Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/9.5.4
9.5.4 Effectbeoordeling 2007
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS495201:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Commissie verwijst voor alle werkelijke zetelverplaatsingen naar HvJ EG 9 maart 1999 zaak C212/97 (Centros Ltd.), HvJ EG 5 november 2002, zaak C-208/00 (Überseering BV) en HvJ EG 30 september 2003, zaak C-167/01 (Inspire Art).
In vergelijkbare zin: J.N. Schutte-Veenstra, ‘Afstel EG-richtlijn betreffende grensoverschrijdende statutaire zetelverplaatsing’, TOR 2008, 3, p. 120-123.
Effectbeoordeling 2007, p. 10.
Originele voetnoot: Daily Mail, §20 (‘a Member State was able, in the case of a company incorporated under its law, to make the company's rights to retain its legal personality under the law of that State subject to restrictions on the transfer of the company's actual centre of administration to a foreign country’).
Effectbeoordeling 2007, p. 12.
Onduidelijk is of in dit bedrag ook de belastingheffing is begrepen als gevolg van de liquidatie van de vennootschap. Ik vermoed overigens van niet.
Effectbeoordeling 2007, p. 12.
Effectbeoordeling 2007, p. 12.
Effectbeoordeling 2007, p. 16.
Effectbeoordeling 2007, p. 23.
Originele voetnoot: See Communication of the Commission on exit taxation (COM(2006)825 final) for information on possible abuses.
De Commissie denkt daarbij overigens aan een conserverende aanslag in plaats van acute belastingheffing; zie de mededeling van de Commissie van 19 december 2006 betreffende exitheffingen en de behoefte aan coördinatie van het belastingbeleid van de lidstaten, (COM(2006)825 final).
In de Effectbeoordeling 2007 onderbouwt de Commissie haar mening dat onder invloed van jurisprudentie van het HvJ EG de verplaatsing van de werkelijke zetel en statutaire zetel als afzonderlijke problematiek valt aan te merken en dat nog slechts behoefte is aan een regeling omtrent statutaire zetelverplaatsing. Zoals gezegd in paragraaf 9.5.1 hiervóór, ziet zij echter af van het nemen van initiatief. Aan de hand van twee tabellen illustreert de Commissie haar visie over de invloed van de jurisprudentie van het HvJ EG op de mogelijkheden tot verplaatsing van de werkelijke en statutaire zetel. De eerste tabel laat de ‘i.p.r.’-conflicten zien zonder rekening te houden met de jurisprudentie van het HvJ EG, terwijl in de tweede tabel de jurisprudentie is verwerkt.
Verplaatsing van de werkelijke zetel
Verplaatsing van de statutaire zetel
Naar
Van
‘Incorporatie’- land
‘Siège réèl’-land
‘Incorporatie’- land
‘Siège réèl’- land
‘Incorporatie’-land
Mogelijk (a)
Onmogelijk (b)
Onmogelijk
(e)
Onmogelijk
(f)
‘Siège réèl’-land
In beginsel onmogelijk (c)
In beginsel onmogelijk (d)
Onmogelijk (g)
Onmogelijk (h)
Tabel 1: De gevolgen van de verschillende zetelstelsels op de verplaatsing van de werkelijke zetel en de statutaire zetel zonder rekening te houden met de jurisprudentie van het HvJ EG (bron: Effectbeoordeling 2007)
Verplaatsing van de werkelijke zetel
Verplaatsing van de statutaire zetel
Naar
Van
‘Incorporatie’- land
‘Siège réèl’- land
‘Incorporatie’- land
‘Siège réèl’- land
‘Incorporatie’-land
Mogelijk (a)
Mogelijk (b)
Onmogelijk (e)
Onmogelijk
(f)
‘Siège réèl’-land
In beginsel mogelijk (c)
In beginsel moge- lijk (d)
Onmogelijk (g)
Onmogelijk (h)
Tabel 2: De gevolgen van de jurisprudentie van het HvJ EG op de verplaatsing van de werkelijke zetel en de statutaire zetel (bron: Effectbeoordeling 2007)
Uit de bovenstaande tabellen blijkt dat volgens de Commissie alle vier te onderscheiden verplaatsingen van de werkelijke zetel (in beginsel) mogelijk zijn. Voor drie van de vier, te weten (b), (c) en (d) is volgens de Commissie het HvJ EG verantwoordelijk. De verplaatsing van de statutaire zetel is echter onmogelijk (zetelverplaatsingen (e) tot en met (h)).
