Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/6.6:6.6 De bevoegdheid van de gerechten, de samenstelling van de kamers en de rechter-commissaris
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/6.6
6.6 De bevoegdheid van de gerechten, de samenstelling van de kamers en de rechter-commissaris
Documentgegevens:
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie meer uitgebreid Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 168-171.
Zie art. 6 lid 2 Wet RO.
Als naar zijn oordeel een ter beschikkingstelling in zicht komt of een maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders mogelijk is aangewezen (art. 269 lid 2 Sv).
HR 25 september 2001, LJN AB3287
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 113 lid 1 en lid 3 Grondwet is het uitgangspunt neergelegd dat de berechting van strafbare feiten aan de rechterlijke macht wordt opgedragen en alleen de rechterlijke macht een vrijheidstraf kan opleggen. Behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen nemen de rechtbanken in eerste aanleg kennis van alle strafzaken, alsmede van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de benadeelde partij in strafzaken (art. 45 Wet RO). De belangrijkste uitzondering op deze hoofdregel is neergelegd in art. 382 Sv. Daaruit volgt dat de kantonrechter de bevoegde rechter is ter zake van de meeste overtredingen en het misdrijf stroperij. Indien een feit dat ingevolge art. 382 Sv voor de kantonrechter moet worden vervolgd, bij een andere kamer van de rechtbank aanhangig is gemaakt, kan het feit op verzoek van de verdachte of ambtshalve worden verwezen naar de kantonrechter. Zodanige verwijzing is niet mogelijk, indien primair een feit is ten laste gelegd dat ingevolge art. 382 Sv niet voor de kantonrechter wordt vervolgd (art. 348 lid 2 Sv). Militaire strafzaken worden in eerste aanleg afgedaan door de militaire kamer van de rechtbank Arnhem, waarbij geldt dat meervoudige kamers worden bezet door twee rechters en één militair lid (art. 55 Wet RO). Zonder te streven naar volledigheid1 wijs ik er verder op dat economische kamers van de rechtbank in eerste aanleg kennis nemen van economische delicten (art. 38 WED). De kantonrechters zitten enkelvoudig (art. 47 Wet RO). De rechtbanken bestaan uit meervoudige kamers die bestaan uit drie rechters2 en enkelvoudige kamers, politierechters geheten (art. 51 Wet RO) en economische politierechters voor zover het gaat om economische delicten (art. 52 lid 2 Wet RO). De enkelvoudige kamer die bevoegd is ter zake van kinderzaken draagt de naam kinderrechter (art. 53 Wet RO). De kinderrechter neemt kennis van strafzaken tegen verdachten die ten tijde van het begaan van het feit nog minderjarig waren (de art. 488 lid 2 en 495 lid 1 Sv). De zaak wordt in bepaalde gevallen niettemin meervoudig afgedaan (art. 495 lid 2 Sv). Hoofdregel is dat een meervoudige kamer van de rechtbank strafzaken behandeld en beslist (art. 268 Sv). Niettemin worden de meeste zaken afgedaan door de politierechter. Het rechtsgeding wordt voor de politierechter vervolgd indien naar het aanvankelijke oordeel van het openbaar ministerie de zaak van eenvoudige aard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl de te rekwireren gevangenisstraf niet meer dan een jaar mag bedragen (art. 368 Sv). De politierechter mag ook niet meer dan een gevangenisstraf van een jaar opleggen, maar wel kan hij — en moet hij soms3 — de zaak naar een meervoudige kamer verwijzen (art. 369 Sv).
Met betrekking tot de relatieve competentie van de rechtbanken volgt uit art. 2 lid 1 Sv dat, anders dan in het bestuursrecht, diverse rechtbanken tegelijkertijd bevoegd kunnen zijn. Omdat het uiteraard niet de bedoeling kan zijn dat de zaak door twee rechtbanken tegelijk wordt afgedaan is in het tweede lid bepaald dat in geval van gelijktijdige vervolging bij meer dan één rechtbank uitsluitend de rechtbank bevoegd blijft die in deze rangschikking eerder is geplaatst, of, indien het rechtbanken betreft, welke in deze rangschikking dezelfde plaats innemen, de rechtbank waarbij de vervolging het eerst is ingesteld. In art. 4 Sv is bepaald dat strafbare feiten buiten het rechtsgebied van een rechtbank aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig begaan, ter bepaling van de bevoegdheid van de rechters, worden geacht te zijn begaan binnen het rijk ter plaatse waar de eigenaar van het vaartuig of luchtvaartuig woont of de zetel van het bedrijf is gevestigd dan wel het vaartuig te boek staat. Als algemene restcategorie geldt dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is indien de art. 2 en 4 Sv geen bevoegde rechter aanwijzen. Art. 6 Sv voorziet er in dat de rechtbank die bevoegd is ter zake van de vervolging van één van de verdachten tevens bevoegd is met betrekking tot daders of medeplichtigen ten aanzien van hetzelfde feit. Er zijn wel enige uitzonderingen op deze hoofdregels. Zo is de economische kamer van de rechtbank Amsterdam in eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van marktmisbruikzaken (art. 5:55 Wft).
