Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld
Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/A:Appendix A – selectie geheimhoudingsbepalingen
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/A
Appendix A – selectie geheimhoudingsbepalingen
Documentgegevens:
Datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- JCDI
JCDI:ADS293919:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Algemeen
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Appendix A is een uitgebreid overzicht van de verschillende geheimhoudingsbepalingen opgenomen (nagenoeg volledig) in volgorde van hun totstandkoming. De keuze voor deze chronologische volgorde is ingegeven door de wens om de ontwikkeling van de diverse (fiscale) geheimhoudingsbepalingen inzichtelijk te maken. Als het wetsontwerp afweek van de uiteindelijke wettekst zijn - voor het overzicht - beide opgenomen. Om die reden zijn ook enkele ingetrokken en verworpen wetsvoorstellen opgenomen. Eventuele latere mutaties in de wet zijn direct onder de voorafgaande bepaling opgenomen (de bepaling die het verving). Deel A bevat de fiscale geheimhoudingsbepalingen. In voorkomende gevallen zijn ook de wetteksten opgenomen van de separate uitwisselingsbepalingen. Deze uitwisselingsbepaling vormde de grondslag voor het uitwisselen en gebruik van fiscale gegevens door de inspecteurs (der registratie en successie en der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen) ten behoeve van de uitvoering van de verschillende belastingwetten. Deel B bevat een selectie van andere (bestuursrechtelijke) geheimhoudingsbepalingen.
Deel A – fiscale geheimhoudingsbepalingen
Wet op de Vermogensbelasting 1892
Art. 43 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 2)
Op de straffen, bepaald bij art. 272 van het Wetboek van Strafrecht, is het aan ieder verboden om hetgeen hem bij de uitvoering dezer wet, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt, nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt gevorderd wordt.
Art. 47 (Wet van 27 september 1892, Stb. 1892, 223)
Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt, nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt gevorderd wordt.
(…).
Art. 47 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1914/15, 205, nr. 2 (verworpen)
Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt, nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt, voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting, of voor de toepassing van eenig wetsvoorschrift gevorderd wordt.
(…).
Art. 52 (Wet van 27 juli 1918, Stb. 1918, 504 en Stb. 1918, 542)
Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt, nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt, voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting, of voor de toepassing van eenig wetsvoorschrift gevorderd wordt.
(…).
Uitwisselingsbepaling van art. 13 (Wet van 27 september 1892, Stb. 1892, 223)
(…).
De ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, geven aan die inspecteurs, voor zooveel noodig, inlichtingen uit de archieven van hunne kantoren, volgens regelen door den Minister van Financiën te stellen.
Wet op de Bedrijfsbelasting 1893
Art. 41 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 2)
Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of betrekking, nopens aanslag, bedrijf, beroep of vermogen van anderen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt of betrekking gevorderd wordt.
(…).
Art. 35 (Wet van 2 oktober 1893, Stb. 1893, 149)
Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn, hetzij tegenwoordig, hetzij vroeger ambt nopens aanslag in deze belasting, inkomsten, vermogen, uitkeeringen of uitdeelingen, bedrijf, beroep, waardigheid, bediening, betrekking of werkzaamheden van anderen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt of betrekking in dienst van het Rijk gevorderd wordt.
(…).
Uitwisselingsbepaling van art. 42 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 2)
(…).
De inspecteur der registratie, de Rijksambtenaren in artikel 18 § 1 a en in artikel 18 § 1 b en § 2 bedoeld, alsmede de provinciale inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen zijn verplicht elkander desverlangd de inlichtingen nopens vermogen en bedrijf te geven, welke zij behoeven.
Uitwisselingsbepaling van art. 36 (Wet van 2 oktober 1893, Stb. 1893, 149)
(…).
De ambtenaren ressorteerende onder het Departement van Financiën geven aan de hoofdambtenaren der directe belastingen, voor zooveel noodig inlichtingen volgens regelen door den Minister van Financiën te stellen.
Wet inkomstenbelasting 1908 (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 113 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2)
Het is een ieder verboden om hetgeen hem in zijn ambt of betrekking nopens aanslag in deze belasting, vermogen, inkomsten, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor de deskundigen, bedoeld bij art. 94.
