Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.6.1
7.6.1 Eisen aan verweer en ruimte voor ambtshalve toetsing
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620297:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Wil een beroep op strafvermindering kans van slagen hebben, dan moet in het verweer uit de verf komen welk daarmee te compenseren ‘nadeel’ de verdachte leed: zie HR 16 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7635. Dat geldt ook voor een beroep op bewijsuitsluiting, zie bijv. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:36 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:144. Op de inhoudelijke betekenis van deze factoren wordt in par. 8.2. nader ingegaan.
Zo strandt een beroep op niet-ontvankelijkverklaring van het OM als wordt betoogd ‘dat er iets niet klopt’ zonder dat wordt aangegeven dat en waarom het Zwolsmancriterium is vervuld, zie HR 14 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1895, NJ 2000/146.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma en zie bijv. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8856, NJ 2005/301.
Zie bijv. HR 4 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0281, NJ 2008/581 (verdachte had aangevoerd te hebben bekend onder dreiging door een agent met een nietmachine te worden geslagen, waaraan de raadsman de conclusie verbond dat vrijspraak moest volgen, maar geen beroep deed op art. 359a Sv); HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005: AS8856, NJ 2005/301 en HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3545, NJ 2004/377 (beroep op niet-ontvankelijkheid OM voldeed niet aan eisen, omdat ‘voor zover daarbij niet reeds uit het oog is verloren dat in dit verband slechts van belang zijn vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek inzake de aan de verdachte tenlastegelegde feiten welke verzuimen niet zijn hersteld, en voor zover niet is verzuimd te stellen dat en zo ja welk nadeel de verdachte heeft ondervonden van genoemde vormverzuimen, niet is gesteld en uit hetgeen is aangevoerd ook niet kan volgen dat hier sprake zou kunnen zijn van een of meer ernstige inbreuken’ die tot het bepleite gevolg konden leiden.
Zie HR 16 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1684.
Zie HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7666.
Zie Van Dorst 2012, p. 202-203. Zie bijv. HR 21 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1287, HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9438 en HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR: 2009:BJ3252, NJ 2011/194 m.nt. Buruma.
Zie HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349 m.nt. Schalken.
Zie HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6231 en HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BN1705.
Zie HR 24 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1830, NJ 2004/226 en HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1730, NJ 2012/80 m.nt. Keijzer (hof kon kiezen het aangevoerde te begrijpen als een beroep op een vormverzuim ex art. 359a Sv of als een bij de strafoplegging te betrekken omstandigheid, zodat in cassatie niet kan worden geklaagd dat het had moeten verstaan als een verweer ex art. 359a Sv).
Zie HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9438.
Zie HR 28 mei 1985, NJ 1985/876; HR 2 februari 1988, NJ 1988/820; HR 17 mei 1988, NJ 1989/142 m.nt. Corstens; HR 19 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1307, NJ 1999/250; HR 26 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8830, NJ 2005/6.
Zie HR 28 mei 1985, NJ 1985/876.
AG Vellinga schrijft in zijn conclusie voor HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8913 ook dat de nieuwe motiveringsplicht van art. 359 lid 2 Sv niet los kan worden gezien van de ontwikkeling naar een meer contradictoir proces en wijst daarbij op de eisen die de HR stelt aan een beroep op art. 359a Sv.
Zie HR 24 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1879, waarin werd overwogen dat het hof niet blijk hoefde te geven ambtshalve de rechtmatigheid van het afluisteren van telefoongesprekken te hebben onderzocht, ‘in aanmerking genomen dat de stukken van het geding ook niet het ernstige vermoeden wekken dat onrechtmatig zou zijn gehandeld’. Zie ook HR 26 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8830, NJ 2005/6 en vgl. AG Machielse in zijn conclusie voor HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6656, NJ 2010/532.
Vellinga-Schootstra & Vellinga 2008, p. 48-49.
Zie HR 10 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9632. Wanneer echter een beroep wordt gedaan op ‘toepassing van art. 359a Sv’ en uitdrukkelijk niet om niet-ontvankelijkverklaring van het OM wordt gevraagd, terwijl het verzuim geen bewijsmateriaal opleverde, moet dat worden verstaan als een beroep op strafvermindering. Zie HR 16 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1684.