In hoger beroep zijn de gerechtshoven bevoegd te oordelen over de daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken van de rechtbanken binnen hun ressort, hetgeen voorts geldt voor het deel van het strafvonnis dat ziet op de vordering van de benadeelde partij indien de vordering meer dan € 1750 bedraagt (art. 60 lid 1 en lid 2 Wet RO). Daarbij kunnen raadsheren-commissarissen worden belast met de behandeling van strafzaken (art. 60 lid 3 Wet RO). Voorts geldt net als in eerste aanleg dat economische kamers worden gevormd (art. 64 Wet RO) en dat het Hof Arnhem een militaire kamer heeft (art. 68 Wet RO). Tevens vormt het bestuur van het gerechtshof Arnhem een meervoudige kamer ter afdoening van vorderingen ter zake van het uitstellen of het achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling en beroepen inzake het al dan niet verlengen van maatregelen. Die meervoudige kamer wordt aangevuld met twee deskundige leden (art. 67 lid 3 Wet RO). De hoofdregel is ook hier dat bij het gerechtshof strafzaken worden behandeld en beslist door een meervoudige kamer (art. 411 lid 1 Sv). Niettemin kan een zaak in hoger beroep door een enkelvoudige kamer worden behandeld indien de zaak naar het aanvankelijk oordeel van het openbaar ministerie van eenvoudige aard is en de verdachte ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen laste is bewezen verklaard, een straf of maatregel is opgelegd, en tevens de zaak in eerste aanleg door de kantonrechter of de politierechter is behandeld, en daarbij niet een gevangenisstraf van meer dan zes maanden is opgelegd (art. 411 lid 2 Sv).
In art. 427 Sv is bepaald in welke gevallen cassatie openstaat. Het beroep in cassatie kan alleen gericht zijn tegen handelingen en beslissingen van de rechter.4 Voor de Hoge Raad geldt dat zijn meervoudige kamers bestaan uit vijf leden (art. 75 lid 2 Wet RO). Op die hoofdregel zijn uitzonderingen. De voorzitter van een meervoudige kamer kan namelijk bepalen dat een zaak die daarvoor naar zijn oordeel geschikt is, wordt behandeld en beslist door drie leden van die kamer. Indien de zaak naar het oordeel van een van deze leden echter ongeschikt is voor behandeling en beslissing door drie leden, wordt de behandeling voortgezet door vijf leden (art. 75 lid 3 Wet RO). Voorts kent de Hoge Raad enkelvoudige kamers (art. 75 lid 1 Wet RO). Het is zelfs zo dat alle zaken betreffende cassatie in strafzaken in behandeling worden genomen door een enkelvoudige kamer van de Hoge Raad (art. 438 Sv). De enkelvoudige kamer verwijst de zaak vervolgens naar een meervoudige kamer:
wanneer de raadsman van de verdachte te kennen heeft gegeven de middelen van cassatie mondeling te willen toelichten dan wel het door het openbaar ministerie ingestelde beroep in cassatie mondeling te willen tegenspreken, en niet wordt volstaan met het overleggen van een schriftelijke toelichting;
wanneer de advocaat van de benadeelde partij te kennen heeft gegeven de middelen van de benadeelde partij mondeling te willen toelichten, en niet wordt volstaan met het overleggen van een schriftelijke toelichting;
wanneer zij de dag voor de uitspraak bepaalt, behoudens in het geval, omschreven in art. 440 lid 3 Sv;
wanneer zij verwijzing wenselijk acht (art. 438 lid 2 Sv).
Met name in volstrekt kansloze zaken of zaken waarin geen middelen worden voorgedragen kan enkelvoudige afdoening aangewezen zijn (zie ook art. 440 lid 3 Sv).5
Binnen de rechtbanken zijn rechter-commisarissen belast met de behandeling van strafzaken (art. 170 Sv en art. 46 Wet RO). De rechter-commissaris is belast met het gerechtelijk vooronderzoek, in welke verband hij veelal getuigen hoort (zie onder meer de art. 172 en 181 Sv). Het is de rechter-commissaris die na maximaal de eerste drie dagen en 15 uur van inverzekeringstelling van de verdachte oordeelt over diens verder voorlopige detentie (de art. 59a en 63 Sv). Hij kan ook in het kader van het onderzoek het doen van nasporingen opdragen aan opsporingsambtenaren (art. 177 Sv) en de beëindiging van een opsporingsonderzoek bevelen (art. 180 lid 2 Sv). Partijen kunnen de rechter-commissaris na sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek verzoeken nader onderzoek te verrichten. De beslissing van de rechter-commissaris is niet vatbaar voor beroep (art. 241 Sv). Voorts kan de rechtbank die de zaak behandelt de rechter-commissaris opdragen onderzoek te verrichten (art. 316 lid 1 Sv). Indien het uitsluitend een nader getuigenverhoor of deskundigenverhoor betreft kan de voorzitter of een van de rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris worden aangewezen (art. 316 lid 2 Sv). Een dergelijk nader onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek (art. 316 lid 3 Sv). Ook buiten een gerechtelijk vooronderzoek kan door de rechter-commissaris machtiging worden verleend voor de inzet van bepaalde dwangmiddelen, zoals het opnemen van vertrouwelijke communicatie (art. 1261 Sv) en het vorderen van gegevens (art. 126n e.v. Sv). Het gerechtelijk vooronderzoek kan dus veelal achterwege blijven. Voor het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek is eveneens een machtiging van de rechter-commissaris vereist (art. 126 Sv).
Het wetsvoorstel Wet versterking positie rechter-commissaris voorziet in een schrapping van het gerechtelijk vooronderzoek. In de memorie van toelichting wordt daarover in inleidende zin opgemerkt:
`Het voorstel voorziet in een nieuwe opzet voor de rol van de rechtercommissaris. De rechter-commissaris opereert niet meer primair als onderzoeksrechter, maar als "rechter in het vooronderzoek" die toezicht houdt op het goede verloop van het vooronderzoek en die op verzoek van de officier van justitie en van de verdachte onderzoekshandelingen verricht. De nieuwe rol wordt voorzien van passende bevoegdheden, zodat de rechter-commissaris weer zorg kan dragen voor voldoende rechterlijke betrokkenheid bij het vooronderzoek. Het bestaande formele kader van het gerechtelijk vooronderzoek dat niet meer aansluit bij de eisen van de praktijk en evenmin goed functioneert, wordt geschrapt.’6
Uit art. 21 lid 1 Sv volgt dat in alle gevallen waarin niet de beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, de behandeling door de raadkamer geschiedt, met dien verstande dat op de terechtzitting onderzoek en beslissing omtrent alle vorderingen, verzoeken of voordrachten, aldaar gedaan geschieden. De raadkamer is samengesteld uit drie leden van de rechtbank, tenzij het gaat om een eenvoudige zaak of om een vordering tot gevangenhouding of gevangenneming (art. 21 lid 2 en lid 5 Sv). De behandeling in raadkamer vindt niet in het openbaar plaats (art. 22 Sv). Waar het gaat om economische delicten heeft de behandeling door de raadkamer echter wel in het openbaar plaats (art. 46 en 53 lid 2 WED). In de raadkamer van de rechtbank wordt onder meer beslist over het bezwaar tegen de dagvaarding of de kennisgeving van verdere vervolging (art. 262 en 250 Sv), over gevangenhouding of gevangenneming (art. 65 Sv), de verlenging daarvan (art. 66 Sv) en over de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis (art. 69 Sv).
Elk gerecht heeft een griffie (zie art. 10 Wet RO). Naast rechterlijke ambtenaren zijn bij gerechten gerechtsambtenaren werkzaam en kunnen daar voorts gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding werkzaam zijn. Gerechtsambtenaren, gerechtsauditeurs, rechterlijke ambtenaren in opleiding en buitengriffiers zijn, indien zij griffierswerkzaamheden verrichten ter ondersteuning van een rechter, verplicht te voldoen aan de aanwijzingen van de laatstgenoemde (art. 14 Wet RO). De griffier notuleert ter zitting en stelt samen met de voorzitter het proces-verbaal van de zitting vast (art. 326 en 327 Sv). Ook de rechter-commissaris wordt bijgestaan door een griffier die onder meer processen-verbaal opmaakt (art. 171 en 172 Sv).