Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.4.1.1
2.4.1.1 De overeenkomst van opdracht als handelsovereenkomst
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855414:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. art. 1 Richtlijn 2011/7/EU. Zie bijv. ook overweging 7 Richtlijn 2000/35/EG.
Kamerstukken II 2001/02, 28 239, 3, p. 9. Het moment waarop deze rente automatisch aanvangt, is allereerst afhankelijk van de contractuele betalingstermijn. Als partijen geen uiterste dag van betaling zijn overeengekomen, is deze rente – kort en ongenuanceerd gezegd – van rechtswege verschuldigd vanaf dertig dagen, volgende op de dag waarop (a) de schuldenaar de factuur heeft ontvangen, (b) de prestatie is ontvangen of (c) de prestatie is aanvaard of beoordeeld (art. 6:119a lid 2 aanhef en sub a-c BW).
Wel moet de vertraging in de betaling aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend (art. 6:119a lid 8 BW). Zie over het begrip ‘toerekenbaarheid’ Asser/Hartkamp 3-I 2023/275, die aanneemt dat met dit begrip is aangesloten bij art. 6:75 BW.
Kamerstukken II 2001/02, 28 239, 5, p. 7-8.
De opdrachtgever (schuldenaar) kan dit doen in verband met een cashflowvoordeel. Het is echter ook denkbaar dat de opdrachtgever niet tijdig betaalt, omdat hij goede gronden heeft te twijfelen aan de verschuldigdheid van het loon, bijv. omdat hij meent dat de opdrachtnemer wanprestatie heeft gepleegd. Als in die situatie bij de rechter toch blijkt dat de opdrachtgever het loon (volledig) moet betalen, kan de rente aardig zijn opgelopen. Voor dit soort gevallen is de wettelijke handelsrente in wezen niet geschreven, waardoor de rechter m.i. de rente op grond van art. 6:109 of 6:248 lid 2 BW kan matigen tot bijv. de ‘gewone’ wettelijke rente (art. 6:119 BW). Vgl. Asser/Hartkamp 3-I 2023/275.
De (hoogte van de) wettelijke handelsrente heeft een dubbele doelstelling: fixatie van de schade vanwege de te late betaling en een aansporing om tijdig te betalen. De wettelijke handelsrente bedraagt ten tijde van dit schrijven (1 januari 2023) 8%.
HvJ EU 15 december 2016, C-256/15, ECLI:EU:C:2016:954 (Nemec/Slovenië).
Als toch twijfelachtig is of de opdrachtnemer de werkzaamheden uitoefent in het kader van zijn beroep of bedrijf, zoals het geval kan zijn bij een platformwerker, maar de opdrachtgever (schuldenaar) evident een handelspartij is, ben ik er voorstander van dit begrip – binnen de grenzen van de richtlijn – zo ruim mogelijk uit te leggen. Ik verdedig in dit soort situaties een zo ruim mogelijke uitleg, omdat ook in deze gevallen een betalingsachterstand onwenselijk is en de opdrachtgever daarom dient te worden aangespoord tijdig te betalen op straffe van de hogere wettelijke handelsrente (vgl. Freudenthal, Milo & Schelhaas, NTBR 2003/2; Asser/Hartkamp 3-I 2023/274). Mijn lezing vindt min of meer steun in de wetsgeschiedenis. Daarin is opgemerkt dat er geen aanleiding is de wettelijke handelsrente van toepassing te verklaren op consumenten, omdat het in beginsel niet gerechtvaardigd is dat deze personen, die niet professioneel deelnemen aan het rechtsverkeer, wettelijke (handels)rente zijn verschuldigd voordat zij daartoe in gebreke zijn gesteld (Kamerstukken II 2001/02, 28 239, 3, p. 9). Hieruit maak ik op dat het voor de wettelijke handelsrente vooral van belang is dat de schuldenaar een professionele partij is.
De overeenkomst van opdracht kan in business-to-business-relaties kwalificeren als handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. Dit is het geval als – kort en ongenuanceerd gezegd – de overeenkomst strekt tot het tegen betaling verrichten van diensten én tot stand is gekomen tussen één of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tussen rechtspersonen of tussen een natuurlijk persoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een rechtspersoon (artikel 6:119a lid 1 BW). Als de overeenkomst van opdracht aan deze wettelijke definitie voldoet, kan de opdrachtnemer bij een te late betaling van het loon de wettelijke handelsrente in rekening brengen. De wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vormt de implementatie van Richtlijn 2011/7/EU, die Richtlijn 2000/35/EG heeft opgevolgd en expliciet, maar niet uitsluitend, de mkb-ondernemer (ten opzichte van de grote ondernemingen) beoogt te beschermen tegen betalingsachterstanden bij handelstransacties.1 Met andere woorden: de wettelijke handelsrente heeft vooral tot doel te voorkomen dat grote ondernemingen mkb-ondernemers (bewust) te laat betalen, maar geldt ook daarbuiten voor elke handelstransactie.
De wettelijke handelsrente gaat in beginsel automatisch lopen;2 een aanmaning is zodoende niet vereist.3 De reden hiervoor is dat van een niet-particuliere schuldenaar een zekere mate van professionaliteit mag worden verwacht, waaronder dat hij weet wanneer een betalingstermijn verstrijkt.4 De betalingstermijn dient dus serieus te worden genomen en is een uitvloeisel van de ratio van de wettelijke handelsrente. De regeling wil op deze manier immers voorkomen dat de grotere partij het verschuldigde bedrag (bewust) te laat voldoet ten koste van de kleinere partij,5 die mogelijk niet in de positie verkeert om de grotere wederpartij tot betaling te dwingen.6 Deze rentevoet is daarom aanmerkelijk hoger dan die van de ‘gewone’ wettelijke rente, waarmee wordt beoogd betalingsachterstanden in het bedrijfsleven uit financieel oogpunt onaantrekkelijk te maken.7 Dit is te beschouwen als een vorm van ongelijkheidscompensatie.
In dit onderzoek neem ik als uitgangspunt dat de opdrachtnemer werkzaamheden verricht voor een niet-particuliere opdrachtgever en daarvoor een beloning ontvangt. Of de verhouding tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer kwalificeert als handelsovereenkomst, is dan ook vooral afhankelijk van het feit of de opdrachtnemer de overeenkomst in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan.8 Ik heb bepleit dat het begrip ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ in het kader van artikel 7:405 lid 1 BW ruim moet worden geïnterpreteerd (zie paragraaf 2.2). Ook in dit verband kom ik – tegen de achtergrond van artikel 6:119a BW – tot een ruime uitleg. Toegepast op de opdrachtnemer oordeelde het Hof van Justitie namelijk dat van een ‘beroep of bedrijf’ sprake is als tegen betaling gestructureerd en duurzaam diensten worden geleverd.9 Daarbij maakt het niet uit of de organisatie uit slechts één persoon bestaat, wat de rechtsvorm is en of het de hoofd- of nevenactiviteit betreft. De opdrachtnemer die in dit onderzoek centraal staat, voldoet al gauw aan deze definiëring.10