Uitwisselingsbepaling van art. 117 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2)
De ambtenaren ressorteerende onder het Departement van Financiën, geven volgens regelen door het Hoofd van dat Departement te stellen, aan de inspecteurs der directe belastingen de inlichtingen, die voor de uitvoering dezer wet dienstig kunnen zijn.
Zij zijn daartoe ontheven van de geheimhouding die hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Wederkeerig geven de inspecteurs der directe belastingen, volgens regelen door Onzen Minister van Financiën te stellen, aan de inspecteurs der registratie de inlichtingen die voor de uitvoering der wetten op het recht van successie en van overgang bij overlijden dienstig kunnen zijn.
Heffing van een debietrecht op tabak (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 29 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1910/11, 217, nr. 2)
Het is een ieder verboden om hetgeen hem in zijn ambt of betrekking nopens aanslag in deze belasting, debiet van een belastingplichtige en in het algemeen nopens de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor de deskundigen bedoeld bij art. 27.
Wet Inkomstenbelasting 1914
Art. 98 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 2)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering dezer wet of in verband daarmede, nopens inkomen, opbrengst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor deskundigen, die in verband met de uitvoering dezer wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Art. 102 (Wet van 19 december 1914, Stb. 1914, 563)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering dezer wet of in verband daarmede, nopens inkomen, opbrengst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking, of voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor deskundigen, die in verband met de uitvoering dezer wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Art. 102 (Wet van 11 januari 1918, Stb. 1918, 5)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering dezer wet of in verband daarmede, nopens inkomen, opbrengst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking, of voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering dezer wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Art. 102 (Wet van 30 december 1920, Stb. 1920, 923)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering dezer wet of in verband daarmede, nopens inkomen, opbrengst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking, of voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering dezer wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Onder ambt of betrekking wordt voor de toepassing van ditartikel mede begrepen het zijn van bestuurder of ambtenaar van een door in artikel 107 bedoelde kerkgenootschappen.
Uitwisselingsbepaling van art. 103 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 2)
De ambtenaren ressorteerende onder het Departement van Financiën, geven volgens regelen door het Hoofd van dat Departement te stellen, aan de inspecteurs der directe belastingen de inlichtingen die voor de uitvoering dezer wet dienstig kunnen zijn.
Zij zijn daartoe ontheven van de geheimhouding, die hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Uitwisselingsbepaling van art. 108 (Wet van 19 december 1914, Stb. 1914, 563)
Ten behoeve van de uitvoering dezer wet kunnen de ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, door het Hoofd van dat Departement worden ontheven van de geheimhouding, die hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Successiewet 1859
Art 64 (Wet van 13 mei 1859, Stb. 1859, 36)
Het is 's Rijks ambtenaar, zoowel dengene ten wiens kantore de memorien van aangifte en bijlagen worden ingeleverd, als dengene die daarvan, in zijne ambtsbetrekking, kennisneemt, verboden, van die stukken inzage, afschriften of uittreksels te geven, of daaruit iets mede te deelen anders dan aan de aangevers en hunne regtverkrijgenden, en aan de verkrijgers onder bijzonderen titel, alleen voor zooveel ieders regten aangaat.
In alle andere gevallen wordt daartoe een bevelschrift vereischt van den kantonregter van het kanton, waarin het kantoor gevestigd is.
(…).
Art. 94 (Wet van 20 januari 1917, Stb. 1917, 189 en Stb. 1917, 236)
Voor zoover dit niet gevorderd wordt voor de uitoefening van zijn ambt, voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting, of voor de toepassing van eenig wetsvoorschrift, is het 's Rijks ambtenaar, zoowel dengene te wiens kantore de memoriën van aangifte en bijlagen worden ingeleverd, als dengene die daarvan, in zijne ambtsbetrekking, kennis neemt, verboden, van die stukken inzage, afschriften of uittreksels te geven, of daaruit iets mede te deelen anders dan aan de aangevers en hunne rechtverkrijgenden, en aan de verkrijgers onder bijzonderen titel, alleen voor zooveel ieders rechten aangaat.
In alle andere gevallen wordt daartoe machtiging vereischt van Onzen Minister van Financiën.
(…).
Wet op de belasting van de Doode Hand 1916 (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 50 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1915/16, 209, nr. 2)
Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig, hetzij vroeger ambt nopens den aanslag van eene instelling in deze belasting of nopens haar vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt, voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting of voor de toepassing van eenig wetsvoorschrift gevorderd wordt.
