Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/2.5
2.5 Werknemersbegrip
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS581576:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7 lid 1 en 8 lid 1 WIA jo. art. 3 lid 1 ZW, B.B.B. Lanting aant. 2 op art. 3 ZWin: G.J.J. Heerma van Voss en F.J.L. Pennings (red.), Socialezekerheidsrecht. Tekst & Commentaar, Kluwer: Deventer 2008, p.303 (T&C Sociale Zekerheid).
Zie voor uitvoerige bespreking E.S. de Jong en C.J. Loonstra, ‘Kwalificatie’ in: Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Sdu Uitgevers: Den Haag 2013, p.219-260, E. Verhulp, Tekst & Commentaar Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2012, art. 7:610 BW, aant. 1 tot en met 4 (T&C Arbeidsrecht) en D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, De dienstbetrekking in drievoud. Het bereik in arbeidsrecht, fiscaal recht en socialeverzekeringsrecht, (diss.), Kluwer: Deventer 2008.
HR 29 oktober 1982, NJ 1983, 230; HR 28 juni 1996, JAR 1996/153 en HR 14 april 2006, JAR 2006/119 (Beurspromovendi), Van der Grinten, p.18-19, Loonstra/De Jong, p.224, Verhulp T&C, p.9.
HR 28 juni 1996, JAR 1996/153.
Art. 7:659 lid 1 BW, Van der Grinten, p.19, Loonstra/De Jong, p.224, Verhulp T&C, p.9.
Van der Grinten, p.18, Loonstra/De Jong, p.223-224, Verhulp T&C, p.9-19, zie ook M.G. Rood, ‘Over de arbeidsovereenkomst, toen, nu en straks’ in: C.J. Loonstra (red.), De onderneming en het arbeidsrecht in de 21e eeuw. Liber amoricum voor prof. mr. F. Koning, Boom Juridische Uitgevers: Den Haag, 2000, p.123-124.
HR 18 december 1953, NJ 1954, 242, HR 12 oktober 2001, JAR 2001/217, Van der Grinten, p.19-20, Loonstra/De Jong, p.223, Verhulp T&C, p.9. Zie uitgebreider: J.M. van Slooten, Arbeid en loon, Kluwer: Deventer 1999.
Art. 7:660 BW, Van der Grinten, p.20-21, Loonstra/De Jong, p.225-235, Verhulp T&C, p.10-11. Niet is essentieel dat voorschriften worden gegeven, maar dat dat zou kunnen (HR 28 september 1983, NJ 1984, 92).
Art. 7:402 lid 1 en 403 lid 2 BW, Van der Grinten, p.22, Loonstra/De Jong, p.236.
Art. 7:655 lid 6 en 7 BW.
O.m. HR 14 november 1997, JAR 1997/263 (Groen/Schoevers), HR 10 december 2004, JAR 2005/15 (Diosynth/Groot), HR 25 maart 2011, JAR 2011/109 (Gouden Kooi), Van der Grinten, p.21-26. Een mooi voorbeeld dat wezen voor schijn gaat is het Alfahulp-arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden 5 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8304.
Een werknemer is de natuurlijke persoon die een arbeidsovereenkomst heeft in de zin van artikel 7:610 lid 1 BW: ‘de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten’. In andere regelingen zoals bijvoorbeeld de WIA wordt gesproken over een privaatrechtelijke dienstbetrekking, waarmee wordt gedoeld op de arbeidsovereenkomst.1 De status van werknemer wordt ontleend aan het soort overeenkomst dat met de wederpartij is gesloten. Het begrip werknemer wordt zelf niet nader in het BW gedefinieerd.
Een paar elementen kenmerken de arbeidsovereenkomst.2 Ten eerste moet er sprake zijn van arbeid. Daaronder wordt verstaan productieve arbeid, arbeid met een economische waarde voor de werkgever.3 Bij stagewerkzaamheden kan bijvoorbeeld het opdoen van ervaring zozeer centraal staan dat geen sprake is van arbeid.4 De arbeid moet daarnaast persoonlijk en gedurende zekere tijd worden verricht, maar deze beide elementen zijn niet erg onderscheidend. Vervanging door een ander is namelijk toegestaan, met toestemming van de werkgever.5 De zekere tijd kan bovendien variëren van zeer kort, bijvoorbeeld één uur bij oproepkrachten, tot lang, zoals bij arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd.6 De betaling van loon door de werkgever aan de werknemer is daarnaast wezenlijk. Civielrechtelijk wordt dit uitgelegd als datgene wat als tegenprestatie voor de bedongen arbeid door de werkgever aan de werknemer verschuldigd is of zal zijn.7 Cruciaal element bij de arbeidsovereenkomst is de gezagsverhouding. De werknemer staat onder het gezag van de werkgever. Dat volgt onder meer uit het ‘in dienst zijn’ maar ook uit de plicht om zich te houden aan werk- en ordevoorschriften.8
De scheidslijn tussen werknemerschap en het verrichten van werk op basis van een andere soort overeenkomst is soms lastig te trekken. Bijvoorbeeld bij een overeenkomst van opdracht werkt de een voor de ander tegen beloning en geeft de opdrachtgever aanwijzingen die de opdrachtnemer moet opvolgen. Daarnaast moet de opdrachtnemer net zo goed verantwoording afleggen aan de opdrachtgever net als een werknemer aan de werkgever.9 Om duidelijkheid te verschaffen heeft een ‘werkgever’ een plicht om schriftelijk of elektronisch mee te delen welke overeenkomst is aangegaan.10 Laat hij dat na dan zal de rechter de overeenkomst moeten kwalificeren. Daarbij moet hij onderzoeken wat partijen bij het sluiten daarvan hebben beoogd, alsook hoe feitelijk uitvoering aan de overeenkomst is gegeven. Wezen gaat daarbij vóór schijn.11 Bestaat onduidelijkheid of onzekerheid over de aard van de overeenkomst (en daarmee over de status van werknemer of niet) dan zou de ‘werknemer’ een beroep kunnen doen op het rechtsvermoeden van bestaan van een arbeidsovereenkomst. Als hij gedurende drie opeenvolgende maanden wekelijks of gedurende ten minste 20 uur per week voor een ander, tegen beloning door die ander heeft gewerkt, wordt de overeenkomst geacht een arbeidsovereenkomst te zijn, tenzij de ‘werkgever’ dat vermoeden weerlegt.12