De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.4.3.2:11.4.3.2 Oprichters en andere partijen die een bedrijf naar de beurs brengen en daarin een belang houden
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.4.3.2
11.4.3.2 Oprichters en andere partijen die een bedrijf naar de beurs brengen en daarin een belang houden
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS365135:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld TomTom NV waar de vier oprichters een gezamenlijk belang van ongeveer 45% houden (allen 11,3%).
Panel Consultation Paper 2015/3 van 14 juli 2015, nr. 4.1 e.v. en Panel Response Statement 2015/3 van 23 oktober 2015, idem.
Beide mogelijkheden zijn eind 2014 in Italië geïntroduceerd (§ 5.6.1), overigens geheel los van het hier voorgestelde vermoeden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Oprichters en andere partijen die een bedrijf naar de beurs brengen, houden vaak een belang in de vennootschap.1 Betoogd kan worden dat hun gezamenlijke verleden – bestaande uit de oprichting of eerdere aankoop van de naar de beurs te brengen onderneming – een vermoeden van onderling overleg rechtvaardigen. Eind 2015 codificeerde het Britse Takeover Panel zijn staande praktijk dat aandeelhouders in een niet-genoteerde vennootschap worden geacht in concert te handelen wanneer zij na een IPO of anderszins aandeelhouder worden in een beursvennootschap.2
Ik zou geen voorstander zijn van een dergelijk vermoeden. Een evident nadeel is dat het minder aantrekkelijk wordt om een onderneming naar de beurs te brengen. Overwogen kan worden om toe te laten dat een onderneming die naar de beurs gaat voor een beperkte periode ofwel een statutaire vrijstelling van de biedplicht kan opnemen of de drempel daarvoor kan verhogen, al dan niet binnen wettelijk vastgestelde marges.3 Lastiger is hoe dit vermoeden zich zou verhouden tot de “IPO-vrijstelling” voor degene die overwegende zeggenschap houdt op het tijdstip dat de aandelen of de met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen voor de eerste maal tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten (art. 5:71 lid 1 sub i Wft). Het handhaven van die vrijstelling, ook voor deze situatie, zou natuurlijk afbreuk doen aan de effectieve werking van het vermoeden. Anderzijds zou schrappen ook moeilijk verdedigbaar zijn. Een tussenroute in de vorm van een specifieke uitzondering op de vrijstelling lijkt alleen al om systematische redenen ongewenst. Er ontstaat bovendien een verschil met een individuele grootaandeelhouder in dezelfde positie, waarvoor geen grond is.