Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/2.5.4
2.5.4 De betekenis van het risicobeginsel voor het onrechtmatigheidscriterium
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713107:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld: Drion, WPNR 1947/3992-3996. Drion meent dat slechts handelingen onrechtmatig kunnen zijn.
Parl. Gesch. BW Inv. Boeken 3, 5 en 6, Boek 6 1990, p. 1380.
HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis). De rechtspraak acht dit arrest ook van betekenis voor de inkleuring van het gebrekscriterium ex art. 6:173 BW. Zie voor een toepassing bijvoorbeeld: Hof ’s-Hertogenbosch 10 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4196, JA 2014/2, r.o. 4.3.1, m.nt. F. Oldenhuis en Rb. Oost-Brabant 12 september 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:4483, JA 2018/166.
HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7487, NJ 2012/689 (Paalrot).
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/86, m.nt. T. Hartlief (Reaal/Deventer).
HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283, NJ 2017/5, m.nt. J. Spier (Nijmeegse marktkabels).
Meijers 1948, p. 305-308; Meijers 1954-1955, p. 232; Klaassen 1991; Klaassen 1996, p. 137-143; Klaassen, VR 2015/142, p. 143.
Meijers 1954-1955, p. 232.
Klaassen 1991; Klaassen 1996, p. 137-143; Klaassen, VR 2015/142. Opmerkelijk is dat in Zandvoortse Parkeergarage, de Hoge Raad spreekt over een ‘schadeveroorzakende toestand’. Deze bewoordingen zijn in mijn ogen enigszins ongelukkig, aangezien dit lijkt te impliceren dat sprake is van een garantienorm, terwijl de Hoge Raad duidelijk heeft gemaakt dat art. 6:174 BW niet als zodanig moet worden opgevat.
Dommering-van Rongen 1991, p. 74-76.
Zie over die bijkomende omstandigheden: Asser/Hartkamp 4-III 1998/202; Schut 1974, p. 231-232, nr. 128. Dit is in lijn met Hof ’s-Hertogenbosch 21 december 1967, NJ 1968, 402 (Ondeugdelijke oliestookinstallatie); HR 25 maart 1966, NJ 1966, 279, m.n. G.J.S. (Moffenkit). Schut noemt in het geval van het Moffenkit-arrest de volgende bijkomende omstandigheden: 1) HIM heeft reclame gemaakt voor het product; b) afgaande op deze reclame heeft de gemeente het gebruik van HIM-moffenkit voorgeschreven; c) HIM moest verwachten dat door haar reclame aanbesteders zouden worden verlokt om haar moffenkit te doen toepassen. Zie ook voor een bespreking van het vereiste van ‘bijkomende omstandigheden’: Dommering-van Rongen 1991, p. 74 e.v.
HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion).
Zo zou er onder andere een verhoogde kans zijn op: zelfmoordneigingen, depersonalisatie, geheugenverlies, paniekaanvallen, geheugen- en concentratieverlies, verlamd gevoel in de ledematen. Zie uitspraak van het hof, r.o. 3, bij: HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion).
Uitspraak van de rechtbank, r.o. 3, bij: HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion).
Concl. A-G Hartkamp, onder nr. 9, bij: HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion).
Uitspraak van het hof, r.o. 7, bij: HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion).
HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion), r.o. 4.4.2.
Jansen, AV&S 2012/5, p. 56.
HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion), r.o. 4.4.2.
HR 6 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2221 (Du Pont/Hermans), r.o. 3.5. Deze norm wordt later ook toegepast op halffabrikaten in: HR 22 oktober 1999, NJ 2000, 159 (Koolhaas/Rockwool), r.o. 3.4. De Hoge Raad verwijst dan expliciet naar Du Pont/Hermans.
Stb. 1994, 846. Bij deze wet werden ook bepalingen opgenomen in Boek 8. Ik laat deze bepalingen buiten beschouwing. Vóór inwerkingtreding van deze bepalingen werd de aansprakelijkheid afgewikkeld op grond van het onrechtmatigedaadsrecht. Voor toekenning van schadevergoeding was derhalve onrechtmatigheid en schuld vereist. In de praktijk werden deze vereisten dikwijls gerelativeerd door het aanscherpen van de zorgvuldigheidsnorm, het objectiveren van het schuldvereiste of het aannemen van bewijsvermoedens. Zie ook: Braams 1989, p. 3 e.v., 311, 422; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/240.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 745; Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6, Boek 6 1990, p. 1388. Het criterium ‘bijzonder gevaar van ernstige aard’ is een open norm. Zoals Braams terecht aanvoert, is het niet mogelijk om ‘gevaar’ in abstracto ex ante te definiëren. Braams 1989, p. 200 e.v. Zie over het open karakter van het gevaarscriterium onder anderen: Schut, AA 1970, p. 450; Haazen 2017, p. 57-58; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/411. Het open karakter van het gevaarscriterium betekent echter niet dat het criterium moet worden ingekleurd aan de hand van onrechtmatigheidsoverwegingen of gedragsnormen. ‘Gevaar’ is niet te vereenzelvigen met ‘ontoelaatbaarheid’. Dit blijkt ook uit de formulering van art. 6:173 BW, waar het gebrekscriterium (oftewel: het ontoelaatbaarheidscriterium) wordt onderscheiden van ‘bijzonder gevaar’. Niet elk bijzonder gevaar is ook ontoelaatbaar, zo volgt uit het artikel. In art. 6:175 BW ontbreekt een vergelijkbare ontoelaatbaarheidstoets.
