Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/4.3.2
4.3.2 Opzet van de Faillissementswet
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708270:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover De Kloe & Ortiz Aldana, MvO 2018, afl. 1/2.
Van der Feltz II 1896, p. 56. Zie voor kritiek op deze ‘weinige openbaarheid’ en voorgestelde oplossingen bijvoorbeeld Muntz 1888, p. 35 en 36, 41 en 44.
Van der Feltz II 1896, p. 143.
Zie ook Schimmelpenninck 2012, p. 232.
Polak/Pannevis 2022, par. 2.2.1.
Stb. 1977, 129. Zie voor de toelichting op deze wijziging Kamerstukken II 1970/71, 11085, nr. 3, p. 5.
Bijvoorbeeld Van Andel en Van Zanten besteden hier wel aandacht aan, maar beperken zich tot de stelling dat de reikwijdte van de informatieverplichting van de curator op grond van artikel 137 Fw onduidelijk is. Van Andel & Van Zanten 2013, p. 40.
Kennelijk anders: Van Galen 2006, p. 146. Volgens Van Galen stelt het informatierecht van artikel 137 Fw onder meer weinig voor omdat het recht beperkt is tot inlichtingen omtrent de stand van de boedel. Ook De Liagre Böhl ziet ‘de stand van de boedel’ kennelijk als beperking in zijn annotatie onder Jomed I in Ondernemingsrecht 2005/212.
Conclusie voor HR 21 januari 2005, NJ 2005/249 (Jomed I), par. 9.
In par. 78 van de conclusie schrijft Huydecoper dat de grens van de redelijkheid ‘betrekkelijk eng’ mag worden getrokken, waarmee hij bedoelt dat een beroep op de redelijkheid snel zal slagen.
Conclusie voor HR 21 januari 2005, NJ 2005/249 (Jomed I), par. 38, 40 en 41.
Molengraaff 1914, p. 355. Ondanks de verplichte opneming in het proces-verbaal werden schuldeisers niet altijd geraadpleegd over de instelling van een schuldeiserscommissie. Molengraaff verzuchtte: ‘Deze bepaling schijnt nog altijd niet te helpen, daar zelfs tegen het plegen van een intellectueele valschheid niet schijnt te worden opgezien.’
Molengraaff 1914, p. 407, voetnoot 2.
Van der Feltz II 1896, p. 606.
Polak 1918, p. 557 en 558.
De curator heeft ten opzichte van met name de schuldenaar een vergaand recht op informatie. Belangrijk zijn artikel 105 en 105a Fw, waarin de informatie- en medewerkingsplicht van de schuldenaar zijn opgenomen. Als de schuldenaar een rechtspersoon is, rusten deze verplichtingen op de bestuurders en commissarissen van de rechtspersoon (art. 106 Fw). Derden die administratie van de failliet onder zich hebben, moeten deze administratie op grond van artikel 105b Fw ter beschikking stellen aan de curator.1 Het is aan de curator om de informatie die hij heeft vergaard en informatie over de wijze waarop hij zijn taak uitoefent te delen met de schuldeisers.
In de toelichting op de Faillissementswet is, in ieder geval in kwantitatief opzicht, weinig aandacht besteed aan het recht van schuldeisers op informatie. Toch werd het van groot belang geacht dat schuldeisers worden geïnformeerd over de afwikkeling van het faillissement. In de toelichting op artikel 97 Fw, op grond waarvan de staat van baten en schulden en boedelbeschrijving gepubliceerd moeten worden, is opgenomen dat met invoering van dat artikel het grote bezwaar wordt weggenomen tegen de ‘weinige openbaarheid’ die tot dan toe werd gegeven aan stukken die van belang waren voor schuldeisers en licht konden werpen op de toestand van de boedel.2 Ook in de toelichting op artikel 137 Fw wordt het belang van informatie voor schuldeisers onderstreept: ‘Publiciteit van al wat op het faillissement betrekking heeft, kan niet genoeg bevorderd worden.’3
Het lijkt erop dat schuldeisers in de opzet van de Faillissementswet constant en tijdig moeten worden geïnformeerd over de taakuitoefening door de curator.4 In de Faillissementswet wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen een beheerfase en een vereffeningsfase.5 Tijdens de beheerfase, die wordt afgesloten met de verificatievergadering, inventariseert de curator de boedel. Op grond van het hiervoor genoemde artikel 97 Fw (in verbinding met art. 96 Fw) deponeert de curator de staat van baten en schulden en de boedelbeschrijving ter griffie van de rechtbank. Schuldeisers worden opgeroepen voor de