Wat betreft werkelijke zetelverplaatsingen, onderschrijf ik de mening van de Commissie met betrekking tot zetelverplaatsing (a) en (b). Zetelverplaatsing (a) was altijd al mogelijk en de jurisprudentie van het HvJ EG heeft daarin geen verandering gebracht. Ik plaats echter een kanttekening bij het rechtsgevolg dat de Commissie lijkt te veronderstellen bij deze zetelverplaatsing, te weten ‘change of apllicable company law’ en ‘change of nationality’. De verplaatsing van de werkelijke zetel van het ene naar het andere incorporatieland gaat nou juist niet gepaard met een wisseling van het toepasselijke recht of een nationaliteitswisseling. Met de Commissie ben ik het eens dat zetelverplaatsing (b) mogelijk is op grond van jurisprudentie van het HvJ EG, met name HvJ EG 5 november 2002, zaak C-208/00 (Überseering BV).1 De Commissie geeft van deze zetelverplaatsing uitdrukkelijk aan dat geen wisseling van het toepasselijke recht plaatsvindt. De Commissie merkt terecht op: ‘the company has to be recognised by the host Member State.’ Anders dan de Commissie betoogt, zijn naar mijn mening de zetelverplaatsingen (c) en (d) niet afdwingbaar op grond van de vrijheid van vestiging ex art. 43 EG.2 Uit HvJ EG 27 september 1986, zaak C-81/97 (Daily Mail) en HvJ EG 5 november 2002, zaak C-208/00 (Überseering BV) blijkt mijns inziens dat de lidstaat van vertrek zonder meer beperkingen mag stellen aan de verplaatsing van de werkelijke zetel (zie par. 9.4.2 hiervóór). De Commissie relativeert echter de bevoegdheid tot het stellen van beperkingen. Zij merkt op:3
‘As regards the situation where a company is moving its real seat from a Member State in which it is incorporated to a foreign country, the Court of Justice has not clearly forbidden or limited the Member States’ power to impose restrictions on the transfer of the real seat of a company incorporated under their law to another Member State.4 Therefore, a company may be required to fulfil certain conditions when moving its real seat from a Member State in which it is registered if such country decides to impose such requirements (such as obtaining an approval from certain public authorities).
Since the home country may have legitimate reasons to impose certain requirements on companies wishing to transfer their real seat abroad (in particular to prevent any cases of abuse). However, in the Commission’s view, these requirements should be proportionate and justified on public interest grounds as otherwise the Treaty freedom of establishment would be rendered meaningless.’
Het feit dat de Commissie vindt dat door de lidstaat van vertrek opgeworpen belemmeringen kunnen worden getoetst aan de door het HvJ EG ontwikkelde rechtvaardigingsgronden, verklaart dat de Commissie de zetelverplaatsingen (c) en (d) in beginsel mogelijk acht. De Commissie heeft overigens A-G Maduro aan haar zijde: in zijn conclusie voor de aanhangige Cartesio-zaak verdedigt de advocaat-generaal dat Daily Mail zou zijn achterhaald (zie par. 9.4.2 hiervóór.).
