Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.3.1
7.3.1 Algemeen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS504910:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Een andere manier om de benadeelde tegemoet te komen, is het werken met tegemoetkomingen in het kader van stelplicht en bewijslast, bijvoorbeeld door een verzwaarde stelplicht te leggen op de partij die het causaal verband betwist, het hanteren van een (rechterlijk) vermoeden van causaal verband of het toepassen van de omkeringsregel. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 11 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BH6005 (Doorhaling executoriaal beslag I), Hof Arnhem 27 oktober 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BH7378 (Doorhaling executoriaal beslag II). Die procesrechtelijke tegemoetkomingen blijven hier verder onbesproken. Onbesproken kan echter niet blijven dat Barendrecht e.a. 2002, p. 85-86, toepassing van de omkeringsregel denkbaar achten. Mijns inziens is hun opvatting echter niet juist, waarvoor ik kortheidshalve verwijs naar HR 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4564 (Juresta) en (de NJ-noot van Vranken bij) HR 23 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3963, NJ 2002/387 m.nt. J.B.M. Vranken (Ruggenmergbeschadiging).
Zie hierover uitgebreid Akkermans 1997 en Akkermans 2000.
Zie voor het leerstuk van de kansschade met name HR 24 oktober 1997, NJ 1998/257 m.nt. P.A. Stein (Baijings), HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6541 (Kranendonk en De Vries) en HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419, NJ 2007/256 m.nt. J.M.M. Maeijer (Tuin Beheer). Zie voor proportionele aansprakelijkheid met name HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6092, NJ 2011/250 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Nefalit/Karamus), HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1799, NJ 2011/251 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Fortis/Bourgonje) en HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8349, NJ 2013/236 m.nt. S.D. Lindenbergh onder NJ 2013/237 (Nationale Nederlanden/S. en L.)
Zie over het onderscheid Cox 2016, Tjong Tjin Tai 2016 en Van Velthoven 2018.
HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491, NJ 2013/237 m.nt. S.D. Lindenbergh (Deloitte/H&H). Zie over dit arrest Klaassen 2013.
Castermans & Den Hollander 2013, p. 193.
Verheij 2015, p. 71, stelt dat men het probleem bij proportionele aansprakelijkheid benadert vanuit het leerstuk van csqn-verband; bij verlies van een kans vormt de schade het vertrekpunt. Akkermans & Van Dijk 2012, p. 158, stellen de realiteit van de schade (is de schade veroorzaakt door de fout) tegenover de realiteit van de fout (is er werkelijk sprake van schade). Zie ook Van Dijk 2013, p. 62 en voor meer opvattingen Van Velthoven 2018, i.h.b. p. 107-111.
Het reconstrueren van de hypothetische situatie in zaken van onrechtmatige informatieverstrekking is een lastige denkoefening. De toepassing van de methode waarin door middel van het wegdenken van de onrechtmatige daad moet worden vastgesteld wat feitelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending, gaat vanwege het inherent speculatieve karakter van de causale vergelijking gepaard met de nodige uitdagingen. Het maken van een feitelijk-historisch zuivere vergelijking wordt bemoeilijkt door dit speculatieve karakter. Dit is temeer het geval in zaken van onrechtmatige informatieverstrekking, waarin een tweeledige denkoefening moet worden uitgevoerd om een volledig what if-scenario in te richten (zie de paragrafen 7.2.2 en 7.2.3). Is de haven van toewijzing van de schadevergoedingsvordering – na inrichting van dit scenario – eenmaal in zicht doordat voldoende duidelijk is dat de burger anders zou hebben gehandeld indien het bestuursorgaan anders zou hebben gehandeld door geen onjuiste informatie te verstrekken, dan kan de vordering alsnog schipbreuk lijden indien niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld of de schade bij dat andere handelen achterwege was gebleven.
Men neme de situatie waarin de benadeelde stelt dat hij door onjuiste informatieverstrekking heeft afgezien van de aankoop van een perceel. Als aannemelijk is dat hij het perceel bij een juiste voorstelling van zaken zou hebben trachten te verwerven, dan hangt het vervolgens onder meer af van de bereidheid van de toenmalige eigenaar van het perceel om dat aan de benadeelde te verkopen, en van de voorwaarden waaronder die bereidheid zou hebben bestaan, of een causaal verband moet worden aangenomen tussen de informatieverstrekking en de schade die is ontstaan door het uitblijven van de verwerving van het perceel. Hoofzakelijk in een dergelijk geval, waarin het intreden van de schade mede afhankelijk is van het handelen van een derde, kan zich wreken dat achteraf een reconstructie van de hypothetische situatie moet worden gemaakt. Achteraf zal immers niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld of het bod van de benadeelde op het perceel zou zijn aanvaard, zeker indien er meerdere gegadigden waren en/of geen zicht bestaat op de (objectieve en/of subjectieve) selectiecriteria die de eigenaar zou hebben gehanteerd bij het maken van zijn keuze tussen verschillende gegadigden en hun biedingen.
Voor dergelijke gevallen van onzeker causaal verband kan een proportionele benadering een uitkomst zijn.1 In een proportionele benadering wordt gebroken met het schadevergoedingsrechtelijke uitgangspunt van ‘alles of niets’, en kan het zo zijn dat de dader wordt veroordeeld tot vergoeding van een deel van de geleden schade. Het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid enerzijds en dat van de kansschade anderzijds hebben beide betrekking op het overbruggen van causale onzekerheid.2 Deze leerstukken zijn beide varianten van proportioneel denken en hebben als zodanig enkele gemeenschappelijke karaktertrekken. De beide benaderingen zijn echter afzonderlijk tot ontwikkeling gekomen in de rechtspraak over sterk uiteenlopende gevaltypen.3 De Hoge Raad heeft het bestaande onderscheid tussen de beide leerstukken in 2012 gehandhaafd en geëxpliciteerd door deze leerstukken – overigens op enigszins kunstmatige wijze – diametraal tegenover elkaar te plaatsen.4 In zijn arrest inzake Deloitte/H&H overweegt de Hoge Raad dat proportionele aansprakelijkheid geëigend is om een oplossing te bieden voor sommige situatie waarin onzekerheid bestaat over:5
‘het condicio-sine-qua-non-verband tussen enerzijds de normschending en anderzijds de (op zichzelf vaststaande of vast te stellen) schade, en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat de schade kan zijn veroorzaakt hetzij door de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, hetzij door een voor risico van de benadeelde komende omstandigheid, hetzij door een combinatie van beide oorzaken’.
De leer van de kansschade is daarentegen geëigend wanneer onzekerheid bestaat over:
‘de vraag of een op zichzelf vaststaande tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt, en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid ook zou hebben gerealiseerd’.
Dit onderscheid is door Castermans & Den Hollander verder verduidelijkt door het in verband te brengen met de vestigings- respectievelijk de omvangsfase van de aansprakelijkheid. Proportionele aansprakelijkheid wordt gevestigd naar rato van de kans dat de schade van de benadeelde is veroorzaakt door de aangesproken partij.6 Bij kansschade is slechts de omvang van de schade onduidelijk. Hoewel dit onderscheid niet boven kritiek is verheven, die overigens het bestek van dit boek te buiten gaat, is het verhelderend voor het toepassingsbereik van de beide leerstukken.7