Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/2.6
2.6 Arbeidsongeschiktheid
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS579166:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Niet zijnde bijv. een karakterneurose. HR 3 september 2010, LJN BM6079, P.S. Fluit, ‘‘Ziek-zijn’ en ‘zo-zijn’. Commentaar op het arrest Beckeringh/I-Control’, TAP 2011/3, p.106-111 (Fluit 2011).
De samenloop van een ziekmelding en een arbeidsconflict bespreek ik niet. Zie daarvoor o.a. W.H. A.C.M. Bouwens en E.W. de Groot, ‘Niet werken vanwege een arbeidsconflict: recht op loon?’, TRA 2009/2, reactie daarop: P.C. Vas Nunes en R.A. Heida, ‘Niet werken vanwege een arbeidsconflict: recht op loon?’, TAP 2009/3, p.105-106, STECR-werkwijzer Arbeidsconflicten (2010) en bespreking daarvan E.W. de Groot, ‘Uitval na arbeidsconflict: ziek of toch niet? Hoe dan ook: nooit (meer) situatief!’, TAP 2010/4, p.140-146.
Art. 7:629 lid 1, 658a lid 1, 660a, 670 lid 1 (voor ‘zijn arbeid’) en 670b lid 3 BW.
J.M. van Slooten, T&C Sociale Zekerheid, art. 7:629 BW, aant. 2d.
A.J.C. Theunissen, ‘Ziekte’ in: Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Sdu Uitgevers: Den Haag 2013, p.496. De CRvB hanteerde hetzelfde begrip al in 1973, CRvB 23 februari 1973, RSV 1973,229.
Van der Grinten, p.107, Asscher-Vonk 2007, p.10-11.
C.J. Loonstra en W.A. Zondag, Arbeidsrechtelijke Themata, Boom: Den Haag 2010, p.570 (Loonstra/ Zondag), R. Heida ‘Adviezen van de bedrijfsarts, hoe komen ze tot stand en wat zijn ze waard?’ Arbeid Integraal 2007, p.60 en R.A. Heida en D.J. Buijs, ‘Het deskundigenoordeel ‘(on)geschiktheid tot werken’ kritisch beschouwd’, Sociaal Recht 2007/12, p.397, onder verwijzing naar CTvG 4 december 2001, Medisch Contact 2002, 9, p.343.
Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr.3, p.58, zie ook Kamerstukken II 1992/93, 22 898, nr.6, p.10.
Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr.3, p.58, Van der Grinten, p.107, Theunissen, p.496, Loonstra/ Zondag, p.568-569.
HR 27 juni 2008, LJN BC7669, JAR 2008/188 (Mak/SGBO).
Vanaf 1 januari 2014 geldt op basis van art. 19aa ZW vanaf het tweede ziektejaar een strenger ziektebegrip: de werknemer moet ongeschikt zijn voor zijn arbeid én slechts in staat zijn als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling met arbeid ten hoogste 65% per uur te verdienen, van wat gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.
B. Hofman, T&C Sociale Zekerheid, art. 19 ZW, aant. 2.
Loonstra/Zondag, p.568, naar aanleiding van CRvB 14 mei 1936, AB 1936 p.443 en CRvB 8 januari 1963, RSV 1963, 16.
R.A. Heida en D.J. Buijs, ‘Het deskundigenoordeel ‘(on)geschiktheid tot werken’ kritisch beschouwd’, Sociaal Recht 2007/12, p.400.
CRvB 23 februari 1973, RSV 1973/229, CRvB 24 januari 1974, RSV 1974, 365.
CRvB 21 oktober 2003, LJN AO1437, CRvB 25 maart 2005, LJN AT3343.
CRvB 23 februari 1973, RSV 1973, 229.
G.A.M. Stevens (red.), ‘Wegwijzer sociale zekerheid. Handleiding voor de praktijk. Deel 4 Arbeidsongeschiktheid’, Koninklijke Vermande: Lelystad 1987, p.36-40. Bijv. CRvB 7 maart 1986, RSV 1986, 201, CRvB 1 mei 1996, LJN ZB6058.
CRvB 8 januari 1997, LJN ZB6849, CRvB 25 juni 1997, RSV 1998, 47 en CRvB 10 april 2001, RSV 2001, 115.
CRvB 6 oktober 1998, LJN AA8810.
Art. 3 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten: ‘vermindering of verlies van lichamelijke of psychische structuur of functie, die vermindering of verlies van normale gedragingen en activiteiten en van normale sociale rolvervulling tot gevolg heeft (en)…welke beperkingen betrokkene in zijn functioneren in arbeid ondervindt ten gevolge van het verlies of vermindering van vermogens…alsmede in welke mate betrokkene belastbaar is voor arbeid.’, Fluit 2011, p.108.