(…).
Uitwisselingsbepaling van art. 46 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1915/16, 209, nr. 2)
(…).
De ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, geven aan de ambtenaren der registratie, voor zooveel noodig, inlichtingen uit de archieven van hunne kantoren, volgens regelen door den Minister van Financiën te stellen. Zij zijn daardoor ontheven van de geheimhouding, welke hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Oorlogswinstbelasting 1916
Art. 67 (Wet van 22 juni 1916, Stb. 1916, 288)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering dezer wet of in verband daarmede, nopens inkomen, opbrengst, winst, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking, of voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor deskundigen, die in verband met de uitvoering dezer wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Uitwisselingsbepaling van art. 69 (Wet van 22 juni 1916, Stb. 1916, 288)
De volgens artikel 66 tot het geven van inlichtingen verplichte personen zijn bij het verstrekken daarvan ontheven van de geheimhouding, die hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Uitwisselingsbepaling van art. 66 (Wet van 22 juni 1916, Stb. 1916, 288)
Ieder die met eenige werkzaamheid den openbaren dienst betreffende belast is, is verplicht aan den inspecteur, de commissie van aanslag, of den raad van beroep de inlichtingen te geven, welke van hem worden verlangd.
Verdedigingsbelasting I
Art. 2 (Wet van 18 augustus 1916, Stb. 1916, 411)
Op de in artikel 1 onder letter abedoelde belasting zijn allebepalingen van de wet op de vermogensbelasting van toepassing.
De in artikel 1 onder letter b bedoelde belasting wordt geregeld overeenkomstig de hierna volgende bepalingen en overeenkomstig de bepalingen van de wet op de vermogensbelasting, voor zoover daarvan niet in deze wet wordt afgeweken.
Registratiewet 1917
Art. 17 (Wet van 22 maart 1917, Stb. 1917, 243)
De inhoud der registers van registratie wordt door 's Rijks ambtenaar niet verder bekend gemaakt dan voor de uitoefening van zijn ambt, voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting of voor de toepassing van eenige wet of eenig wettelijk voorschrift wordt gevorderd.
Desverlangd wordt inzage van eene registratie verleend en afschrift of uittreksel daarvan afgegeven aan partijen, hare erfgenamen en rechtverkrijgenden en den openbaren ambtenaar door wien de akte is opgemaakt, of ter registratie is aangeboden, zijn plaatsvervanger of opvolger.
In alle andere gevallen wordt daartoe machtiging vereischt van Onzen Minister van Financiën.
Wet op de Dividend en Tantiémebelasting 1917
Art. 44 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1915/16, 202, nr. 2)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering dezer wet of in verband daarmede, nopens inkomen, opbrengst, uitdeelingen en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking, of voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor deskundigen, die in verband met de uitvoering dezer wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Art. 33 (Wet van 11 januari 1918, Stb. 1918, 4)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering dezer wet of in verband daarmede, nopens salarissen, opbrengst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking of voor de heffing van eenige aan den lande verschuldigde belasting.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering dezer wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Uitwisselingsbepaling van art. 34 (Wet van 11 januari 1918, Stb. 1918, 4)
Ten behoeve van de uitvoering dezer wet kunnen de ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, door het Hoofd van dat Departement worden ontheven van de geheimhouding, die hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Tabakswet 1921
Art. 58 (Wet van 6 mei 1921, Stb. 1921, 712)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering dezer wet of in verband daarmede, nopens de zaken of werkzaamheden van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking, voor de toepassing van eenig wetsvoorschrift of voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting.
Couponbelasting
Art. 25 (Wet van 29 december 1933, Stb. 1933, 780)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering van deze wet of in verband daarmede, nopens vermogen, inkomen, opbrengst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking, voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting, of voor de toepassing van eenige wet of wettelijk voorschrift.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering dezer wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Heffing van eene crisisinkomstenbelasting (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 22 (Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1933/34, 305, nr. 2)
Ten aanzien van de crisisinkomstenbelasting zijn voorts de volgende bepalingen van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 van toepassing: artikel 69, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 82, eerste en tweede lid, 83, 84, 86, 87, 102, 105, 108, 109, eerste lid, 111, 112, 113 en 114.
