De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.3.2
4.3.2 Toestemmingsvereiste artikel 5:91 BW
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383616:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
De Blécourt & Fischer 1969, p. 186: “Het recht van de grondgebruikers was ondeelbaar, met welke uitdrukking men bedoelt, dat zonder toestemming van den eigenaar de grond niet mocht worden gesplitst en voor een deel aan andere gebruikers worden afgestaan (corporele ondeelbaarheid) (…).” De auteurs verwezen als bron naar De Groot 1631, II, 40, 8, 19 en 22.
De Vries 1965, p. 53 vermeldde dat de statuten van een coöperatieve flatexploitatievereniging veelal een verbod op vervreemding van lidmaatschapsrechten inhielden, tenzij met toestemming van het bestuur of de ledenvergadering. Bij overdracht aan familieleden of van een verhuurde flat was niet altijd toestemming nodig (p. 74) en bij overdracht tot zekerheid bleef een verzoek om toestemming vaak achterwege (p. 83). Werd toestemming geweigerd dan was een beroep op de kantonrechter of een arbitragecommissie mogelijk en als het beroep werd afgewezen kon de vereniging het lidmaatschap tegen een getaxeerde prijs overnemen. Dit toestemmingsvereiste kwam uit de praktijk en was geen wettelijk vereiste voor een coöperatieve vereniging, al konden aan uittreden van een cv voorwaarden worden verbonden, Polak 1965, p. 34. De Vries pleitte voor omzetting van alle coöperatieve flatexploitatieverenigingen in appartementsrechten, welk pleidooi door de Broederschap der Notarissen werd onderschreven, Commissie coöperatieve flatexploitatieverenigingen 1967. De appartementseigenaar had geen toestemming nodig om zijn recht over te dragen, Asser/Beekhuis 1963, p. 104: “Ieder der eigenaren is gerechtigd zijn appartement te vervreemden of te bezwaren, zonder dat hiertoe de toestemming van de andere eigenaren vereist is.”
Een door de grondeigenaar bedongen toestemming voor splitsing van gebruiksrechten op grond kwam ook al voor in het oudvaderlands recht.1 De toestemming voor splitsing komt vanouds voor in erfpachtvoorwaarden, toestemming voor overdracht niet. Vanwege het beginsel van de vrije overdraagbaarheid van goederen kan bij erfpachtrechten geen vervreemdingsverbod bedongen worden. Toestemming voor overdracht was wel verbonden aan de niet-zakelijke lidmaatschapsrechten van coöperatieve flatexploitatieverenigingen.2 Werd toestemming geweigerd dan kon de houder van een lidmaatschapsrecht een beroep doen op de kantonrechter of een arbitragecommissie en als het beroep werd afgewezen kon de vereniging het lidmaatschap tegen een getaxeerde prijs overnemen. Dit toestemmingsvereiste kwam uit de praktijk en was geen wettelijk vereiste voor de coöperatieve vereniging die vooral gericht was op bedrijfsmatige samenwerkingsverbanden. Hieronder wordt beschreven hoe het toestemmingsvereiste voor splitsing en overdracht in het BW 1992 werd opgenomen, door een samenwerking tussen de medewetgevers regering en parlement en onder invloed van de literatuur en de gemeentelijke erfpachtpraktijk.
4.3.2.1 Het regeringsontwerp van het Driemanschap 19574.3.2.2 Het Gewijzigd Ontwerp 19724.3.2.3 De Invoeringswet 1984