Ktr. Den Bosch 13 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:2417.
CRvB 30 maart 2006, TAR 2006/92, eerder ook al CRvB 22 januari 1973, RSV 1973, 204 en CRvB 8 januari 1963, RSV 1963, 16. Overgenomen door de civiele rechter: Hof Den Haag 16 februari 2007 JAR 2007/109 en Hof Den Bosch 22 april 2008, LJN BD5660. Zie ook Theunissen, p.497, die verdedigbaar vindt dat er een beroep moet worden gedaan op 7:628 BW in plaats van 7:629 BW.
CRvB 28 september 1994, RSV 1995, 59, CRvB 29 juni 2011, LJN BQ9865, bij ziekmelding vanuit de WW: de laatstelijk voor ontslag feitelijke verrichte werkzaamheden, CRvB 18 maart 2009, LJN BH7160. Een uitzondering is als de werknemer het laatst verrichte feitelijke werk slechts kort heeft verricht én dat werk in feite ook niet aankon, CRvB 5 januari 2005 LJN AS3620, CRvB 9 juli 2008, LJN BD8510.
Alleen art. 7:670 lid 1 BW noemt ‘zijn arbeid’. Volgens Hof Den Bosch 6 januari 2009 LJN BH0657 moet dit gelijk worden uitgelegd als ‘bedongen arbeid’. In ECLI:NL:GHSHE:2014:1158 oordeelde Hof Den Bosch dat iemand die weliswaar niet genezen was maar wel voltijds ‘zijn arbeid’ uitvoerde niet arbeidsongeschikt was.
Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr.3, p.58.
Loonstra/Zondag, p.569.
Hof Den Bosch 8 april 2008, LJN BD1345, Hof Leeuwarden 3 maart 2009, LJN BH5236, Ktr. Utrecht 24 februari 2010, LJN BL5780, anders: Hof Amsterdam 13 januari 2009, LJN BH4334. Zie ook Loonstra/Zondag, p.571. Het betreft hier overigens een andere discussie dan de vraag of passende arbeid tijdens re-integratie (dus na ziekmelding) op enig moment bedongen arbeid is geworden. Het betreft namelijk de voorvraag aan welke arbeid al dan niet arbeidsongeschiktheid moet worden afgemeten.
B. Hofman, T&C Sociale Zekerheid, art. 19 ZW, aant. 4 en B. Barentsen, Inleidende opmerkingen WIA, aant. 5, ook: E.J. Wervelman, De particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, Kluwer: Deventer 2009, p.203 en HR 3 september 2010, JAR 2010/249.
Fluit 2011, p.108 en 110.
CRvB 30 november 1988, RSV 1989, 132.
HR 23 juni 2000, JAR 2000/163 (Thuiszorg Midden-Brabant/Van Ierland), Kamerstukken I, 2000/ 01 27 678, nr.37a, p.29.
De begrippen ‘arbeidsongeschiktheid’ en ‘ziekte’ worden door elkaar gebruikt, maar ze zijn niet synoniem. Een werknemer kan ongeschikt zijn voor de bedongen arbeid maar niet ziek. Een voorbeeld daarvan is een archeoloog die niet meer bij opgravingen kan worden ingezet, omdat hij er niet in slaagt te voldoen aan nieuwe opleidingseisen die aan het vak worden gesteld. Een ander voorbeeld is de ongeschiktheid vanwege de persoonlijkheids- of karakterstructuur.1 Andersom kan een werknemer ziek zijn maar niet arbeidsongeschikt. Mij is een situatie bekend van een kankerpatiënte, die desondanks toch in staat was volledig haar eigen werk te doen. In de regel wordt bij het gebruik van deze begrippen bedoeld ‘arbeidsongeschiktheid wegens ziekte’.2
In het BW ontbreekt een definitie van arbeidsongeschiktheid. Verschillende bepalingen spreken van ‘ongeschiktheid ten gevolge van ziekte’ voor de ‘bedongen arbeid’.3
Van Slooten legt uit dat het gaat om een ‘lichamelijke of psychische toestand (daaronder begrepen een gebrek) die de werknemer verhindert zijn arbeid te verrichten’.4 Theunissen spreekt over ‘ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek’, net als Hoogendijk. 5 Van der Grinten omschrijft arbeidsongeschiktheid als ‘het op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid’, net als Asscher-Vonk.6 Loonstra/Zondag volstaan met ‘ongeschiktheid tot werken vanwege ziekte’ en Heida wijst er op dat volgens het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg pas over arbeidsongeschiktheid kan worden geoordeeld als een ‘stoornis en daaruit logisch voortvloeiende beperkingen zijn geformuleerd’.7 De lijn in deze definities is dat het moet gaan om arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door ziekte. Bij de invoering van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte is voor de uitleg van het begrip ‘ziekte’ aangehaakt bij de uitleg van het begrip in de ZW. De Minister stelde dat ziekte in de zin van de ZW en het BW hetzelfde was:
‘De werknemer heeft op de doorbetaling slechts recht, indien zijn verhindering te komen werken het gevolg is van ‘ziekte’. Artikel 19, derde lid, ZW verduidelijkt dat daaronder mede moeten worden verstaan gebreken. Voor de toepassing van het begrip voor civielrechtelijke doelen geldt reeds hetzelfde.’ 8
