Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld
Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/B:Appendix B – selectie strafbepalingen
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/B
Appendix B – selectie strafbepalingen
Documentgegevens:
Datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- JCDI
JCDI:ADS293867:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Algemeen
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Appendix B is een uitgebreid overzicht van de verschillende strafbepalingen wegens schending van de geheimhouding opgenomen (nagenoeg volledig) in volgorde van hun totstandkoming. De keuze voor deze chronologische volgorde is ingegeven door de wens om de ontwikkeling van de diverse (fiscale) strafbepalingen inzichtelijk te maken. Als het wetsontwerp afweek van de uiteindelijke wettekst zijn - voor het overzicht - beide opgenomen. Om die reden zijn ook enkele ingetrokken en verworpen wetsvoorstellen opgenomen. Eventuele latere mutaties in de wet zijn direct onder de voorafgaande bepaling opgenomen (de bepaling die het verving). Deel A bevat de fiscale strafbepalingen. Deel B bevat een selectie van andere strafbepalingen bij schending van de geheimhouding.
Deel A – fiscale strafbepalingen bij schending geheimhouding
Wet op de Vermogensbelasting 1892
Art. 43 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 2)
Op de straffen, bepaald bij art. 272 van het Wetboek van Strafrecht, is het aan ieder verboden om hetgeen hem bij de uitvoering dezer wet, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt, nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt gevorderd wordt.
Art. 47 (Wet van 27 september 1892, Stb. 1892, 223)
(…).
Hij, die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.
Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.
Wet op de Bedrijfsbelasting 1893
Art. 47 (Wet van 2 oktober 1893, Stb. 1893, 149)
(…).
Hij, die opzettelijk de bij art. 35 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.
Hij, aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.
Wet inkomstenbelasting 1908 (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 130 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2)
Hij die opzettelijk de bij art. 113 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.
Heffing van een debietrecht op tabak (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 44 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1910/11, 217, nr. 2)
Hij die opzettelijk de bij art. 29 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.
Wet Inkomstenbelasting 1914
Art. 120 (Wet van 19 december 1914, Stb. 1914, 563)
Hij die opzettelijk de bij art. 102 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Wet op de belasting van de Doode Hand 1916 (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 50 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1915/16, 209, nr. 2)
(…).
Hij, die opzettelijk de bij het vorig lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.
Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van de instelling ten aanzien van welke de geheimhouding is geschonden.
Oorlogswinstbelasting 1916
Art. 83 (Wet van 22 juni 1916, Stb. 1916, 288)
Hij die opzettelijk de bij artikel 67 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Verdedigingsbelasting I
Art. 2 (Wet van 18 augustus 1916, Stb. 1916, 411)
Op de in artikel 1 onder letter abedoelde belasting zijn allebepalingen van de wet op de vermogensbelasting van toepassing.
De in artikel 1 onder letter bbedoelde belasting wordt geregeld overeenkomstig de hierna volgende bepalingen en overeenkomstig de bepalingen van de wet op de vermogensbelasting, voor zoover daarvan niet in deze wet wordt afgeweken.
Registratiewet 1917
Geen strafbepaling opgenomen (Wet van 22 maart 1917, Stb. 1917, 243)
Wet op de Dividend en Tantiémebelasting 1917
Art. 43 (Wet van 11 januari 1918, Stb. 1918, 4)
Hij die opzettelijk de bij artikel 38 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Tabakswet 1921
Art. 66 (Wet van 6 mei 1921, Stb. 1921, 712)
Hij die opzettelijk de bij artikel 58 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Couponbelasting
Art. 37 (Wet van 29 december 1933, Stb. 1933, 780)
Hij die opzettelijk de bij artikel 25 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Heffing van eene crisisinkomstenbelasting (ingetrokken)
Art. 26 (Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1933/34, 305, nr. 2)
Hij die opzettelijk de hem bij artikel 22 dezer wet in verband met artikel 102 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Wet op de belasting van de Doode Hand 1934
Art. 26 (Wet van 5 oktober 1934, Stb. 1934, 528)
Hij die opzettelijk de bij artikel 17 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Ordonnantie op de Loonbelasting (voormalig Nederlands-Indië)
Art. 48 (Ordonnantie op de loonbelasting, Stb. van Nederlands-Indië 1934, 611)
Hij die opzettelijk de bij artikel 44 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Wet Belastingherziening 1939 (ingetrokken)
Art. 86 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1938/39, 403, nr. 2)
Hij die opzettelijk de bij artikel 80 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Wet op de oorlogswinstbelasting 1940 (ingetrokken)
Art. 54 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1939/40, 343, nr. 2)
Hij die opzettelijk de bij artikel 44 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Wet op de Winstbelasting 1940 (ingetrokken)
Art. 31 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1939/40, 239, nr. 2)
Hij die opzettelijk de bij artikel 27 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Besluit op de winstbelasting 1940
Art. 32 (Verordening van 26 juli 1940, Verordeningenblad 83/1940)
Hij die opzettelijk de bij artikel 28 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Besluit op de inkomstenbelasting 1941
Art. 58 (Verordening van 29 mei 1941, Verordeningenblad 105/1941)
Voor de krachtens dit besluit geheven inkomstenbelasting zijn, totdat dienaangaande een nadere regeling zal zijn getroffen, de bepalingen van Hoofdstuk XVI der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 van kracht.
