Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.4.2.2
II.4.2.2 Precedentenstelsel
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS589520:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 12 november 1940, 311 U.S. 32 (Hansberry v. Lee), 40. Vgl. U.S. Supreme Court 12 juni 1989, 490 U.S. 755 (Martin v. Wilks), 762: ‘This rule is part of our ‘deep-rooted historic tradition that everyone should have his own day in court.’’
Zie echter nt. 181.
Sommige auteurs menen, dat art. III, § 1, Const. die regel ook voorschrijft. Bijv. Caminker 1994, p. 828 e.v.. In U.S. Supreme Court 12 september 1958, 358 U.S. 1 (Cooper v. Aaron), 18 redeneert het Hof het gehele probleem weg, als het de werking van een rechterlijke uitspraak vereenzelvigt met de verbindende kracht van de rechtsregel die het daarin uitlegt: ‘Marbury v. Madison [...] declared the basic principle that the federal judiciary is supreme in the exposition of the law of the Constitution [...]. It follows that the interpretation of the Fourteenth Amendment enunciated by this Court in the Brown case is the supreme law of the land, and Art. VI of the Constitution makes it of binding effect on the States ‘any Thing in the Constitution or Laws of any State to the Contrary notwithstanding.’ Every state legislator and executive and judicial officer is solemnly committed by oath taken pursuant to Art. VI, cl. 3, ‘to support this Constitution.’’
De lagere rechter hoeft niet de holdings van alle hogere rechters te volgen, maar alleen van hen die in hoger beroep bevoegd zijn kennis te nemen van het bij de lagere rechter aanhangige geschil (Caminker 1994, p. 824-825). De holdings van het U.S. Supreme Court moeten aldus door elke federale rechter in acht worden genomen.
Paragraaf 3.2.3.
Uit U.S. Supreme Court 29 februari 1960, 362 U.S. 17 (United States v. Raines), 21 volgt namelijk, dat de rechter slechts mag toetsen aan de Constitutie als dat voor de beslissing van het geschil ‘noodzakelijk’ is.
U.S. Supreme Court 15 mei 1989, 490 U.S. 477 (Rodriguez de Quijas v. Shearson/American Express, Inc.), 484: ‘If a precedent of this Court has direct application in a case, yet appears to rest on reasons rejected in some other line of decisions, the Court of Appeals should follow the case which directly controls, leaving to this Court the prerogative of overruling its own decisions.’ Het arrest is kritisch besproken door Bradford 1990, p. 39-90.Voor procespartijen maakt dit intussen weinig uit. In het onderhavige geval had het Court of Appeals geanticipeerd op een ‘omgaan’ van het Hof. In hoger beroep tegen die uitspraak gaat het Hof ook daadwerkelijk om en bevestigt het de uitspraak van het Court of Appeals.
U.S. Supreme Court 11 januari 1982, 454 U.S. 370 (Hutto v. Davis), 375.
U.S. Court of Appeals (6th Circuit) 3 juli 1991, 937 F.2d 1118 (Eubanks v. Wilkinson), 1127.
U.S. Supreme Court 30 november 1992, 506 U.S. 1011, (Ada v. Guam Society of Obstetricians and Gynecologists), 1012 (Scalia, J., dissenting): ‘The pratical effect of holding a statute unconstitutional ‘as applied’ is to prevent its future application in a similar context, but not to render it utterly inoperative. To achieve the latter result, the plaintiff must succeed in challenging the statute ‘on its face’.’
Van oudsher bindt het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak slechts partijen bij het geschil. Het Hof noemt dat, ‘a principle of general application in Anglo-American jurisprudence’.1 Dat slechts partijen aan de rechterlijke uitspraak zijn gebonden, wordt traditioneel als een kenmerk van rechtspraak gezien. Het gezag van gewijsde van uitspraken in class actions breekt met die traditie: niet alleen procespartijen, maar ook alle leden van de class zijn aan die uitspraak gebonden. Opmerkelijk genoeg is in de Verenigde Staten op die omvang van het gezag van gewijsde in class action vrijwel geen kritiek geweest. Het uitblijven van die kritiek kan worden verklaard door het bestaan van de regel van stare decisis in de Verenigde Staten.