Wet op de belasting van de Doode Hand 1934
Art. 17 (Wet van 5 oktober 1934, Stb. 1934, 528)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering van deze wet of in verband daarmede, nopens de aangelegenheden van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering van deze wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Voor de uitvoering van deze wet zijn de ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, ontheven van de geheimhouding die hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Ordonnantie op de Loonbelasting (voormalig Nederlands-Indië)
Art. 44 (Ordonnantie op de loonbelasting, Stb. van Nederlands-Indië 1934, 611)
Het is een ieder verboden, hetgeen hem in zijn ambt of betrekking bij de uitvoering dezer ordonnantie of in verband daarmede blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking noodig is.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor de in artikel 28, lid 1, bedoelde bij of krachtens regeeringsverordening aangewezen personen.
Wet Belastingherziening 1939 (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 80 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1938/39, 403, nr. 2)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering van deze wet of in verband daarmede, nopens inkomen, opbrengst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking, of voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet-ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering van deze wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Ten behoeve van de uitvoering van deze wet kunnen de ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, door liet Hoofd van dat Departement worden ontheven van de geheimhouding die hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Wet op de oorlogswinstbelasting 1940 (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 44 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1939/40, 343, nr. 2)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering van deze wet of in verband daarmede, nopens winst, opbrengst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet-ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering van deze wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Ten behoeve van de uitvoering van deze wet kunnen de ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, door het Hoofd van dat Departement worden ontheven van de geheimhouding die hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Wet op de Winstbelasting 1940 (wetsvoorstel ingetrokken)
Art. 27 Ontwerp van wet (Kamerstukken II 1939/40, 239, nr. 2)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering van deze wet of in verband daarmede, nopens winst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet-ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering van deze wet worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Ten behoeve van de uitvoering van deze wet kunnen de ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, door het Hoofd van dat Departement worden ontheven van de geheimhouding die hun, in welken vorm ook, bij de wet is opgelegd.
Besluit op de Winstbelasting 1940
Art. 28 (Verordening van 26 juli 1940, Verordeningenblad 83/1940)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering van dit besluit of in verband daarmede, nopens winst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet-ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering van dit besluit worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheid belast.
Ten behoeve van de uitvoering van dit besluit kunnen de ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, door het Hoofd van dat Departement worden ontheven van de geheimhouding die hun, in welken vorm ook, bij de wet of bij eenig met de wet gelijk te stellen besluit is opgelegd.
Besluit op de Inkomstenbelasting 1941
Art. 57 (Verordening van 29 mei 1941, Verordeningenblad 105/1941)
Voor de krachtens dit besluit geheven inkomstenbelasting zijn, totdat dienaangaande een nadere regeling zal zijn getroffen, de volgende bepalingen van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 van kracht: (…)
5°) Hoofdstuk XV (Bijzondere bepalingen).
(…).
Besluit op de Dividendbelasting 1941
Art. 14 (Verordening van 24 juni 1941, Verordeningenblad 117/1941)
De artikelen 24, 25, 26, 28 en 29 van het Besluit op de Winstbelasting 1940 zijn ook voor de dividendbelasting van toepassing.
Besluit op de Dividendbeperking 1941
Art. 24 (Verordening van 15 augustus 1941, Verordeningenblad 170/1941)
De artikelen 25, 26, 28 en 29 van het Besluit op de Winstbelasting 1940 zijn van overeenkomstige toepassing.
Besluit op de Ondernemingsbelasting 1942
Art. 26 (Verordening van 28 april 1942, Verordeningenblad 50/1942)
Voor het doen van aangifte, het vaststellen van het samengestelde grondbedrag en van den aanslag in de belasting, de rechtsmiddelen, het navorderen van belasting, het toepassen van verhooging van den aanslag, het herstellen van onjuiste aanslagen, de kwijtschelding of vermindering, de strafbepalingen en de geheimhouding zijn van toepassing:
voor zooveel betreft de ondernemingen, onderworpen aan de vennootschapsbelasting, de bepalingen, welke voor die belasting gelden;voor zooveel de overige ondernemingen betreft,
de bepalingen, welke daarvoor ingevolge het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 gelden.
De Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën geeft de noodige voorschriften tot aanvulling en uitvoering van hetgeen in het vorige lid bepaald is.
Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942
Art. 32 (Verordening van 30 april 1942, Verordeningenblad 51/1942)
Voor de vennootschapsbelasting zijn, totdat dienaangaande een nadere regeling zal zijn getroffen, de volgende bepalingen van het Besluit op de Winstbelasting 1940 (n°. 83) van kracht, met dien verstande, dat voor „het lichaam" of „een lichaam, als bedoeld is bij artikel 1" wordt gelezen: „den belastingplichtige", onderscheidenlijk „een belastingplichtige":
(…).
5e) Hoofdstuk VIII (Bijzondere bepalingen), met dien verstande, dat ook beheerders, alsmede binnenlandsche vertegenwoordigers van buitenlandsche belastingplichtigen, onder „bestuurders" zijn begrepen.
Besluit op de Vermogensbelasting 1942
Art. 19 (Verordening van 30 april 1942, Verordeningenblad 52/1942)
Voor de volgens dit besluit geheven vermogensbelasting zijn, totdat dienaangaande een nadere regeling zal zijn getroffen, de volgende bepalingen van het Besluit op de Winstbelasting 1940 (No. 83) van kracht, met dien verstande, dat voor „het lichaam" of „een lichaam, als bedoeld is bij artikel 1 wordt gelezen: „den belastingplichtige", onderscheidenlijk „een belastingplichtige'':
(…).
5e) Hoofdstuk VIII (Bijzondere bepalingen), met dien verstande, dat ook beheerders, alsmede binnenlandsche vertegenwoordigers van buitenlandsche belastingplichtigen, onder „bestuurders" zijn begrepen.
Vermogensaanwasbelasting 1946
Art. 55 (Wet van 19 september 1946, Stb. 1946, G 264)
Het is aan een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking bij de heffing of invordering van de vermogensaanwasbelasting of in verband daarmede, nopens iemands vermogen, zaken of werkzaamheden blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet-ambtelijke deskundigen, die in verband met de heffing van de vermogensaanwasbelasting worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheden worden belast.
Wet op de vermogensheffing ineens 1947
Art. 38 (wet van 11 juli 1947, Stb. 1947, H 238)
Het is aan een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking bij de heffing of invordering van de vermogensheffing ineens of in verband daarmede, nopens iemands vermogen, zaken of werkzaamheden blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan noodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Het verbod van dit artikel geldt mede voor niet-ambtelijke deskundigen, die in verband met de vermogensheffing ineens worden geraadpleegd of met eenige werkzaamheden worden belast.
Wet op de Dividendbeperking 1950
Art. 18 (Wet van 29 september 1950, Stb. 1950, K 422)
De artikelen 25, 28 en 29 van het Besluit op de Winstbelasting 1940 zijn van overeenkomstige toepassing.
Wet op de personele belasting 1950
Artikel 44 (Wet van 21 december 1950, Stb. 1950, K 598)
Het is een ieder verboden om hetgeen hem in zijn ambt of betrekking bij of in verband met de uitvoering van deze wet blijkt of medegedeeld wordt verder bekend te maken dan nodig is voor de toepassing van enig wetsvoorschrift of in 's Rijks belang.
Het verbod van het vorige lid geldt mede voor niet-ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering van deze wet worden geraadpleegd of met enige werkzaamheid worden belast.
Onze Minister van Financiën is bevoegd ontheffing te verlenen van de in dit artikel opgelegde geheimhouding.
Wet vervanging van het fiscale noodrecht
Art. 9 (Wet van 23 april 1952, Stb. 1952, F 191)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in zijn ambt of betrekking bij of in verband met de uitvoering van deze wet blijkt of medegedeeld wordt verder bekend te maken dan nodig is voor de uitoefening van dat ambt of die betrekking.
Successiewet 1956
Art. 79 (Wet van 28 juni 1956, Stb. 1956, 362)
Het is een ieder verboden om hetgeen hem in zijn ambt of betrekking bij of in verband met de uitvoering van deze wet blijkt of medegedeeld wordt verder bekend te maken dan nodig is voor de toepassing van enig wetsvoorschrift of in 's Rijks belang.