(…).
Besluit op de Dividendbelasting 1941
Art. 18 (Verordening van 24 juni 1941, Verordeningenblad 117/1941)
Hij die opzettelijk de hem bij artikel 14 van dit besluit, in verband met artikel 28 van het Besluit op de Winstbelasting 1940, opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij, aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Besluit op de Dividendbeperking
Art. 30 (Verordening van 15 augustus 1941, Verordeningenblad 170/1941)
Hij die opzettelijk de hem bij artikel 24 van dit besluit, in verband met artikel 28 van het Besluit op de Winstbelasting 1940, opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942
Art. 26 (Verordening van 28 april 1942, Verordeningenblad 50/1942)
Voor het doen van aangifte, het vaststellen van het samengestelde grondbedrag en van den aanslag in de belasting, de rechtsmiddelen, het navorderen van belasting, het toepassen van verhooging van den aanslag, het herstellen van onjuiste aanslagen, de kwijtschelding of vermindering, de strafbepalingen en de geheimhouding zijn van toepassing:
voor zooveel betreft de ondernemingen, onderworpen aan de vennootschapsbelasting, de bepalingen, welke voor die belasting gelden;
voor zooveel de overige ondernemingen betreft, de bepalingen, welke daarvoor ingevolge het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 gelden.
(…).
Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942
Art. 33 (verordening van 30 april 1942, Verordeningenblad 51/1942).
Voor de vennootschapsbelasting zijn, totdat dienaangaande een nadere regeling zal zijn getroffen, de bepalingen van Hoofdstuk IX van het Besluit op de Winstbelasting 1940 van kracht.
(…).
Besluit op de vermogensbelasting 1942
Art. 20 (Verordening van 30 april 1942, Verordeningenblad 52/1942)
Voor de volgens dit besluit geheven vermogensbelasting zijn, totdat dienaangaande een nadere regeling zal zijn getroffen, de bepalingen van Hoofdstuk IX van het Besluit op de Winstbelasting 1940 van kracht.
(…).
Vermogensaanwasbelasting 1946
Art. 60 (Wet van 19 september 1946, Stb. 1946, G 264)
Hij die opzettelijk de in artikel 55 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste duizend gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden.
Vervolging wordt slechts ingesteld op klacht van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Wet op de vermogensheffing ineens 1947
Art. 41 (wet van 11 juli 1947, Stb. 1947, H 238)
Hij die opzettelijk de in artikel 38 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste duizend gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden.
Vervolging wordt slechts ingesteld op klacht van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Wet op de Dividendbeperking 1950
Art. 23 (Wet van 29 september 1950, Stb. 1950, K 422)
Hij die opzettelijk de hem bij artikel 18 dezer wet in verband met artikel 28 van het Besluit op de Winstbelasting 1940 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Wet op de personele belasting 1950
Art. 48 (Wet van 21 december 1950, Stb. 1950, K 598)
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste duizend gulden wordt gestraft hij die opzettelijk de bij artikel 44 opgelegde geheimhouding schendt.
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden wordt gestraft hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is.
Vervolging wordt slechts ingesteld op klacht van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Wet vervanging van het fiscale noodrecht
Art. 11 (Wet van 23 april 1952, Stb. 1952, F 191)
Hij die opzettelijk de bij artikel 9 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste duizend gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden.
Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Successiewet 1956 (uiteindelijk geen strafbepaling opgenomen)
Art. 83 ontwerp van wet (Kamerstukken II 1948, 915, nr. 2)
Hij die opzettelijk de bij art. 79 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste duizend gulden.
Hij aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden.
Vervolging wordt slechts ingesteld op klacht van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Belastingwet BES
Art. 8.75 (Wet van 16 december 2010, Stb. 2010, 845)
Degene die opzettelijk de hem ingevolge artikel 8.21 opgelegde geheimhoudingsplicht schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of een geldboete van de vijfde categorie dan wel met beide straffen.
Degene aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de vijfde categorie.
Vervolging inzake schending van de geheimhouding wordt slechts ingesteld op klacht van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.
Deel B – overige strafbepalingen bij schending geheimhouding
Wetboek van Strafrecht
Art. 272 (Wet van 3 maart 1881, Stb. 1881, 35)
Hij die opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.
Art. 272 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1952/53, 3030, nr. 2 – ingetrokken)
Hij die opzettelijk enig geheim schendt, hetwelk hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift, dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is te bewaren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste zes duizend gulden.
Hij aan wiens schuld te wijten is de schending van enig geheim, hetwelk hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift, dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is te bewaren, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Indien een dezer misdrijven tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.
Art. 272 (Wet van 30 juni 1967, Stb. 1967, 377)
Hij die enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift, dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste zesduizend gulden.
Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.
Art. 272 (Wet van 10 maart 1984, Stb. 1984, 91)
Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht.
Wetboek van strafrecht BES
Artikel 285 (beschikking Minister van Justitie van 27 september 2010, Stb. 2010, 528)
Hij die opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekend maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.
Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.