Met de kennelijke bedoeling het ziektebegrip uit de ZW toe te passen in de arbeidsrechtelijke regeling van de loondoorbetaling, werd de rechtspraak van de CRvB daarover van belang voor werkgever en werknemer.9 Sinds de invoering van de loondoorbetalingsplicht in 1996 heeft de HR zich bovendien niet expliciet uitgelaten over een eigen arbeidsrechtelijke definitie. Die is indirect wellicht af te leiden uit het arrest MAK/SGBO uit 2008. De HR noemt daar, bij het beschrijven van niet-medisch gerelateerde ‘situatieve arbeidsongeschiktheid’, elementen die voor arbeidsongeschiktheid wegens ziekte in de zin van het BW van belang zijn:
‘In een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, kan zich de situatie voordoen dat de werknemer zich op grond van (dreigende) psychische of lichamelijke klachten niet in staat acht tot het verrichten van zijn werkzaamheden, hoewel ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid geen medische beperkingen van psychische of fysieke aard kunnen worden vastgesteld, zodat van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte in de zin van art.7:629 BW geen sprake is.’ 10
De HR vindt het blijkbaar belangrijk dat er medische beperkingen van psychische of fysieke aard zijn, waardoor de werknemer niet in staat is tot het verrichten van zijn werkzaamheden. Bij het ontbreken van verdere HR-jurisprudentie over het begrip arbeidsongeschiktheid wegens ziekte blijft arbeidsrechtelijk enige betekenis toekomen aan de ZW-jurisprudentie terzake van de CRvB.11 In artikel 19 lid 1 ZW staat: ‘ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte’. Ook ‘gebreken’ vallen onder ‘ziekte’ (artikel 19 lid 4 ZW).12 De CRvB heeft in diverse uitspraken een beeld geschetst wanneer de werknemer ziek is in de zin van de ZW.13 Onder ziekte wordt een procesmatig gebeuren verstaan, bestaande uit een (op korte termijn dreigende) verstoring van lichamelijke of geestelijke functies van de mens, waarbij een daling van diens niveau van prestatievermogens optreedt.14 Beslissend is dus niet het ziek melden maar het ziek zijn.15
Ongeschiktheid tot werken moet worden uitgelegd als: het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid.16 In bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat een verzekerde naar objectieve maatstaven gemeten op medische gronden de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen geldt wel als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten.17
De objectieve maatstaven brengen met zich mee dat
‘een bij betrokkene op welke grond dan ook gewekte of bestaande indruk dat hij zijn arbeid niet meer kan of mag verrichten niet kan leiden tot ziekengeld, indien deze vermeende indruk uiteindelijk niet door de medische bevindingen wordt gedekt’.18
Soms kunnen medici geen objectieve grond aangeven, zodat in de regel dan geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. De omstandigheden kunnen echter bij twijfel met zich mee brengen dat toch arbeidsongeschiktheid wordt aangenomen, bijvoorbeeld gelet op het ziekteverleden en het oordeel van de geraadpleegde artsen over de realiteit van de klachten.19 Objectiveerbaarheid van de klachten is dus wezenlijk, hoewel onder omstandigheden de beperkingen die uit niet-objectiveerbare aandoeningen voortvloeien wel kunnen vaststaan.20 Een combinatie van klachten, die elk op zich geen ziekte of gebrek zijn, kan toch leiden tot de conclusie dat iemand beperkt is als gevolg van ziekte of gebrek.21 Een en ander heeft geleid tot het formuleren van een medisch arbeidsongeschiktheidscriterium voor de socialezekerheid in het Schattingsbesluit. Daaruit blijkt dat het uiteindelijk gaat om de vraag of er medisch te duiden beperkingen zijn in iemands functioneren.22
Een bijzondere situatie deed zich voor bij een geslachtsveranderende operatie. De werkgever stelde dat het om een cosmetische ingreep ging en niet om een ziekte. De daaruitvoortvloeiende arbeidsongeschiktheid zou niet voor zijn rekening hoeven komen. De kantonrechter merkte de operatie aan als medisch noodzakelijk in het kader van een langdurig traject met onder meer hormoonbehandelingen. De werkneemster was daarom ziek in de zin van artikel 7:629 BW.23 ‘Latente’ ziekte is ook ziekte in de zin van de wet als
‘op grond van medische gegevens met grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat bij en als gevolg van werkhervatting wederom uitval wegens ziekte zal plaatsvinden en/of dat werkhervatting tot schade van de gezondheid zal leiden’.24
De HR lijkt die deur arbeidsrechtelijk ook open te zetten door in het arrest Mak/ SGBO te spreken van ‘(dreigende) psychische of lichamelijke klachten’, die dan wel tot beperkingen moeten leiden.