Het verbod van het vorige lid geldt mede voor niet-ambtelijke deskundigen, die in verband met de uitvoering van deze wet worden geraadpleegd of met enige werkzaamheid belast.
Onze Minister van Financiën is bevoegd ontheffing te verlenen van de in dit artikel opgelegde geheimhouding.
In afwijking van het in het eerste lid bepaalde is de inspecteur bevoegd om inzage, afschriften of uittreksels te geven van of inlichtingen te verstrekken uit aangiften en bijlagen aan de aangevers of hun rechtverkrijgenden en aan de verkrijgers onder bijzondere titel, voor zoveel hun rechten aangaat.
(…).
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Art. 67 (Wet van 2 juli 1959, Stb. 1959, 301)
Het is een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting.
Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.
Art. 67 (Wet van 27 september 2007, Stb. 2007, 376)
Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).
De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:
enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;
bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.
In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.
Belastingwet BES
Art. 8.21 (Wet van 16 december 2010, Stb. 2010, 845)
Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige BES belasting.
De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:
enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.
Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.
Deel B – overige (bestuursrechtelijke) geheimhoudingsbepalingen
Organisatiebesluit 1904
Art. 101 (koninklijk besluit van 30 maart 1904, nr. 19, V. nr. 36)
De ambtenaren mogen hetgeen zij als zoodanig te weten komen, niet verder bekendmaken dan voor de uitoefening van hun ambt noodig is, tenzij hunne verklaring als getuige of deskundige volgens de wet mocht worden gevorderd.
Wet Raden van beroep voor de directe belastingen
Art. 23 (Wet van 19 december 1914, Stb. 1914, 564)
(…).
De Hooge Raad doet uitspraak in raadkamer.
(…).
Organisatiebesluit Belastingen 1920
Artikel 86 (koninklijk besluit van 16 september 1920, nr. 61, V. nr. 1401)
De ambtenaren mogen hetgeen zij als zoodanig te weten komen, niet verder bekendmaken dan voor de uitoefening van hun ambt noodig is, tenzij hunne verklaring als getuige of deskundige volgens de wet mocht worden gevorderd.
Algemeen rijksambtenarenreglement
Art. 59 (koninklijk besluit van 12 juni 1931, Stb. 1931, 248)
De ambtenaar is verplicht tot geheimhouding, van hetgeen hem in zijn ambt is ter kennis gekomen, voorzover die verplichting uit den aard der zaak volgt, of hem uitdrukkelijk is opgelegd.
De in het vorige lid bedoelde verplichting bestaat niet tegenover hem, aan wie de ambtenaar onmiddellijk of middellijk ondergeschikt is, noch in zover hij door een boven hem gestelde van de verplichting tot geheimhouding is ontheven.
Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Art. 18 (Wet van 1 maart 1957, Stb. 1956, 323)
De behandeling en de beslissing der zaak vindt plaats in raadkamer.
Art. 24 (Wet van 1 maart 1957, Stb. 1956, 323)
(…).
De Hoge Raad beslist in raadkamer.
(…).
Aanwijzingen voor de wetgevingstechniek (1984)
Punt 73 (besluit van 14 februari 1984, Stcrt. 1984, 52)
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Ambtenarenwet 1929
Art. 125a (Wet van 20 april 1988, Stb. 1988, 229)
(…).
De ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt.
Organisatiewet sociale verzekeringen
Art. 50g OSV (Wet van 28 december 1988, Stb. 1988, 655)
Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet of de wettelijke regelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet of die wettelijke regelingen noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.
Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
degeen op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;
de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen, bedrijven of instellingen.
Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kan Onze Minister, voorzover de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor niet onevenredig wordt geschaad, ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. Bij algemene maatregel van bestuur worden hierover nadere regels gesteld.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal. De maatregel treedt niet eerder in werking dan nadat dertig dagen na die overlegging zijn verstreken.
Algemene wet bestuursrecht
Art. 2:5 Awb (Wet van 4 juni 1992, Stb. 1992, 315)
Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
Het eerste lid is mede van toepassing op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die door een bestuursorgaan worden betrokken bij de uitvoering van zijn taak, en op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die een bij of krachtens de wet toegekende taak uitoefenen.
Ambtenarenwet 2017
Art. 9 Ambtenarenwet 2017 (Wet van 9 maart 2017, Stb. 2017, 123)
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen in verband met hun functie ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt.