Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.3.2
7.3.2 Ruimte voor een proportionele benadering?
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503655:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Betwijfeld kan dus worden of bij kansschade wel sprake is van ‘causaliteitsonzekerheid’. Zie hierover Cox 2016, p. 276.
In sommige, sprekende gevallen kan die omstandigheid wel leiden tot het aannemen van een rechterlijk vermoeden van causaal verband. Vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, NJ 2016/166 m.nt. S.D. Lindenbergh, AB 2016/30 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2015/181 m.nt. D.G.J. Sanderink, r.o. 3.6.2 (Vakantiedagen of Staat/ Habing).
Conclusie van A-G Keus, onder 3.21, voor HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, NJ 2016/166 m.nt. S.D. Lindenbergh, AB 2016/30 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2015/181 m.nt. D.G.J. Sanderink (Vakantiedagen of Staat/Habing).
HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, AB 2016/59 m.nt. G.A. van der Veen & A.H.J. Hofman, JB 2015/140 m.nt. S.A.L. van de Sande (Overzee/Zoeterwoude).
Hof ‘s-Gravenhage 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4556, r.o. 5 (Overzee/ Zoeterwoude).
Vgl. HR 13 februari 1981, NJ 1981/456 m.nt. C.J.H. Brunner (Heesch/Reijs) over de toezegging van het college om een ruilovereenkomst voor te leggen aan de raad, die een zorgvuldigheidsplicht meebracht om dat te doen, nu het college niet aan Reijs had medegedeeld ‘dat het van zijn toezegging wenste terug te komen opdat Reijs harerzijds tijdig stappen had kunnen nemen’ om het voorstel ter sprake te doen brengen.
Vgl. de casus van HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3625, JB 2016/21 m.nt. L.J.M. Timmermans (Kanters/Someren en Noord-Brabant).
Daarom laat ik hier in het midden in hoeverre het redelijk(er) is om de onzekerheid over het csqn-verband tussen de normschending en de schade te verdelen tussen de overheid en de burger, dan deze onzekerheid volledig voor risico van de burger te laten komen. Vgl. HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1799, NJ 2011/251 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, r.o. 3.10 (Fortis/Bourgonje).
Zie in deze zin Tjong Tjin Tai in zijn NJ-noot onder HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1799, NJ 2011/251 (Fortis/Bourgonje).
Toepassing van het leerstuk van de kansschade is mijns inziens alleszins denkbaar bij onrechtmatige informatieverstrekking door de overheid. In gevallen van onjuiste informatieverstrekking is voorstelbaar dat de burger een kans op een betere uitkomst is ontnomen doordat hij zich heeft georiënteerd op onjuiste uitgangspunten. Het csqn-verband tussen de onrechtmatige daad, die erin bestaat dat de burger op het verkeerde been is gezet, en de schade, indien deze bestaat in het verlies van een dergelijke kans, kan in zo’n geval aanwezig worden geacht.1 Onzeker kan evenwel zijn of de burger daadwerkelijk beter af was geweest indien de informatiefout achterwege was gebleven, en daarmee of de informatiefout heeft geleid tot de schade. De bedoelde onzekerheid schuilt – in termen van het in paragraaf 7.3.1 genoemde arrest Deloitte/H&H – hierin dat niet kan worden vastgesteld of de kans op succes zich zonder de informatiefout zou hebben gerealiseerd.
Voor toepassing van de leer van de kansschade is pas plaats ná de vaststelling van een csqn-verband tussen de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust (het verstrekken van vertrouwen wekkende onjuiste informatie) en de gemiste kans. Hiervoor is vereist dat in het geding voor de rechter aannemelijk is geworden, zowel hoe de overheid in de rechtmatige situatie zou hebben gehandeld (paragraaf 7.2.2), als hoe de burger zich in die situatie zou hebben gedragen (paragraaf 7.2.3). Mijns inziens bestaat geen ruimte voor een verdeling van de schade naar evenredigheid indien (nog) onzekerheid bestaat over het antwoord op de vraag of de burger in de hypothetische situatie anders zou hebben gehandeld dan in de feitelijke. Zolang daarover geen zekerheid bestaat, staat het csqn-verband tussen de informatiefout en de gemiste kans namelijk nog niet vast, omdat daarvoor nodig is dat het handelen van de burger daadwerkelijk is beïnvloed door die fout. Dit verband is wel vereist, nu de leer van de kansschade ziet op het onzekere verband tussen de kans, die met zekerheid moet zijn gemist, en de schade. De enkele omstandigheid dat de burger zonder de onjuiste informatieverstrekking mogelijk anders zou hebben gehandeld kan dan ook niet worden aangemerkt als een ‘gemiste kans’.2 Hiervoor kan steun worden gevonden in de opvatting van A-G Keus, die stelt dat het moet gaan om een kans die zich onafhankelijk van de wil van de betrokken partijen al dan niet realiseert.3 Het arrest Overzee/Zoeterwoude verduidelijkt een en ander (zie ook paragraaf 3.4.4.3).4
Aan Overzee werd de toezegging gedaan door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoeterwoude dat een voormalige dienstwoning met de bestemming ‘woondoeleinden’ zou worden opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Dit gebeurde uiteindelijk niet, waardoor de niet-nakoming van de voornoemde toezegging een feit was. Het Haagse hof werd vervolgens gesteld voor de vraag naar het causaal verband tussen de niet-nakoming van de toezegging en de schade die was ontstaan doordat Overzee zijn plannen met betrekking tot de dienstwoning niet had kunnen verwezenlijken.5 Het hof oordeelde hierover dat de gemeenteraad en gedeputeerde staten, ook als de woonbestemming wél door het college zou zijn opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, de mogelijkheid hadden om anders te beslissen. Volgens het hof viel niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat zij dit destijds niet zouden hebben gedaan. Het hof concludeert dan ook dat het causaal verband ontbreekt. Tegen dit oordeel komt Overzee met succes op in cassatie. Volgens de Hoge Raad is de onzekerheid waarop het hof zijn oordeel heeft gebaseerd, aan een kans eigen. Deze onzekerheid levert echter geen grond op om een vaststelling van de grootte van die kans (zo nodig bij wijze van schatting) achterwege te laten. Er was onmiskenbaar sprake van csqn-verband tussen de niet-nakoming van de toezegging en een gemiste kans op verwezenlijking van de plannen van Overzee. In dat geval dient het onzekere antwoord op de vraag of het bestemmingsplan destijds met inbegrip van de woonbestemming voor de dienstwoning van Overzee tot stand zou zijn gekomen, tot uitdrukking te komen in de bepaling van de grootte van die kans, en derhalve in de schadeberekening, aldus de Hoge Raad.
Zeer wel mogelijk is dat een vergelijkbare casus als aan de orde in het arrest Overzee/Zoeterwoude, dat is gesitueerd in de sfeer van een bevoegd gedane toezegging, zich aandient naar aanleiding van onjuiste informatieverstrekking. Dat wordt aanstonds duidelijk bij het vervangen van de toezegging van opname van de dienstwoning met de bestemming ‘woondoeleinden’ in het ontwerpbestemmingsplan door de mededeling dat de dienstwoning op grond van het vigerende bestemmingsplan al de bestemming ‘woondoeleinden’ heeft. Stel dat de burger er op grondslag van deze mededeling op vertrouwt dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen bewoning totdat hij er door andersluidende mededelingen of handhavend optreden van het bestuursorgaan van op de hoogte raakt dat dit anders is. Dan kan het zo zijn dat hij zich op basis van dat vertrouwen in de loop der jaren niet heeft gemengd in een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan6 of heeft afgezien van het indienen van een aanvraag om het bestemmingsplan te herzien.7 Blijkt aan het einde van de vertrouwensperiode dat de vaststelling van een bestemmingsplan mét woonbestemming (rechtens) niet meer kan plaatsvinden, bijvoorbeeld vanwege gewijzigde planologische inzichten (op gemeentelijk of provinciaal niveau), dan kan de vraag rijzen of die wijziging gedurende de vertrouwensperiode (nog) wel tot de mogelijkheden behoorde. Was een dergelijke wijziging destijds in overeenstemming met het recht, dan zal de kans op een bestemmingsplanwijziging moeten worden bepaald door de civiele rechter. Hierbij is doorslaggevend hoe groot de kans was dat de raad indertijd (op voorstel van het college) was overgegaan tot toekenning van een woonbestemming, gezien de (politieke) wenselijkheid en (ruimtelijke) aanvaardbaarheid van die bestemming, en of een dergelijke toekenning toen de goedkeuring van het provinciaal bevoegd gezag zou hebben kunnen wegdragen. Voor zover die kans niet nihil of zeer klein was, zal de schade naar evenredigheid van die kans voor vergoeding in aanmerking komen.
Toepassing van de regel van proportionele aansprakelijkheid – waarbij volgens de Hoge Raad terughoudendheid is geboden – ligt daarentegen minder voor de hand bij onrechtmatige informatieverstrekking door de overheid. Vooreerst is dat het geval omdat geen onzekerheid – als bedoeld in de rechtspraak over proportionele aansprakelijkheid – bestaat over het csqn-verband tussen de normschending en de schade.8 Er is geen sprake van (meerdere) alternatieve oorzaken van de schade maar eerder van samenwerkende oorzaken: mede door de aanwezigheid van onjuiste informatie waarop de burger mocht vertrouwen is de burger de kans ontnomen om volledig geïnformeerd te beslissen (zie paragraaf 7.2.3). In de woorden van Tjong Tjin Tai is er geen toevalligheid of kansfactor aanwezig, maar slechts een onzekerheid in kenbaarheid van wat er zou zijn besloten bij correcte informatie.9 Voor proportionele aansprakelijkheid is bij een dergelijke onzekerheid geen plaats. Overigens ligt de mogelijkheid van proportionele aansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking evenmin voor de hand vanwege de aard en de strekking van de geschonden norm (zie paragraaf 6.4) en de aard van de schade die daardoor typisch wordt geleden (zie paragraaf 7.4). Op de aard van de geleden schade wordt in de volgende paragraaf ingegaan.