Zo stelt de minister ten tijde van de behandeling: “Gevaarlijke stoffen als zodanig zijn gevaarlijk, maar dit behoeft op zichzelf geen gebrek te zijn. Zij worden juist als zodanig gebruikt en vervoerd, omdat zij nodig en nuttig zijn. Zij leveren algemeen gevaar op vanwege de samenstelling van de desbetreffende stof, maar de samenstelling is op zichzelf niet gebrekkig.” Parl. Gesch. Boek 6 1981, p. 745; Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6, Boek 6 1990, p. 1388; Braams 1989, p. 27; Spier & Sterk 1995, p. 44-45; Bauw & Brans 2003/47; Haazen 2020, p. 35. Klaassen (1991, p. 227) meent dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat het onrechtmatigheidsvereiste geen rol meer speelt bij de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen. Zij meent dat de aansprakelijkheid alleen in zicht kan komen indien er op ontoelaatbare wijze schade is veroorzaakt. Ik citeer: “De aanwezigheid van een aanzienlijke gastank bij een tankstation wordt, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, op zichzelf maatschappelijk aanvaardbaar geacht, ondanks het ontploffings- en brandgevaar dat hieraan is verbonden. Juist vanwege deze eigenschappen wordt deze stof aangewend. Indien het gas evenwel niet ontbrandt op het moment en op de wijze waarop wij dit graag hebben, maar voordien door een onopgehelderde oorzaak de gehele tank in brand vliegt en schade veroorzaakt aan de nabijgelegen huizen, is de exploitant van het tankstation hiervoor in principe risico-aansprakelijk. De op zichzelf toegelaten opslag van gas doet derhalve (eerst) aansprakelijkheid ontstaan indien de aan deze stof inherente eigenschappen zich op ontoelaatbare wijze openbaren. Anders gezegd: de stof ‘gedraagt’ zich niet overeenkomstig hetgeen in de gegeven omstandigheden wordt gevorderd.”
Bauw 2015, p. 53; Haazen 2017, p. 58.
Krachtens art. 6:178 BW bestaat geen aansprakelijkheid indien: a) de schade is veroorzaakt door gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer of muiterij; b) de schade is veroorzaakt door een natuurgebeuren; c) de schade is veroorzaakt uitsluitend door voldoening aan een bevel of dwingend voorschrift van de overheid; d) de schade is veroorzaakt door een handeling met een stof in het belang van de benadeelde zelf; e) de schade is veroorzaakt uitsluitend door een handelen of nalaten van een derde, geschied met het opzet schade te veroorzaken; of f) het gaat om hinder, verontreiniging of andere gevolgen, ter zake waarvan aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW zou hebben ontbroken, indien zij door de aangesprokene bewust zouden zijn veroorzaakt.
Par. 2.5.5.
Klaassen 1991, p. 223. Hoewel volgens Klaassen wel risico-elementen een rol spelen, wil zij vanuit praktisch oogpunt niet spreken van een echte risicoaansprakelijkheid. Daarvoor is het verschil met de ‘echte’ risicoaansprakelijkheden – waar aansprakelijkheid vanwege hoedanigheid en niet vanwege schending van een gedragsnorm wordt gevestigd – te groot. Enigszins anders: Van Dam 2020, nr. 403: “Risicoaansprakelijkheid begint al wanneer het recht meer verlangt aan kennis en kunde dan waar iemand persoonlijk over beschikt.” Vgl.: Schut, WPNR 1969/5045, p. 269-273; Nieuwenhuis, RM Themis 1989, p. 193-201.
Van Dam 2020, nr. 405.
