Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.10.2:7.10.2 Antwoord op deelvraag 5
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.10.2
7.10.2 Antwoord op deelvraag 5
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633814:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk ben ik op zoek gegaan naar een antwoord op de subvragen onder deelvraag 5 die ik in hoofdstuk 1 Inleiding, paragraaf 1.2 over de fiscale heffingswetten heb opgeworpen. Hierna volgt op basis van mijn onderzoek het antwoord bij elke subvraag.
Welke specifieke fiscale regels zijn van toepassing op religie, spiritualiteit en levensbeschouwing?
In de inkomstenbelasting, de ozb en de energiebelasting staan specifieke regels voor rsli’s. In de inkomstenbelasting zijn giften aan voorgangers van rsli’s aftrekbaar. In de ozb geldt een eredienstuitzondering voor onroerende zaken bestemd voor gebruik door rsli’s. In de energiebelasting geldt de teruggaafregeling voor onroerende zaken bestemd voor gebruik door rsli’s, die afwijkt van de teruggaafregeling voor onroerende zaken in gebruik bij andere anbi’s.
Is er een verschil in de fiscale behandeling van religie, spiritualiteit en levensbeschouwing op de onderzochte drie niveaus van instellingen: (a) anbi’s versus rsli’s; (b) rsli’s onderling; en (c) religieuze instellingen onderling, spirituele instellingen onderling en levensbeschouwelijke instellingen onderling?
In de inkomstenbelasting, de ozb en de energiebelasting doet zich een verschil in fiscale behandeling voor op een van de drie genoemde niveaus.
Zo zijn in de inkomstenbelasting giften aan voorgangers van rsli’s wel aftrekbaar, maar giften aan natuurlijke personen bij andere anbi’s niet.
De ozb kent wel een uitzondering voor openbaar toegankelijke onroerende zaken bestemd voor gebruik door rsli’s, maar geen uitzondering voor openbaar toegankelijke onroerende zaken in gebruik bij andere anbi’s. In de praktijk kan het ook voorkomen dat (spirituele) instellingen die niet kwalificeren als geestelijk genootschap met een daaraan ten grondslag liggende levensopvatting geen geslaagd beroep op de eredienstuitzondering kunnen doen. Voor zover het een rsli betreft met een daaraan ten grondslag liggende levensovertuiging die niet voldoet aan de EHRM-vereisten, is er voor mijn onderzoek geen sprake van gelijke gevallen en dus ook niet van een onderscheid in fiscale behandeling.
De teruggaafregeling in de energiebelasting geldt weliswaar voor onroerende zaken in gebruik bij zowel rsli’s als andere anbi’s, maar voor de andere anbi’s geldt een extra voorwaarde.
Het gaat niet om significante verschillen in fiscale behandeling, maar om details. Het verschil in behandeling tussen rsli’s en overige anbi’s bij de eredienstuitzondering in de ozb vind ik het meest in het oog springend.
Is dat verschil gerechtvaardigd?
Voor het verschil in aftrek van giften aan natuurlijke personen is er geen rechtvaardiging voor zover sprake is van vereenzelviging van een natuurlijke persoon met de desbetreffende anbi. Voor de overige hiervoor geconstateerde verschillen in fiscale behandeling is er op grond van mijn toetsingskader geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond.
Omdat spiritualiteit lastiger te omlijnen is en spirituele initiatieven zelden geformaliseerd zijn, kan een spirituele instelling problemen ondervinden om een geslaagd beroep te doen op de eredienstuitzondering voor openbaar toegankelijke gebouwen die in hoofdzaak bestemd zijn voor spirituele activiteiten. Hoewel op grond van de wettekst geen formele organisatie of structuur vereist is voor een geslaagd beroep op de eredienstuitzondering, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de eredienstuitzondering bedoeld is voor kerkgenootschappen of geestelijke genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag. Voor zover de ten grondslag liggende levensopvatting niet voldoet aan de eisen die het EHRM daaraan stelt, komen deze instellingen op grond van mijn toetsingskader niet in aanmerking voor de toepassing van de eredienstuitzondering. Er is dan namelijk geen sprake van gelijke gevallen. Voor een geslaagd beroep op de eredienstuitzondering voor openbaar toegankelijke gebouwen waarin spiritualiteit wordt beoefend, helpt het als de belanghebbende een meeromvattende levensbeschouwing aan de hand van de EHRM-vereisten als grondslag voor de spirituele activiteiten aannemelijk kan maken. Dit kan bijvoorbeeld door te verwijzen naar een samenstel van principes, filosofieën en tradities als grondslag voor de spirituele activiteiten waardoor deze activiteiten verder gaan dan slechts een individuele zelfontplooiing.