De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/1.5:1.5 Studie Duits en Belgisch recht
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/1.5
1.5 Studie Duits en Belgisch recht
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS384917:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In strikte zin wordt bij een rechtsvergelijking op een bepaald aspect het recht van verschillende landen vergeleken met als belangrijkste doel kennisverwerving ten behoeve van het leeraspect. Zie over de doelen en het nut van rechtsvergelijking meer uitgebreid Oderkerk (1999).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderzoek richt zich op de rol van de Nederlandse werknemers. Kennis van het buitenlandse recht is desondanks onontbeerlijk voor de beantwoording van de onderzoeksvraag. Het belang van deze kennis manifesteert zich vooral bij de vennootschappelijke medezeggenschap. De Tiende Richtlijn creëert met art. 16 voor de vennootschappelijke medezeggenschap een oplossing die aansluit bij het nationale recht van de bij de fusie betrokken vennootschappen. Dat gebeurt op twee punten. Ten eerste zijn de inhoud en de omvang van de vennootschappelijke medezeggenschap bij een grensoverschrijdende fusie (dat wil zeggen de invulling van art. 16 Tiende Richtlijn) afhankelijk van de nationale rechtsstelsels van de deelnemende vennootschappen. Met andere woorden: beantwoording van de vraag of en zo ja, in welke mate de uit de fusie ontstane vennootschap onderworpen zal zijn aan vennootschappelijke medezeggenschap vereist kennis van het vennootschappelijke medezeggenschapsrecht van de lidstaten waar de fuserende vennootschappen zijn gevestigd. Ten tweede wordt – zo zal blijken – art. 16 Tiende Richtlijn grotendeels toegepast aan de hand van het recht van de lidstaat waar de uit de fusie ontstane vennootschap haar statutaire zetel vestigt, het zogenoemde vestigingsland. Dit vereist inzicht in de wijze waarop art. 16 is geïmplementeerd in andere lidstaten. Harmonisatie is immers geen unificatie en de verschillen in implementatie zijn vaak aanmerkelijk.
Voor het onderzoek naar het buitenlandse recht heb ik gekozen voor twee rechtsstelsels die op het gebied van de vennootschappelijke medezeggenschap een andere traditie hebben: Duitsland en België. Het Duitse recht kent een lange traditie en een uitgebreide regeling inzake de vennootschappelijke medezeggenschap, terwijl het Belgische recht aan het onderwerp weinig tot geen aandacht besteedt. Andere aspecten die een studie naar deze twee landen boeiend en relevant maakt, zijn de verschillende bestuursstructuren van de nationale vennootschappen en het feit dat art. 16 Tiende Richtlijn in Duitsland bij wet en in België bij collectieve arbeidsovereenkomst is geïmplementeerd. Het gaat tot slot om twee buurlanden van Nederland die beide belangrijke handelspartners zijn.
Strikt genomen is geen sprake van rechtsvergelijking. De kennis van het buitenlandse recht is vereist ter bepaling van de vennootschappelijke medezeggenschapsrechten van de Nederlandse werknemer.1 Dat neemt niet weg dat de studie van het Duitse en het Belgische recht mogelijkheden biedt te bezien of bepaalde problemen binnen het Nederlandse recht zich ook binnen deze rechtsstelsels voordoen en zo ja, hoe Duitsland en België bij het implementeren van de Tiende Richtlijn met de problemen zijn omgegaan.
In het onderzoek naar de ondernemingsrechtelijke medezeggenschap vervullen de rechtsstelsels van Duitsland en België een minder prominente rol. Deze vorm van medezeggenschap is gekoppeld aan de onderneming in de zin van de WOR en de onderneming waarin de Nederlandse werknemers werkzaam zijn, is in Nederland gelegen. De ondernemingsrechtelijke medezeggenschapsrechten krijgen inhoud op basis van het Nederlandse recht. De grensoverschrijdende fusie als zodanig brengt op dit punt geen verandering teweeg. Kennis van het buitenlandse recht is bij de toepassing van de rechtsregels zoals neergelegd in de WOR niet nodig. Dit kan anders liggen bij de positie van de Europese ondernemingsraad. De (oprichting van de) Europese ondernemingsraad is onderworpen aan het implementatierecht van de lidstaat waar het hoofdbestuur zetelt. Bij de bespreking van de Europese ondernemingsraad komt daarom wel aandacht toe aan het Duitse en Belgische (implementatie) recht.