Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.4.3.1
11.4.3.1 Bestuurders en commissarissen en “hun” vennootschap
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367605:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. L. 233-10 II. sub 1° CC. Zie kritisch over de reikwijdte daarvan Viandier 2014, nr. 1546, onder meer omdat het vermoeden niet geldt voor commissarissen.
De acting in concert-definitie City Code hanteert een vermoeden van acting in concert tussen directors en hun vennootschap. In diezelfde definitie staat een vermoeden van acting in concert tussen directors (onderling) van een vennootschap waarop een openbaar bod is uitgebracht of redenen bestaan om aan te nemen dat dat staat te gebeuren.
Art. 101-bis, 4-bis sub d jo 109 TUF.
Zie voor Duitsland Gaede 2008, p. 270-271.
Anders: De Brauw, Toezicht Financiële Markten (Groene Serie), art. 1:1 Wft, aant. 546.2.2.
Diverse van de onderzochte landen kennen een vermoeden van onderling overleg tussen bestuurders en de vennootschap waarvan zij bestuurder zijn (Frankrijk1). Stemrechten die de vennootschap kan uitoefenen in een beursvennootschap worden hen toegerekend. In het Verenigd Koninkrijk2 en Italië3 geldt het vermoeden ook voor commissarissen. Elders bestaat hierover discussie.4 Ten slotte was in een van de eerste richtlijnvoorstellen een vermoeden van acting in concert opgenomen voor bestuurders en hun vennootschappen (zie § 3.2).
In Nederland bestaat een dergelijk vermoeden niet. Ik zou daar ook geen voorstander van zijn.5 Het bestuur is weliswaar vertegenwoordigingsbevoegd en dus bevoegd het stemrecht op de door de vennootschap gehouden aandelen uit te oefenen, maar niet noodzakelijk ook degene die bepaald hoe het stemrecht zal worden uitgeoefend. Als dat wel zo is, dan zal er sprake zijn van een gecontroleerde onderneming en is het vermoeden uit de acting in concert-definitie van toepassing (zie § 11.3). Toerekening van de stemrechten van de rechtspersoon aan haar bestuurders, enkel uit hoofde van hun functie, acht ik al met al onredelijk bezwarend. Om diezelfde reden moet een bestuurder de stemrechten die de rechtspersoon houdt, niet worden geacht die stemrechten te “kunnen uitoefenen” in de zin van de definitie van overwegende zeggenschap (§ 12.2.2 en 12.3.2.4 sub III).
Het voorgaande geldt evengoed voor bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap. Daarbij komt dat, zo hier al sprake zou zijn van toerekening omdat zij daadwerkelijk in onderling overleg handelen, het dan hooguit kan gaan om eenrichtings- toerekening, van bestuurders/commissarissen aan de vennootschap; zoals later nog aan de orde zal komen, komen stemrechten verbonden aan de eigen aandelen van de doelvennootschap niet voor toerekening in aanmerking (§ 12.2.4.6).