Ten derde is in de rechtsliteratuur risicoaansprakelijkheid aangeduid als aansprakelijkheid zonder onrechtmatigheid.1 Bij de inwerkingtreding van afdeling 6.3.2 BW (aansprakelijkheid voor personen en zaken) rees de vraag of de artikelen uit deze afdeling aansprakelijkheid zonder onrechtmatigheid behelzen. Een dergelijke invulling zou een zeer grote invloed van de risicogedachte betekenen. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat art. 6:173 (alsmede art. 6:174) BW niet als een dergelijke garantienorm moet worden gelezen.2 De Hoge Raad heeft dit in Wilnis gevolgd3 en dit in de arresten Paalrot,4 Reaal/Deventer,5 en Nijmeegse marktkabels bevestigd.6 In het verleden werd hier nog anders over gedacht. Dit kwam voornamelijk omdat men ervan uitging dat alleen een gedraging onrechtmatig kan zijn. Uitgaande van die veronderstelling, komt men al snel tot de conclusie dat nooit sprake kan zijn van een onrechtmatige toestand. Aangezien een partij op grond van de artikelen 6:173 en 6:174 BW aansprakelijk is vanwege haar kwaliteit (bezitter van een roerende zaak of opstal of, op grond van art. 6:181 BW, de bedrijfsmatige gebruiker van de zaak) en niet vanwege de schending van een tot haar gerichte gedragsnorm, zou geen sprake kunnen zijn van onrechtmatigheid. Ik volg deze enge definitie van ‘onrechtmatigheid’ niet. Onrechtmatigheid speelt ook een rol in het kader van de kwalitatieve aansprakelijkheid voor zaken.7 Het draait weliswaar niet meer om de onrechtmatigheid van de gedraging van de laedens, maar om “de onrechtmatigheid der aangerichte schade.”8 Er moet, met andere woorden, sprake zijn van een rechtens ontoelaatbare toestand.9
Een vergelijkbare discussie heeft zich in het verleden voorgedaan met betrekking tot de productaansprakelijkheid (art. 6:185 e.v. BW). In oudere literatuur is de vraag opgeworpen of art. 6:185 en 6:186 BW niet alleen van het schuldvereiste, maar ook van het onrechtmatigheidsvereiste abstraheren.10 De implementatie van de richtlijn Productaansprakelijkheid zou daarmee een breuk vormen met het oude recht. De gedachte vond steun in oudere rechtspraak, waarin de rechter oordeelde dat het op de markt brengen van een ‘onredelijk gevaarlijk product’ op zichzelf niet als onrechtmatige daad beschouwd kon worden, maar dat daarvoor nog bijkomende omstandigheden vereist zouden zijn.11 Deze bijkomende omstandigheden zouden niet vereist zijn op grond van art. 6:186 BW. In het Halcion arrest heeft de Hoge Raad echter uitgemaakt dat voor de vestiging van productaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad geen bijkomende omstandigheden zijn vereist.12 In 1977 werd het door Upjohn geproduceerde slaapmiddel Halcion toegelaten op de Nederlandse farmaceutische markt. Twee jaar later kwam het medicijn in opspraak, toen bekend werd dat er mogelijk ernstige bijwerkingen waren verbonden aan gebruik van het middel.13 Vervolgens werd niet alleen de registratie van het middel doorgehaald, maar meldden gebruikers zich bij Upjohn met de claim dat zij, als gevolg van het gebruik van Halcion, schade hadden geleden. Zij stelden dat Upjohn onrechtmatig had gehandeld jegens hen door het schadelijke product op de markt te zetten, althans door onvoldoende te waarschuwen voor de mogelijke schadelijke bijwerkingen.14 De rechtbank oordeelde dat Upjohn niet onrechtmatig had gehandeld. Het hof besliste in hoger beroep anders. Hoewel het hof oordeelde dat de EEG-richtlijn niet van toepassing was en dat de zaak op grond van art. 1401 (oud) BW beslist moest worden, kleurde hij de zorgvuldigheidsnorm wel naar Europees voorbeeld in.15 Zo formuleerde het hof de volgende norm:
“Een geneesmiddel is gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die de gebruiker/consument gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen.”16
Tegen het oordeel van het hof stelde Halcion cassatie in. Het cassatiemiddel klaagde dat het hof de verkeerde maatstaf had aangelegd, omdat het eigenlijk had moeten onderzoeken of, de aard en ernst van mogelijke schadelijke bijwerkingen en de grootte van de kans daarop zodanig zijn dat deze niet meer in verhouding staan tot de ernst van de ziekte of kwaal, ‘‘mede gelet op alle verdere omstandigheden, zoals de effectiviteit van het middel in het algemeen, de wijze van produktinformatie en de effectiviteit en (potentiële) schadelijkheid van substitueerbare middelen’’.17 Daarmee betoogde het cassatiemiddel kennelijk dat de Kelderluikfactoren hadden moeten worden toegepast.18 De Hoge Raad oordeelde dat het hof de door het cassatiemiddel voorgestelde norm ‘in feite had toegepast’.19 De Hoge Raad heeft het Halcion-arrest (impliciet) bevestigd in Du Pont/Hermans.20 Aldus aanvaardde de Hoge Raad dat de norm van art. 6:162 BW dezelfde is als die van art. 6:185 BW.
