Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/71
71 Gevolgen wederzijds vertrouwen
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505233:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 9 december 2003, C-116/02, Jur. 2003, p. I-14693, NJ 2007/151 m.nt. P. Vlas (Gasser).
Het arrest Gasser is gewezen onder het EEX-Verdrag; de situatie onder de EEX-Vo is niet anders. Hetzelfde geldt voor het hierna te noemen arrest Turner.
HvJEG 9 december 2003, C-116/02, Jur. 2003, p. I-14693, NJ 2007/151 m.nt. P. Vlas (Gasser), r.o. 54.
Zie uitgebreid H. 4.
HvJEG 9 december 2003, C-116/02 (Gasser), r.o. 69-73.
F. Blobel & P. Spath, ‘The tale of multilateral trust and the European law of civil procedure’, ELR 2005, p. 532.
Zie X.E. Kramer, ‘De harmoniserende werking van het Europees procesrecht: de diskwalificatie van de anti-suit injunction’, NIPR 2005, p. 137. Comprehensive Country Monitoring Report, zie http://ec.europa.eu/enlargement/archives/key_documents/reports_2003_en.htm.
De eerste keer dat de gevolgen van het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtspraak naar voren komt is in het arrest Gasser.1 Zoals hierboven al is opgemerkt, fungeerde het wederzijds vertrouwen wel al in de considerans van de EEX-Verordening. Het is echter in het arrest Gasser dat duidelijk naar voren komtwat voor gevolgen het beginsel van wederzijds vertrouwen kan hebben op de bevoegdheidstoedeling onder de EEX-regels.2 Niet alleen wordt van de EEX-staten verwacht dat zij achteraf een eenmaal tot stand gekomen beslissing uit een andere lidstaat erkennen op grond van wederzijds vertrouwen, zij zijn ook verplicht om onder de litispendentieregels (in het geval Gasser lijdzaam) toe te zien en af te wachten totdat het buitenlandse gerecht zich over zijn bevoegdheid heeft uitgesproken. Art. 29 EEX-Vo II (destijds art. 21 EEX-Verdrag) brengt mee dat wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aanhoudt totdat de bevoegdheid waarbij de zaak het eerst is aangebracht vaststaat. Deze strikte regel geldt volgens de rechtspraak van het HvJ over art. 27 EEX-Vo ook indien de rechter waar de zaak het laatst is aangebracht bevoegdheid toekomt op grond van een exclusieve forumkeuze.3 In de EEX-Vo II is voor dit specifieke probleem waartoe het arrest Gasser heeft geleid een regeling getroffen in art. 31 lid 2 EEX-Vo II.4 Het HvJ heeft immers bepaald dat de omstandigheden dat de eerst aangezochte rechter er in het algemeen buitengewoon lang over doet om zijn bevoegdheid te bepalen, geen reden is om af te wijken van de litispendentieregel. De laatst aangezochte rechter is verplicht zijn uitspraak aan te houden totdat de bevoegdheid van de eerst aangezochte rechter vaststaat.5 Wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling tussen de lidstaten brengt mee dat volgens het HvJ geen uitzondering kan worden gemaakt in de toepassing van de litispendentieregel indien de procesgang in de lidstaat waarin vertrouwen gesteld moet worden in het algemeen traag verloopt. De laatst aangezochte rechter vertrouwt de eerst aangezochte rechter dat deze zijn bevoegdheid correct – dat wil zeggen in overeenstemming met de bepalingen van de verordening – zal bepalen. Op zichzelf is het niet verwonderlijk dat het HvJ beslist dat wederzijds vertrouwen meebrengt dat geen uitzondering kan worden gemaakt indien de procesgang in een lidstaat notoir traag verloopt. Het HvJ zou moeilijk door middel van een uitspraak een lidstaat buiten het wederzijds vertrouwen kunnen plaatsen. Bovendien zou het een inbreuk vormen op het systeem van de EEX-Verordening II indien ten aanzien van één van de lidstaten afgeweken zou mogenworden van de gangbare systematiek.6 Toch geven de vele veroordelingen van sommige lidstaten voor schending van het van art. 6 EVRM afgeleide beginsel van berechting binnen een redelijke termijn te denken. Ook het Monitoring Report van de Europese Commissie uit 2003 betreffende de tien nieuwe lidstaten stemt niet in alle opzichten hoopvol.7 Het HvJ is immers duidelijk: wederzijds vertrouwen geldt tussen alle lidstaten en voor alle lidstaten.