Er wordt overigens in de ZW niet aangehaakt bij de ‘bedongen arbeid’ maar bij ‘zijn arbeid’. Het verschil zit daar in dat het bij ‘zijn arbeid’ niet gaat om wat is afgesproken, maar wat laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk werd gedaan, hoe kort ook.25 Het BW spreekt echter uitdrukkelijk van ‘bedongen arbeid’, zodat het begrip arbeidsongeschiktheid waarop loondoorbetaling wordt gebaseerd, moet worden gerelateerd aan wat is afgesproken.26 In de wetsgeschiedenis bij de invoering van de loondoorbetalingsplicht bij ziekte wees de SER al op dit verschil. Volgens de Minister zou dit onderscheid echter niet op bezwaren stuiten, omdat kern van de regeling is dat de werknemer voor het arbeidsproces behouden moet blijven. Hij zou daarom verplicht zijn alle passende arbeid te aanvaarden waartoe hij in staat is.27 Dit antwoord is niet zo bevredigend. Aan Loonstra/Zondag ontleen ik het voorbeeld van een vertegenwoordiger in wiens arbeidsovereenkomst staat dat hij ook administratief werk zou moeten doen op kantoor. Als hij zijn been breekt, kan hij nog wel de bedongen administratieve werkzaamheden doen, dus is hij niet arbeidsongeschikt wegens ziekte in de zin van het BW. Hij verricht echter de laatstelijk verrichte arbeid als vertegenwoordiger niet meer, dus in de zin van de ZW is er wel sprake van ziekte.28 In de lagere rechtspraak wordt in het algemeen onder ‘bedongen arbeid’ de contractueel overeengekomen werkzaamheden verstaan.29
Dat ‘gebrek’ ook kan leiden tot arbeidsongeschiktheid is ondergesneeuwd geraakt; de focus ligt in de regel op ‘ziekte’. ‘Gebrek’ wordt gekenmerkt door een statische toestand, een subnormaal evenwicht, dus op een lager niveau dan als normaal en gezond wordt beschouwd. Om arbeidsongeschiktheid te veroorzaken moet dat gebrek kunnen worden teruggevoerd op een medische toestand. Ontoereikend fysiek of geestelijk vermogen om bepaald werk uit te voeren of simpelweg de capaciteiten missen, is bijvoorbeeld niet -zonder meer- genoeg.30 Een werknemer die vanuit zijn persoonlijkheid maar moeizaam gezag kan accepteren, heeft geen gebrek, net zo min als de werknemer in een hectische functie, die karakterologisch een sterke behoefte heeft aan orde en overzicht. De CRvB hanteert de stelregel dat een afwijkende karakterstructuur of zelfs persoonlijkheidsstoornis in zijn algemeenheid niet als ziekte of gebrek wordt gekwalificeerd. Anders wordt het voor iemand met een posttraumatisch stresssyndroom die niet kan werken in een hectische omgeving.31 Zo vond de CRvB een karakterneurotische persoonlijkheidsstructuur wel een gebrek in psychiatrische zin.32
De HR heeft tot slot uitgesproken dat de beoordeling van arbeidsgeschiktheid, gedaan in het kader van de WAO, niet doorslaggevend is tussen werkgever en werknemer. Als de werkgever wordt geconfronteerd met een werknemer die zijn werk wil hervatten, mag hij niet zondermeer afgaan op het oordeel van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid, zeker niet als de werknemer redenen aanvoert die twijfel doen rijzen aan de juistheid van dat oordeel. De werkgever moet in zo’n geval een zelfstandige afweging maken of hij de werknemer wil laten werken, waarbij zowel het oordeel van het UWV als de argumenten van de werknemer meewegen.33
Ik definieer ‘arbeidsongeschiktheid’ daarom als: ‘ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek’.