Hoewel de artikelen 6:173, 6:174 en 6:185 BW niet abstraheren van het onrechtmatigheidsvereiste, zijn er artikelen in het Burgerlijk Wetboek te vinden die dat wél doen. Voorbeelden zijn de artikelen 6:175, 6:176 en 6:177 BW van het Burgerlijk Wetboek.21 Deze bepalingen regelen de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen en verontreiniging van lucht, water of bodem. Zij steunen in grote mate op de risicogedachte. Voor toepassing van art. 6:175 BW is bijvoorbeeld vereist dat bekend is dat de stof zodanige eigenschappen heeft dat zij een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert. Het gaat hier om een ‘inherent’ gevaarlijke stof, oftewel om een stof die naar haar aard gevaarlijk is.22 Dit betekent dat de stof niet gebrekkig hoeft te zijn.23 Hierin onderscheidt art. 6:175 BW zich van de aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken (art. 6:173 BW).
In het kader van de kwalitatieve aansprakelijkheden voor zaken is aangenomen dat gedragsnormen indirect een rol spelen bij de inkleuring van het gebrekscriterium. Het is niet aannemelijk dat dit ook het geval is in het kader van art. 6:175 BW.24 Steun voor dit standpunt is ten eerste te vinden in de formulering van artikel 6:175 BW. Daarin ontbreekt de zinsnede ‘zo zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen’. Verder luidde art. 6.3.16 Ontwerp Meijers nog: “De bezitter van de stof waarvan bekend is, dat zij zodanige eigenschappen heeft dat zij, ondanks de nodige voorzorgsmaatregelen, een bijzonder gevaar oplevert voor personen en zaken, is bij verwezenlijking daarvan aansprakelijk als ware deze aan zijn fout te wijten (curs. TdW-vdL).” De gecursiveerde zinsneden zijn in het uiteindelijke art. 6:175 BW komen te vervallen. Ten tweede blijkt uit de wetsgeschiedenis dat art. 6:175 BW ziet op gevallen, waarbij, zelfs als alle voorzorgsmaatregelen waren genomen, de schade moet worden afgewenteld, mits het gevaar bekend was.25
Met andere woorden, de verwezenlijking van een bekend, bijzonder gevaar van ernstige aard leidt tot aansprakelijkheid op grond van art. 6:175 BW. Art. 6:175 BW benadert weliswaar een causaliteitsaansprakelijkheid, maar kan niet getypeerd worden als een absolute causaliteitsaansprakelijkheid. Verschillende waarborgen zijn namelijk opgenomen tegen een te vergaande aansprakelijkheid: het bekendheidsvereiste (het gevaar moet wetenschappelijk bekend zijn) en de bevrijdende omstandigheden uit art. 6:178 BW.26 Dit geldt ook voor de aansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:176 en 6:177 BW.
Anders dan de voornoemde kwalitatieve aansprakelijkheden, wordt art. 6:162 BW gekenschetst als een echte schuldaansprakelijkheid, omdat voor de vestiging van aansprakelijkheid op grond van deze bepaling vereist is dat een persoon een eigen gedragsnorm heeft geschonden. Toch bevat zelfs art. 6:162 BW zekere risico-elementen. Deze risico-elementen zijn niet alleen zichtbaar in het toerekenbaarheidsvereiste,27 maar ook in het onrechtmatigheidsvereiste. In sommige gevallen hanteert de rechter een zeer strenge zorgvuldigheidsnorm bij de toetsing van het gedrag.28 In die gevallen komt de risicogedachte tot uiting. Van sommige groepen laedentes kan men bijvoorbeeld verwachten dat zij verdergaande voorzorgsmaatregelen nemen om risico’s te vermijden dan laedentes die niet tot deze maatschappelijke groep behoren. Zoals Van Dam beschrijft:
“Binnen de [schuldaansprakelijkheid] kan de rechter dus strenger zijn door steeds meer voorzorgsmaatregelen te vergen of door het objectieve vergelijkingstype met steeds meer kennis en kunde uit te rusten. Hoe verder de rechter hiermee gaat, des te meer de verwezenlijking van het risico feitelijk voldoende is voor aansprakelijkheid. De rechter beschikt binnen de [schuldaansprakelijkheid] dus over instrumenten waarmee hij bij de zorgplicht, zoals met een volumeknop, kan kiezen voor meer of minder risico-elementen. Dit illustreert eens te meer dat de grens tussen [schuld]- en risicoaansprakelijkheid vloeiend is.”29