Van de verdediging mag – zo overwoog de Hoge Raad in het standaardarrest – worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in die bepaling genoemd rechtsgevolg een gesteld vormverzuim dient te leiden. 1 Daarbij dient de verdediging ook rekening te houden met de voor het bepleite rechtsgevolg geldende maatstaven.2 Alleen op een zodanig verweer is de rechter verplicht een in het derde lid van die bepaling bedoelde met redenen omklede beslissing te geven.3 Hieraan wordt door de Hoge Raad vrij strak de hand gehouden,4 zij het dat als duidelijk is dat de verdediging een beroep doet op een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en uit haar betoog is af te leiden welk rechtsgevolg zij bepleit, het niet met zoveel woorden noemen van dat rechtsgevolg5 of art. 359a Sv6 niet steeds betekent dat het verweer niet aan de eisen voldoet. De uitleg van een verweer is aan de feitenrechter en kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst.7 De eis van een aan de hand van de factoren van art. 359a, tweede lid, Sv gemotiveerd verweer heeft de Hoge Raad ook gesteld bij Salduz-verweren,8 maar omdat de ruimte om na constatering van een dergelijke schending van bewijsuitsluiting af te zien minimaal is, zijn de in dit opzicht aan deze verweren gestelde eisen ook minimaal.9 Vooral bij een beroep op strafvermindering is belangrijk dat duidelijk wordt gemaakt dat dit op de voet van art. 359a Sv wordt bepleit. Immers laat een dergelijk beroep zich anders gemakkelijk verstaan als een strafmaatverweer.10 Dit geldt in het bijzonder ook in ontnemingszaken, waarin het verweer kan worden opgevat als strekkend tot matiging van de op te leggen betalingsverplichting.11 Ook bij een klacht over een vormverzuim die zou kunnen worden beschouwd als een kwestie die enkel aan de RC of aan de raadkamer kan worden voorgelegd komt het er bij het te voeren verweer op aan. Hierop is in paragraaf 7.3.2.2 nader ingegaan.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen hoeft niet te blijken dat zij op rechtmatige wijze zijn verkregen, zo oordeelde de Hoge Raad al in HR 17 februari 1981, NJ 1981/432. In de rechtspraak van vóór invoering van art. 359a Sv is wel in verschillende situaties aangenomen dat de rechter ambtshalve slechts gehouden is blijk te geven van zijn onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM en/of de rechtmatigheid van de bewijsgaring, indien uit de stukken van het geding het ‘rechtstreeks en ernstig vermoeden’ rijst dat de OvJ nietontvankelijk is, dan wel het gebezigde bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen. 12 In verstekzaken werd geen ruimer toetsingscriterium gehanteerd, maar gold dezelfde strikte toets.13
Met de hoge eisen die tegenwoordig aan een te voeren verweer worden gesteld, is niet goed verenigbaar dat op de schouders van de rechter een omvangrijke verplichting wordt gelegd om ambtshalve onderzoek te doen naar vormfouten. Daarmee zou immers de verdediging voor een belangrijk deel weer worden ontheven van haar verantwoordelijkheid een duidelijk en gemotiveerd verweer te voeren. Het past ook niet goed in de gedachte die aan een voortbouwend appel ten grondslag ligt, te weten dat de verdediging, om de aandacht van de rechter op bepaalde aspecten van de zaak te vestigen, zelf moet aangeven wat haar bezwaren zijn tegen de uitspraak in eerste aanleg. 14
Een en ander neemt mijns inziens niet weg dat ook tegenwoordig de rechter, indien sprake is van een uit de stukken rijzend rechtstreeks en ernstig vermoeden dat niet-ontvankelijkheid van het OM of bewijsuitsluiting zou moeten volgen, ervan blijk dient te geven hiernaar onderzoek te hebben gedaan. Dat de ambtshalve onderzoeks- en verantwoordingsplicht ook tegenwoordig nog bestaat – zelfs indien de zaak in appel op tegenspraak is behandeld – kan ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid.15 Nog steeds wordt gewicht toegekend aan ambtshalve controle op dit punt, maar de inhoud van die controle is wel veranderd door de hogere eisen die worden gesteld aan de toepassing van niet-ontvankelijkverklaring van het OM en van bewijsuitsluiting. Een dergelijk rechtstreeks en ernstig vermoeden zal door het gekrompen bereik van deze reacties nog minder snel rijzen dan voorheen: overschrijding van de redelijke termijn leidt bijvoorbeeld niet meer tot niet-ontvankelijkheid en bewijsuitsluiting volgt lang niet vanzelf bij onrechtmatige bewijsgaring. Juist die beperking van het toepassingsbereik, die meebrengt dat er werkelijk iets fundamenteel mis moet lijken te zijn, voordat het voormelde rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst, brengt mee dat wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, de rechter onderzoekt en motiveert of en, zo ja waarom van toepassing van die reactie kan worden afgezien. Om een extreem voorbeeld te geven: een bewijsmiddel dat inhoudt ‘na marteling bekende de verdachte de diefstal’ kan – voorzichtig gezegd – niet zonder nadere motivering voor het bewijs worden gebruikt, ook niet als geen verweer is gevoerd. In de praktijk zal zich niet zo snel een situatie voordoen waarin de feitenrechter van zijn ambtshalve onderzoek blijk moet geven, ook al omdat onwaarschijnlijk is dat de verdediging niet zelf aanslaat op het daarvoor vereiste fundamentele gebrek.
In het standaardarrest is de verantwoordelijkheid van de verdediging voor het voeren van deugdelijk verweer benadrukt. Vellinga-Schootstra & Vellinga constateren dat de praktijk in dit opzicht te wensen overlaat. Zij merken op dat klachten van de verdediging ‘aan kracht zouden winnen wanneer daarin anders dan gebruikelijk wordt uiteengezet waarom schending van het vormvoorschrift zo wezenlijk is dat daaraan een gevolg (…) moet worden verbonden ook al zou dit tekort doen aan de belangen van de samenleving en het slachtoffer’.16 De verantwoordelijkheid van de verdediging voor de inhoud en kwaliteit van het te voeren verweer brengt ook mee dat als in feitelijke aanleg aan een beroep op een vormverzuim door de verdediging de conclusie wordt verbonden dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM dan wel tot bewijsuitsluiting, de rechter niet gehouden is te doen blijken ambtshalve te hebben onderzocht of sprake is van een vormverzuim dat aanleiding geeft tot strafvermindering.17 Opmerking verdient dat de Hoge Raad in de zojuist genoemde beslissing in aanmerking nam dat de verdachte werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman. Dat geeft aanleiding te veronderstellen dat, zoals ook ten aanzien van andere verweren geldt, als de verdachte niet is voorzien van rechtsbijstand iets soepeler wordt omgegaan met de aan een verweer ex art. 359a Sv te stellen eisen.