Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/6.1:6.1 Inleiding internationale reikwijdte van art. 2:11 BW
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/6.1
6.1 Inleiding internationale reikwijdte van art. 2:11 BW
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS303649:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Slagter 1996, p. 128.
Van Daal 1998, p. 171.
HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1408; NJ 2011,132; Ondernemingsrecht 2011, 71 (D Group-Schreurs q.q.).
HR 21 juni 2013, NL 2013, 353 en JOR 2013, 328 (My Guide).
Duinkerke en Van de Kuilen 2013.
Brief Minister van Veiligheid en Justitie (mede namens de Minister van Economische Zaken) van 14 oktober 2013, nr. 436809.
Aanhangsel Handelingen II 2013/14, 722.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in dit hoofdstuk behandelde deelvraag betreft de vraag wat de “internationale reikwijdte” van art. 2:11 BW is. Kunnen ook (rechtspersoon-)bestuurders die gevestigd c.q. woonachtig zijn in het buitenland geconfronteerd worden met een aansprakelijkheid die mede gebaseerd is op art. 2:11 BW en – zo ja – in welke gevallen? Of houdt de werking van art. 2:11 BW op bij de Nederlandse grens? Kortom: waar houdt de Nederlandse rechtsmacht – de reikwijdte van art. 2:11 BW – op en begint de vrijheid van de bestuurder? Een beperkte (uitleg van de) internationale reikwijdte verdraagt zich niet goed met het doel en de strekking van art. 2:11 BW. Een ruime (uitleg van de) internationale reikwijdte grijpt wellicht teveel in de rechtssfeer van andere staten in.
Slagter schrijft dat art. 2:11 BW alleen geldt voor rechtspersonen opgericht naar Nederlands recht.1 Daaraan voegt hij toe dat de keten van aansprakelijkheid wordt doorbroken door de management-B.V. naar buitenlands recht op te richten. Tot op zekere hoogte is dit juist. Ook Van Daal merkte – inmiddels geruime tijd geleden – reeds op dat een natuurlijk persoon-bestuurder van een buitenlandse rechtspersoon de werking van art. 2:11 BW niet hoeft te vrezen, aangezien de hoofdelijke mede-aansprakelijkheid via dat artikel afstuit op alleen al “het buitenlands zijn” van de rechtspersoon. Hij wijst erop dat het “tussenschuiven” van een buitenlandse rechtspersoon volstaat om de aansprakelijkheidsketen te verbreken tussen een Nederlandse rechtspersoon met alleen een rechtspersoon als bestuurder en de uiteindelijke – zelfs Nederlandse – bestuurder-natuurlijke persoon.2 Inmiddels is er sprake van belangrijke jurisprudentie op het gebied van de internationale reikwijdte van art. 2:11 BW. In dit kader ga ik in op het arrest van de Hoge Raad inzake D Group-Schreurs.3 Tevens komt aan de orde de prejudiciële vraag inzake MyGuide die de Rechtbank Oost-Brabant over dit onderwerp aan de Hoge Raad voorlegde en die de Hoge Raad (impliciet) heeft beantwoord.4 Deze jurisprudentie is van groot belang voor internationale concernverhoudingen.
Niet alleen in de rechtszaal en de doctrine, maar ook in de media en de politiek speelt de problematiek van de aanpak van personen die zich ter voorkoming van aansprakelijkheid “verstoppen” achter buitenlandse rechtspersonen. Zo verscheen op 26 augustus 2013 in het Financieel Dagblad een artikel met als opschrift “Aansprakelijkheid van bestuurders wordt ondermijnd”. In dat artikel gaan de schrijvers kort in op (de gevolgen van) voormeld arrest inzake MyGuide.5 De schrijvers van dat artikel wijzen erop dat door tussenschakeling van een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder verhaalsmogelijkheden van schuldeisers drastisch worden beperkt. Zij menen dan ook dat – zoals zij het aanduiden – “Europese wetgeving” noodzakelijk is om de door de Hoge Raad ingezette koers te wijzigen. Naar aanleiding van dat krantenartikel stelden de Kamerleden Vos en Recourt vragen over dit onderwerp aan de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie Opstelten.6 De Minister geeft in zijn reactie de hoofdlijnen aan uit de arresten D Group-Schreurs en MyGuide. Daarnaast geeft hij aan dat hij in algemene zin geen uitspraak kan doen of – en zo ja, onder welke voorwaarden – het toepasselijke buitenlandse recht hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders kent. Bovendien wijst de Minister op de mogelijkheid die art. 10:121 BW biedt. De Minister merkt op dat hij dit onderwerp ter sprake zal brengen in het kader van de consultatie die de Europese Commissie op dat moment hield naar eventuele mogelijkheden tot harmonisatie van het materiële faillissementsrecht. Aangezien art. 2:11 BW – zoals hierna blijkt – niet kan “inbreken” in de relatie tussen een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder en diens bestuurder, zal in dergelijke gevallen de regeling van toepassing zijn die betrekking heeft op die rechtspersoon-bestuurder. De Europese Commissie zal volgens de Minister gevraagd worden na te gaan of de rechtsstelsels van de lidstaten op dit punt dermate verschillen dat de goede werking van de interne markt in het gedrang kan komen. Op 10 december 2013 heeft Minister Van der Steur wederom vragen beantwoord van de Kamerleden Vos en Recourt. De Minister geeft in zijn reactie aan dat hem geen voorbeelden bekend zijn van rechtssystemen in andere lidstaten van de EU die voorzien in een mogelijkheid om bestuurders van buitenlandse rechtspersoon-bestuurders rechtstreeks aansprakelijk te stellen in geval van faillissementsfraude of Paulianeus handelen.7