Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.4.5
6.4.5 Nakoming van de juniorvordering
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186719:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook par. 6.4.2.2.
Stolz 2015, p. 264 e.v.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/188, W.L. Valk, T&C, commentaar op art. 6:25 BW, Ruygvoorn 2017, p. 39, Out 2003, p. 74, Scheltema 1997, p. 63, Krans in De Jong, Krans & Wissink 2014, p. 55. Zo ook over geldend recht, maar anders over wenselijk recht: Scheltema 2003, p. 308.
Zie par. 6.4.3.
Zie par. 6.4.3 en Scheltema 1997, p. 63.
Anders: Stolz 2015, par. 3.2.3.2.
Stolz 2015, p. 269, zie ook p. 279-281.
Verbintenissen die verplichten tot het verrichten van een rechtshandeling kunnen doorgaans wel voorwaardelijk worden nagekomen, omdat in beginsel elke rechtshandeling voorwaardelijk kan worden verricht. Vgl. art. 3:38 BW. Stolz 2015, p. 269 erkent dat in veel gevallen de verbintenis vanwege zijn inhoud niet voorwaardelijk nagekomen kan worden.
Vgl. Faber 1997, p. 212 en 213 en Faber 2007, p. 40.
Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2016/188. Vgl. anders Stolz 2015, p. 501.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 152.
Zie Asser/Sieburgh 6-I 2016/188, Krans in De Jong Krans & Wissink 2014, p. 55 en Schoordijk 1979, p. 112. Vgl. Faber 2007, p. 40 en Faber 1997, p. 212.
323. De bezwaren van Stolz tegen de wettelijke systematiek van de Vorwirkung zin grotendeels terecht. Mijns inziens gaat zijn oplossing echter te ver wanneer hij aanneemt dat de prestatie ook voor vervulling van de voorwaarde verschuldigd is. Daarbij doet hij onvoldoende recht aan de onzekere aard van de aanspraak die een voorwaardelijke vordering geeft.1
De verschuldigdheid of onverschuldigdheid van de prestatie waar de voorwaardelijke vordering op ziet staat centraal in artikel 6:25 BW. Dat artikel is daarom een scharnierpunt tussen de opvatting van Stolz en de mijne. Artikel 6:25 BW luidt:
“Is een krachtens een verbintenis onder opschortende voorwaarde verschuldigde prestatie vóór de vervulling van de voorwaarde verricht, dan kan overeenkomstig afdeling 2 van titel 4 [de regeling van onverschuldigde betaling, NP] ongedaanmaking van de prestatie worden gevorderd, zolang de voorwaarde niet in vervulling is gegaan.”
Deze bepaling is een van de weinige beperkingen die de wet aan de Vorwirkung geeft. Omdat Stolz uitgaat van een bijzonder ruime Vorwirkung past het bij Stolz’ visie dat hij dit artikel bijzonder beperkt uitlegt. Die uitleg is naar mijn idee te beperkt. Daardoor maakt Stolz de beperkingen van de Vorwirkung te klein en de Vorwirkung dus te ruim.
Stolz stelt voorop dat artikel 6:25 BW slechts de bepalingen van onverschuldigde betaling van overeenkomstige toepassing verklaart op de nakoming door de schuldenaar voor intreding van de voorwaarde.2 In zijn opvatting zou de nakoming van een voorwaardelijke vordering voor intreding van de voorwaarde zonder artikel 6:25 BW niet als onverschuldigde betaling behandeld moeten worden, omdat die betaling niet werkelijk onverschuldigd is.
Andere auteurs nemen aan dat er geen sprake is van overeenkomstige toepassing.3 Zij sluiten aan bij het wettelijke systeem.4 De nakoming van een verbintenis onder opschortende voorwaarde vóór vervulling van die voorwaarde is daarin daadwerkelijk het onverschuldigd geven van een goed, omdat de verbintenis door de voorwaarde geen werking heeft.5 Daarom is er in artikel 6:25 BW geen sprake van overeenkomstige toepassing van de regeling van onverschuldigde betaling, maar van directe toepassing.6 Het woord ‘overeenkomstig’ in dat artikel duidt niet op overeenkomstige toepassing, maar moet gelezen worden als ‘met toepassing van’.
Stolz meent verder dat artikel 6:25 BW te omzeilen is doordat een verbintenis onder opschortende voorwaarde al voor de vervulling van de voorwaarde voorwaardelijk kan worden nagekomen.7 Dit is mijns inziens niet juist. Het is immers niet mogelijk om verbintenissen voorwaardelijk na te komen wanneer die verplichten tot een feitelijke handeling, omdat feitelijke handelingen niet voorwaardelijk kunnen worden verricht.8 Bovendien verplicht een verbintenis onder opschortende voorwaarde voorwaardelijk tot nakoming maar die verplicht niet tot voorwaardelijke nakoming.9 De voorwaarde zit in de verbintenis en de verplichtende kracht daarvan, niet in de vereiste prestatie.10 Als de schuldenaar de verschuldigde prestatie voorwaardelijk levert voordat de voorwaarde van de verbintenis is vervuld, dan lost hij daarmee op dat moment niet de schuld van de verbintenis in. Hij levert niet de prestatie waartoe hij gehouden is, want hij is op dat moment niet gehouden om deze prestatie te leveren. Dergelijke voorwaardelijke nakoming leidt er slechts toe dat als de verbintenis volwaardig wordt omdat de voorwaarde in vervulling treedt, dat dan ook die verbintenis direct wordt nagekomen omdat de voorwaarde verbonden aan de nakoming ook vervuld is.
De prestatie waarop de voorwaardelijke vordering ziet kan wel voor de vervulling van de voorwaarde verschuldigd worden verricht als partijen dat overeenkomen. Artikel 6:25 BW is van regelend recht.11 Met instemming van de schuldeiser en de schuldenaar kan een voorwaardelijke verbintenis wel worden nagekomen, hoewel dat ook kan worden geconstrueerd als een wijziging van de voorwaardelijke verbintenis in een onvoorwaardelijke, gevolgd door nakoming.12
Concluderend kan worden opgemerkt dat de beperkte uitleg die Stolz geeft aan artikel 6:25 BW geen recht doet aan de strekking van die bepaling als beperking van de Vorwirkung.