Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.6.2.3
III.6.2.3 Toerekening vóór de Vierde tranche
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460190:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF8999, AB 2008/364, m.nt. Michiels (CZL Tilburg), r.o. 2.5.2. Dat in de eerste plaats degene ‘die het wettelijk voorschrift daadwerkelijk geschonden heeft’ kan worden aangemerkt als overtreder, is ontleend aan ABRvS 19 juni 1995, ECLI:NL:RVS:1995:ZF1686, AB 1995/582, m.nt. Van Buuren (Geldrop).
Aldus ook De Valk 2009, par. 9.3.2.4.
Er werd echter al wel voor inspiratie naar het strafrechtelijke leerstuk van functioneel plegen gekeken. Zie bijvoorbeeld Bröring & Vermeer 2003 met verdere verwijzingen naar bestuursrechtelijke rechtspraak.
Ook in uitspraken ná 2009 past de Afdeling dezelfde toets voor natuurlijke personen en rechtspersonen toe, zie hierna par. III.6.3.3.
Zie in deze zin ook Bröring & Vermeer 2003, par. 3.3.
ABRvS 3 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4856, AB 2002/311, m.nt. Van Hall (Baggerwerkzaamheden in de Vecht), r.o. 2.8. Vanuit een strafrechtelijke bril gezien is de focus op de juridische positie van de aangesprokene in deze zaak opmerkelijk. Voor de toerekening aan de functionele pleger dient immers gekeken te worden naar de feitelijke beschikkingsmacht bij en aanvaarding van de verboden gedraging. Echter was deze uitspraak nog voor de Vierde tranche Awb gedaan, en was de bestuursrechter formeel nog niet geboden aan de strafrechtelijke doctrine. In andere zaken keek de Afdeling voor overtrederschap juist wel weer naar de feitelijke betrokkenheid van de aangesprokene. Zie bijvoorbeeld ABRvS 25 juni 1998, ECLI:NL:RVS:1998:ZF3428, AB 1999/44 (Oud Gastel).
Vóór de Vierde tranche werden in de rechtspraak en literatuur (slechts) twee soorten overtreders onderscheiden: (1) de overtreder die zelf (fysiek) het wettelijk voorschrift schendt; en (2) de overtreder aan wie de handelingen van een ander worden toegerekend omdatdeze(maatschappelijkgezien)voordeverbodengedraging(eind)verantwoordelijk is.1 Bezien vanuit het prisma van strafrechtelijke daderschapsvormen, lijkt de tweede overtrederschapsvorm het meest op een functionele pleger (of ‘functioneel dader’, zoals het ook wel bekend staat).2 Het betreft immers een overtrederschapsvorm waarin gedragingen van een ander door middel van toerekening worden aangemerkt als de gedraging van de aangesprokene, en waarbij de aangesprokene zelf het kwalitatieve bestanddeel moet vervullen. De toerekeningsformule van de bestuursrechter was echter een andere dan die in het strafrecht gebruikt werd.3 Een in het oog springend verschil is dat de bestuursrechter ‘aanvaarding’ van de gedraging niet noodzakelijk achtte voor de toerekening aan de overtreder. Ook het beschikkingscriterium werd als ik het goed zie anders (lees: ruimer) ingevuld. Bovendien gebruikte de bestuursrechter voor natuurlijke personen en voor rechtspersonen dezelfde toerekeningsformule, terwijl voor deze gevalstypen in het strafrecht verschillende toetsen zijn ontwikkeld.4
De Baggerwerkzaamheden uitspraak illustreert dat de aanvaarding van de verboden gedraging in het bestuursrecht geen rol van betekenis heeft, althans niet expliciet, bij de beoordeling van overtrederschap.5 In deze zaak geeft appellant een aannemer de opdracht om de bodem onder zijn woonark te egaliseren. Deze aannemer had dat een paar jaar eerder voor de buren gedaan. Bij het baggeren verplaatst de aannemer de modder richting de vaargeul, waardoor ter plaatse een ondiepte is ontstaan. Hiermee wordt het verbod om een verandering aan te brengen in een scheepvaartweg overtreden, en het bevoegd gezag schrijft de bewoner die opdracht gaf tot de baggerwerkzaamheden aan als overtreder. De bewoner voert aan dat hij de aannemer niet de opdracht had gegeven om de bagger de verplaatsen naar het midden van de Vecht, en dat het de aannemer is die, buiten het kader van de uitdrukkelijk verstrekte opdracht, de voorschriften heeft overtreden. De Afdeling rekent de gedraging toch toe aan de bewoner, en overweegt als volgt:
“De rechtbank heeft de vraag evenwel terecht bevestigend beantwoord op de grond dat appellant de opdrachtgever is geweest van de baggerwerkzaamheden en derhalve als eindverantwoordelijke in juridische zin dient te worden beschouwd. Voorzover de stelling van appellant dat de aannemer zijn opdracht heeft overschreden, dan wel niet juist heeft uitgevoerd, juist zou zijn, regardeert deze omstandigheid de beslissing op bezwaar niet, aangezien die omstandigheid, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft geoordeeld, slechts een rol speelt in de contractuele relatie tussen appellant en diens aannemer.” [curs. TRB]6
De toerekeningsformule die de Afdeling hier gebruikt is aanzienlijk ruimer dan de strafrechtelijke IJzerdraadcriteria. Daar zou het buiten de opdracht treden door de aannemer niet slechts een contractuele aangelegenheid zijn, maar vermoedelijk ook de toerekening aan de functionele pleger in de weg staan: de bewoner wist waarschijnlijk niet van het handelen van de aannemer, en heeft de verboden gedraging ook niet aanvaard.