De Commissie constateert dat statutaire zetelverplaatsingen niet mogelijk zijn (zie de zetelverplaatsingen (e) tot en met (h)). Een dergelijke zetelverplaatsing vereist naar het huidige recht van de lidstaten de ontbinding van de vennootschap in de vertrekstaat en (her)oprichting in de ontvangststaat, hetgeen gepaard gaat met substantiële kosten, zoals administratieve lasten, tijd en belastingheffing. De Commissie vermeldt dat het gemiddelde aantal procedures bij ontbinding en oprichting varieert tussen 13 tot meer dan 35.5 De geschatte kosten variëren van € 39 500 tot € 169 500 als een Engelse vennootschap wordt omgezet in een Griekse vennootschap.6 De belastingkostenpost waarop de Commissie doelt betreft de ‘liquidatiebelastingheffing’ in de lidstaat van vertrek als gevolg van de ontbinding van de vennootschap.7 Daar bovenop zullen er volgens de Commissie ‘verborgen kosten’ zijn, zoals de kosten van het eerder aflossen van schulden dan in een gewone zakelijke situatie en de kosten van het verlies van het gebruik van de middelen en activa van de vennootschap gedurende de liquidatieperiode. Het ten tijde van de publicatie van de effectbeoordeling 2007 enige alternatief voor een statutaire zetelverplaatsing is volgens de Commissie de omzetting van een lokale vennootschap in een SE gevolgd door de een statutaire zetelverplaatsing op de voet van de SE-verorderning naar een andere lidstaat.8 Volgens de Commissie kan daarmee een met een statutaire zetel-verplaatsing vergelijkbaar resultaat worden bereikt.9 Een echt alternatief is dat volgens de Commissie echter niet: de SE is alleen beschikbaar voor bepaalde vennootschappen, te weten naamloze vennootschappen met een minimumkapitaal van € 120 000 die reeds actief zijn in meerdere lidstaten, en de geschatte kosten van de omzetting in een SE gevolgd door zetelverplaatsing zijn aanzienlijk hoger dan een rechtstreeks statutaire zetelverplaatsing. Bovendien laat de drie jaar ervaring met de SE zien dat de populariteit lager is dan aanvankelijk verwacht. De Commissie maakt melding van het feit dat slechts circa 100 SE’s zijn opgericht.
Bij gebrek aan de mogelijkheid tot het verplaatsen van de statutaire zetel, verkeren volgens de Commissie bestaande vennootschappen in een nadelige positie ten opzichte van nieuw op te richten vennootschappen. Nieuw op te richten vennootschappen kunnen immers het in hun optiek meest voordelige vennootschapsrecht kiezen (en vervolgens met behoud van dat vennootschapsrecht hun werkelijke zetel naar een andere lidstaat verplaatsen). Volgens de Commissie zou het de doelmatigheid en concurrentiepositie van bestaande vennootschappen ten goede komen indien zij eveneens in staat worden gesteld om een juridische omgeving te kiezen die het beste past bij hun (eventueel veranderde) zakelijke behoeften, hetgeen uiteraard niet ten koste mag gaan van de bescherming van de bij de vennootschap betrokkenen, zoals aandeelhouders, schuldeisers en werknemers. Volgens de Commissie zou een statutaire zetelverplaatsing leiden tot een wisseling van de toepassing van de volgende rechtsgebieden:10
Het vennootschapsrecht en corporate governance-regels, inclusief de regels over de vennootschappelijke medezeggenschap van werknemers.
Het faillissementsrecht.
De rechterlijke competentie met betrekking tot vennootschapsrechtelijke en faillissementsrechtelijke aangelegenheden.
De wisseling van de toepassing van deze rechtsgebieden kan voor een vennootschap uiteraard reden zijn om de statutaire zetel te willen verplaatsen. In dit verband denkt de Commissie onder andere aan soepelere kapitaalbeschermingsregels, flexibelere reorganisatiewetgeving, minder openbaarmakingsvoorschriften van financiële informatie, minder dwingende regelgeving, de snelheid van rechterlijke uitspraken en de kennis van de rechters en de juridische adviseurs. Bovendien kan volgens de Commissie de behoefte aan een statutaire zetelverplaatsing worden ingegeven door een eerdere of gelijktijdige verplaatsing van de werkelijke zetel. Zo kan een statutaire ze-telverplaatsing positief bijdragen aan het lokale imago van een vennootschap en het contact met klanten ondersteunen. De wens tot het verplaatsen van de statutaire zetel kan volgens de Commissie ook worden ingegeven door het vergemakkelijken van de toegang tot de markt. In dit verband noemt de Commissie het voorbeeld van een vennootschap van een nieuwe lidstaat die is geïnteresseerd om te ondernemen in de vorm van een GmbH omdat die rechtsvorm meer vertrouwd is bij de marktdeelnemers. Al met al is volgens de Commissie grote belangstelling voor een rechtstreekse verplaatsing van de statutaire zetel. Op dit moment zijn er meer dan 10 miljoen vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid geregistreerd in de EU die in potentie kunnen profiteren van de optie om de statutaire zetel te verplaatsen. De Commissie schat dat tussen de 0,6% en 3% van deze vennootschappen, te weten tussen de 60 000 en 300 000 vennootschappen graag van de mogelijkheid gebruik zouden willen maken om de statutaire zetel te verplaatsen. Die schatting baseert de Commissie op het tussen de 0,6% en de 3% variërende percentage aan vennootschappen die volledig actief zijn in een lidstaat, terwijl ze zijn opgericht naar het recht van een andere lidstaat.