Stare decisis vindt zijn oorsprong in de Engelse common law. Dat Engelse recht gold in Amerika toen het land nog een Engelse kolonie was. De onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Engeland leidde niet tot de afschaffing van dat recht in Amerika.2 De regel van stare decisis is een van die regels van Engels common law die in de Verenigde Staten nog steeds gelden.3 Volgens die regel zijn lagere rechters verplicht de holdings – of: precedenten – te volgen van uitspraken van hogere rechters.4
Wat een holding is, is in het vorige hoofdstuk besproken:5 het is het antwoord op een van de rechtsvragen van het geschil, zonder welke het niet kan worden beslecht. De vaststelling dat (de toepassing van) een wettelijke voorschrift onrechtmatig is, is doorgaans een holding.6
De regel van stare decisis past het Hooggerechtshof strikt toe. Zelfs als klip en klaar is, dat het Hof een van zijn precedenten voor onjuist houdt, maar het dat precedent (nog) niet heeft overruled, zijn lagere rechters verplicht het ‘oude’ precedent toe te passsen.7 Het Hof verklaart de strikte toepassing van die regel als volgt:
‘Admittedly, the Members of this Court decide cases ‚by virtue of their commissions, not their competence. [...] But unless we wish anarchy to prevail within the federal judicial system, a precedent of this Court must be followed by the lower federal courts no matter how misguided the judges of those courts may think it to be.’8
Door dit precedentenstelsel heeft een toetsingsuitspraak meer gevolgen dan de overtuigende werking die daarvan steeds kan uitgaan. Doordat rechters verplicht zijn de toetsingsoordelen van ‘hun’ hogere rechters te volgen, heeft die uitspraak ook gevolgen voor hen die niet door het gezag van gewijsde aan de (gevolgen van de) toetsingsuitspraak zijn gebonden. Het U.S. Court of Appeals for the 6th Circuit omschrijft die gevolgen zó:
‘Strictly speaking, a federal court disposes of questions of constitutionality in litigation by a judgment which binds only the parties in a case. A ruling that a statute is unconstitutional and therefore unenforceable is made applicable to others in the future by force of the doctrine of precedent. The court therefore says ‘what the law is,’ Marbury v. Madison, 5 U.S. (1 Cranch) 137 [...], for the parties and for future disputes’.9
Of de toepassing van een precedent inderdaad onontkoombaar is, is echter afhankelijk van de wijze waarop de rechter waarvan het precedent afkomstig is, het voorschrift heeft getoetst.
Heeft hij de toepassing van een wettelijk voorschrift onrechtmatig bevonden, dan is het precedent alleen van toepassing op gevallen die vergelijkbaar zijn met de casus waarin de precedent-scheppende rechter uitspraak deed. Slechts onder die omstandigheden is de toepassing van het voorschrift immers onrechtmatig. Of de feiten van het geschil vergelijkbaar zijn, moet de lagere rechter zelf beoordelen. Door het feitencomplex waarin de rechter de toepassing van het voorschrift heeft getoetst te onderscheiden van het bij hem aanhangige feitencomplex – men spreekt van ‘distinguishing’ – kan de rechter (te goeder of te kwader trouw) het precedent buiten toepassing laten.
Als het precedent echter zegt, dat het voorschrift on its face onrechtmatig is, dan ontkomt de lagere rechter er niet aan het voorschrift als onrechtmatig buiten toepassing te laten. De feiten van het geschil zijn in zo’n geval immers niet van belang voor de vraag of het voorschrift rechtmatig is.10 Het gevolg is, dat het voorschrift niet meer wordt toegepast. Amar beschrijft het proces dat daartoe leidt als volgt:
‘[O]nce a law is struck down on the merits as unconstitutional on its face by the Supreme Court, such a ruling will prohibit enforcement against anyone – not just the parties in the Supreme Court case – because the Supreme Court’s facial invalidation of the statute would bind all judges in the land.’11
Wat een class action kan bereiken – een erga omnes werkend toepassingsverbod van een onrechtmatig wettelijk voorschrift – bereikt het precedentenstelsel ook, zij het op een andere wijze. Dat een rechterlijke uitspraak op grond van dat precedentenstelsel reeds lang (indirect) gevolgen had voor een ieder, verklaart waarom in de Verenigde Staten nagenoeg geen kritiek is en was op de omvang van het gezag van gewijsde van rechterlijke uitspraken in class actions.