit de jaren 90 van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw.
Verdragen met volledige bronlandheffing zoals het verdrag met Zuid-Afrika (2009) en verdragen met voorwaardelijke bronlandheffing zoals het verdrag met België (2003) dateren met uitzondering van de verdragen met Zambia (1983) en Zimbabwe (1992) allemaal van deze eeuw.
Ten slotte is er een aantal verdragen waarvan de pensioenbepaling afwijkt van de hiervoor genoemde groepen. De verdragen met de Verenigde Staten (2005) en Canada (1995) zijn wellicht de meest sprekende voorbeelden.
Goed zichtbaar is dat in de loop van de jaren 90 van de vorige eeuw meer aandacht komt voor de positie van Nederland als bronland. Dat is overigens in lijn met de ontwikkeling van het Nederlandse internationaal fiscaal verdragsbeleid zoals ik eerder heb beschreven. Ook is duidelijk dat niet in alle verdragsonderhandelingen het gewenste resultaat wordt bereikt. De standaard woonlandheffing in het verdrag met Oostenrijk (2004) illustreert dit.
Hierna komen enkele bilaterale verdragen aan de orde. Het betreft de verdragen met België, Duitsland, Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De keuze is gevallen op onze twee buurlanden omdat gebleken is dat veel Nederlanders daar met pensioen gaan. Deze landen zijn aangevuld met landen die een atypische pensioenbepaling in het bilaterale belastingverdrag met Nederland hebben, te weten Canada, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.
5.4.1 Verdrag met Canada5.4.2 Verdrag met België5.4.3 Verdrag met de Verenigde Staten5.4.4 Verdrag met het Verenigd Koninkrijk5.4.5 Verdrag met Duitsland5.4.6 Tussenconclusie