Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/5.5.1.2
5.5.1.2 Wie kan de stak ontbinden?
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957903:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In paragraaf 4.2.3.2 komt kort aan de orde of het gebruik van de stichting als stak wellicht in strijd is met de openbare orde (wordt vermogen aan het economisch verkeer onttrokken en zo ja, mag dit zo lang?).
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 380.
Art. 2:19 lid 1 sub a.
Zie Overes, Van der Ploeg en Van Veen 2021, paragraaf 14.1, p. 426 en Nethe 2013, p. 17. Op het moment dat een instelling buiten de stichting de bevoegdheid krijgt om een ontbindingsbesluit te nemen, wordt die instelling automatisch een orgaan van de stichting, Nethe 2013, p. 17 waarin ze verwijst naar het preadvies van De Monchy, getiteld ‘De nieuwe algemene bepalingen van boek 2 BW’ uit 1991.
Overes, Van der Ploeg en Van Veen 2021, paragraaf 14.1, p. 426.
Nu duidelijk is dat de ontbinding van de stak invloed kan hebben op het behoud van het vermogen en het economisch belang bij het vermogen, is een vervolgvraag wie de stak kan ontbinden. Voor de beantwoording van deze vraag wordt bekeken wie van de betrokken actoren invloed kan uitoefenen op de ontbinding. Met de betrokken actoren worden bedoeld de vennootschap van wie de aandelen zijn gecertificeerd, de stak zelf en de certificaathouders.
Geen aandacht wordt besteed aan andere personen of instellingen die op grond van art. 2:19 en 2:301 BW tot ontbinding kunnen overgaan, zoals de rechtbank of de Kamer van Koophandel. Het bespreken van die gronden tot ontbinding gaat het bereik van dit onderzoek te buiten.1
De wet kent een limitatieve opsomming van de mogelijkheden waarop een rechtspersoon kan worden ontbonden.2 Deze zijn opgenomen in art. 2:19 BW. Lid 1 sub a van art. 2:19 BW geeft voor de stichting aan dat in beginsel het bestuur een besluit tot ontbinding van de stichting kan nemen. De statuten van de stak kunnen echter een andere bepaling inhouden.3 Zo kan in de statuten zijn bepaald dat het bestuur van de stichting het besluit tot ontbinding slechts kan nemen, met voorafgaande goedkeuring van de vergadering van certificaathouders. Ook kan in de statuten een gekwalificeerde of versterkte meerderheid zijn voorgeschreven voor het te nemen ontbindingsbesluit.
Het lijkt ook mogelijk dat niet het bestuur, maar een ander orgaan of zelfs een instelling buiten de stichting het besluit tot ontbinding kan nemen.4 Als van deze mogelijkheid wordt uitgegaan, dan kan in de statuten de bevoegdheid om tot ontbinding van de stak over te gaan volledig bij de vergadering van certificaathouders worden gelegd. Op die manier hebben de economisch belanghebbenden invloed op het voortbestaan van de stak en daarmee op het behoud van het vermogen en het economisch belang bij het vermogen.
In hoeverre kan de bevoegdheid tot ontbinding van de stak aan de vennootschap waarvan de aandelen zijn gecertificeerd worden toegekend? De toekenning van deze bevoegdheid lijkt in eerste instantie mogelijk. Art. 2:19 lid 1 sub a BW legt geen beperkingen op aan de invulling van dit onderdeel.5 En er lijken ook geen andere (algemene) bepalingen van Boek 2 BW aan in de weg te staan. Via deze weg kan de vennootschap waarvan de aandelen zijn uitgegeven invloed krijgen op het voortbestaan van de beheerstructuur.
Overigens geven Overes, Van der Ploeg en Van Veen aan dat het besluit tot ontbinding geen discretionaire bevoegdheid inhoudt. Er kan volgens hen enkel tot ontbinding worden overgegaan op het moment dat het doel van de stichting niet langer meer kan worden gerealiseerd en een wijziging van het doel ook geen soelaas meer kan bieden. Dit omdat het orgaan dat het besluit tot ontbinding mag nemen zich altijd moet richten naar het belang van de stichting.6 Vanuit dit standpunt bezien is de invloed die door middel van de ontbindingsbevoegdheid kan worden uitgeoefend beperkt.
De conclusie is dat de ontbinding van de stak invloed kan hebben op het behoud van de aandelen en/of het economisch belang bij de aandelen. De mogelijkheid om deze invloed uit te oefenen ligt in beginsel bij het bestuur van de stak, maar kan worden toegekend aan derden. Deze derden kunnen een ander orgaan van de stichting zijn, maar ook een instelling buiten de stichting. Doordat het ontbindingsbesluit enkel kan worden genomen wanneer zich specifieke omstandigheden voordoen, zal de daadwerkelijke invloed beperkt zijn.