De Commissie wijst erop dat een door een richtlijn mogelijk gemaakte rechtstreekse statutaire zetelverplaatsing in de regel geen fiscale consequenties zou hebben. Het op de vennootschap toepasselijke belastingrecht zou door een statutaire zetelverplaatsing niet wijzigen omdat het belastingrecht aanknoopt bij de plaats van de werkelijke leiding (doorgaans samenvallend met de werkelijke zetel). Verder merkt de Commissie over de fiscale gevolgen van een statutaire zetelverplaatsing op:11
‘The possible measure would increase flexibility for existing companies to freely choose a corporate legal environment. Companies might choose the country which has the most efficient regulation. This could result in the emergence of ‘more popular’ countries for the location of the companies’ registered office. (...)
However, the Member States attracting companies’ registrations would not gain tax revenues, as tax residence is associated with the real seat of a company. Only if the company would decide to move its headquarters (effective management) together with or subsequently to the transfer of the registered office, would there be tax gain for the host Member State. (...)
The risk that some Member States would lose tax revenue will not occur in relation to the transfer of the registered office as taxation is related to the place of company’s effective management, which would not be relocated. Nevertheless, one may not exclude that the company would transfer its central management, and hence, tax residence, to the host Member State at a later stage. However, in such a situation the home Member State may impose certain conditions on the transfer of the real seat and prevent the company from using the transfer as a means to circumvent national tax provisions.12’
De concurrentieslag die de Commissie voorziet (en beoogt) tussen de diverse vennootschapsrechtelijke stelsels van de lidstaten onder een Veertiende richtlijn betreffende statutaire zetelverplaatsing, heeft dus in principe geen gevolgen voor de belastingopbrengsten voor de lidstaten. De statutaire zetelverplaatsing is fiscaal een non-event en als de vennootschap besluit tevens zijn werkelijke zetel te verplaatsen, heeft een lidstaat volgens de Commissie het recht om een exit-tax op te leggen.13 De fiscale eindafrekening bij verplaatsing van de werkelijke zetel behandel ik kort in paragraaf 9.7.1 hierna.
Hoewel er volgens de Commissie gelet op het bovenstaande behoefte bestaat aan een rechtstreekse mogelijkheid tot statutaire zetelverplaatsing, ziet de Commissie vanwege de proportionaliteitstest af van een voorstel voor een richtlijn. Op dit moment is het volgens de Commissie onduidelijk of de aanname van een richtlijn zou leiden tot de minst vergaande wijze van het bereiken van de doelen. Het beleidsmatige doel, te weten het verbeteren van de doelmatigheid en concurrentiepositie van bestaande vennootschappen door deze vennootschappen in staat te stellen een juridische omgeving te kiezen die het beste past bij hun zakelijke behoeften, kan volgens de Commissie waarschijnlijk ook worden bereikt door ‘niets te doen’. Een met een statutaire zetelverplaatsing vergelijkbaar resultaat kan immers vanaf 15 december 2007 worden bereikt door middel van een down-stream moeder/dochterfusie, waarbij de vennootschap in de doelstaat een dochtervennootschap opricht en vervolgens zich door die dochter laat ‘opslokken’. Vanwege het feit dat het praktische nut van de bestaande wetgeving betreffende grensoverschrijdende ‘corporate mobility’, te weten de Tiende vennootschapsrechtrichtlijn betreffende grensoverschrijdende juridische fusies, nog niet bekend is en het feit dat het HvJ EG in de aanhangige Cartesio-zaak het onderwerp statutaire zetelverplaatsing wellicht verduidelijkt, concludeert de Commissie dat het beter is om te wachten totdat de gevolgen van deze ontwikkelingen volledig kunnen worden beoordeeld en de wenselijkheid van een richtlijn beter kan worden bepaald.