verificatievergadering (art. 109 Fw) en de curator legt voorafgaand aan de verificatievergadering de lijsten met voorlopig erkende en betwiste vorderingen neer ter griffie (art. 114 jo. 112 Fw). Schuldeisers worden geïnformeerd over de neerlegging van deze lijsten en opnieuw opgeroepen voor de verificatievergadering (art. 115 Fw). Na afloop van de verificatie brengt de curator op grond van artikel 137 Fw verslag uit over de stand van de boedel en geeft hij daarover alle door de schuldeisers verlangde inlichtingen. Het verslag en het proces-verbaal van de verificatievergadering werden ter griffie neergelegd ter inzage van iedere belanghebbende. Om de tekst van artikel 137 Fw aan te laten sluiten bij de publicatieverplichtingen van de artikelen 73a, 226 en 227 Fw, liggen deze stukken sinds 1 mei 1977 ter inzage van eenieder.6
Wat in artikel 137 Fw wordt verstaan onder ‘de stand van de boedel’ blijkt niet uit de wetsgeschiedenis. Ook in de literatuur wordt weinig aandacht besteed aan deze vraag.7 Naar mijn mening moet dit ruim worden gezien.8 Een boedelbeschrijving volstaat niet, omdat artikel 137 Fw dan geen zelfstandige betekenis heeft naast artikel 97 Fw. Omdat na de verificatievergadering de vereffeningsfase begint, ligt het voor de hand dat de curator de schuldeisers op grond van artikel 137 Fw niet alleen informeert over de omvang van de boedel, maar ook over de wijze waarop hij de boedel wil vereffenen. Het lijkt erop dat ook A-G Huydecoper de informatieverplichting van de curator op grond van artikel 137 Fw ruim ziet, omdat hij stelt dat de curator op grond van artikel 137 Fw alle inlichtingen moet verstrekken die schuldeisers verlangen.9 Dat het volgens artikel 137 Fw gaat om verlangde inlichtingen omtrent de stand van de boedel, brengt volgens A-G Huydecoper kennelijk geen beperking met zich. Huydecoper meent wel dat de redelijkheid forse10 beperkingen aanbrengt. Inlichtingen kunnen bijvoorbeeld op basis van een belangenafweging worden geweigerd als de boedel belang heeft bij vertrouwelijkheid van bepaalde informatie of als het voor de boedel te belastend is om de gevraagde inlichtingen te verschaffen.11
Nadat verslag is uitgebracht over de stand van de boedel en de curator alle verlangde inlichtingen heeft verstrekt, bepalen de schuldeisers of al dan niet een schuldeiserscommissie wordt ingesteld (art. 75 lid 1 Fw). De raadpleging hierover van de schuldeisers is verplicht. Om die verplichting kracht bij te zetten, is in artikel 75 lid 2 Fw opgenomen dat een verslag over de raadpleging van de schuldeisers in het proces-verbaal van de verificatievergadering opgenomen moet worden.12 Hoewel deze volgorde niet als zodanig in de wet is opgenomen, ligt het voor de hand dat mede naar aanleiding van het verslag en de beantwoording van vragen door de curator wordt bepaald of instelling van een schuldeiserscommissie gewenst is.13 De schuldeiserscommissie heeft op grond van artikel 76 Fw vergaande informatierechten. Zij kan raadpleging van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die op het faillissement betrekking hebben vorderen en de curator moet haar alle verlangde inlichtingen verschaffen.
Als tijdens de verificatievergadering geen akkoord wordt aangeboden, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie (art. 173 lid 1 Fw). Op dat moment treedt de vereffeningsfase in. Tijdens de vereffeningsfase wordt de schuldeiserscommissie, indien de schuldeisers het ertoe hebben geleid dat een schuldeiserscommissie is ingesteld, geïnformeerd over de afwikkeling van het faillissement. Uiteraard is informatieverschaffing aan de schuldeiserscommissie iets anders dan aan alle schuldeisers en andere belanghebbenden, maar het doel van de introductie van de schuldeiserscommissie was toch om de schuldeisers de mogelijkheid te geven meer invloed toe te kennen op de afwikkeling van de boedel.14 Schuldeisers kunnen daarnaast tijdens crediteurenvergaderingen geïnformeerd worden over de afwikkeling van het faillissement, maar reeds aan het begin van de twintigste eeuw kwamen andere crediteurenvergaderingen dan de verificatievergadering slechts zelden voor.15