Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.7:2.7 SCHRAPPING VAN HET CASSATIEVERBOD TEGEN VRIJSPRAKEN
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.7
2.7 SCHRAPPING VAN HET CASSATIEVERBOD TEGEN VRIJSPRAKEN
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620277:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. HR 23 juni 1998, NJ 1999/87 m.nt. Reijntjes.
Kamerstukken II, 2001/02, 28204, nr. 3, p. 1.
Bleichrodt 1982.
Kamerstukken II, 2001/02, 28204, nr. 3, p. 7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tegen een vrijspraak die het gevolg was van een verkeerde toepassing van bewijsuitsluiting, stond vóór 1 januari 2003 geen cassatie open.1 Dat achtte de wetgever niet alleen onwenselijk met het oog op de uitkomst in de concrete strafzaak: van belang was volgens de minister ook dat door art. 430 Sv de mogelijkheden voor de Hoge Raad beperkt zijn om het voor de rechtspraktijk belangrijke leerstuk van bewijsuitsluiting verder vorm te geven.2 Dit vormde de belangrijkste reden voor schrapping van art. 430 Sv.3
Anders dan de NOvA in het kader van de consultatie over het wetsvoorstel naar voren bracht, meende de minister van Justitie dat uit de jurisprudentie inzake bewijsuitsluiting geen ‘strak patroon’ naar voren kwam en konden naar zijn oordeel een aantal lastige interpretatievragen worden gesignaleerd. Daarbij noemde hij de vragen: of herstel mogelijk is van de onrechtmatigheid? Wat de Schutznorm van het geschonden voorschrift is? Of er een voldoende rechtstreeks verband is met de initiële onrechtmatigheid? En of de schending van dien aard is dat met strafvermindering kan worden volstaan? Door art. 430 Sv te schrappen, in navolging van het daartoe door Bleichrodt al in 1982 gedane voorstel,4 zou het antwoord dat de lagere rechter geeft op deze interpretatievragen in meer gevallen aan de Hoge Raad kunnen worden voorgelegd, hetgeen de minister met name ook van belang achtte bij onrechtmatigheden die uit schendingen van nieuwe wettelijke normen voortvloeien.5