Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.3.3.1
4.3.3.1 Vervolging van een klachtdelict zonder klacht
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946213:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat laat onverlet dat niet ieder aspect van die regeling strekt ter bescherming van de belangen van het slachtoffer. Zo is de klachttermijn mede in leven geroepen om te voorkomen dat de klachtgerechtigde gedurende de volledige verjaringstermijn een wettelijk zwaard jegens een verdachte in handen zou hebben. Zie: Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 498.
Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 2.
Crijns 2010, p. 314.
Schalken 1987, p. 14-15.
Schalken 1987, p. 21.
Deze terminologie is ontleend aan Jue 1982. Cleiren heeft dit toegepast op de bevoegdheidsverlenende normen in het Wetboek van Strafvordering. Zie: Cleiren 1989. Zie in dit verband ook: Crijns 2010, 335-337.
Cleiren 1989, p. 206.
Schalken 1987, p. 24.
De weergave van rechtsbetrekkingen in figuur C legt een aantal belangwekkende (pijn)punten bloot ten aanzien van de wijze waarop het klachtvereiste functioneert in de Nederlandse strafrechtspleging. Dit betreft allereerst de wijze waarop deze regeling haar uitwerking vindt in de praktijk indien de situatie zich voordoet dat het klachtgerechtigde slachtoffer géén (rechtsgeldige) klacht heeft ingediend en een verdachte desondanks wordt vervolgd.
De regeling van klachtdelicten strekt primair ter bescherming van de belangen van het slachtoffer.1 De grondgedachte achter de regeling is dat bij bepaalde misdrijven het bijzonder belang van de betrokkene groter nadeel kan lijden door het instellen van vervolging, dan het openbaar belang zou lijden onder het achterwege blijven van vervolging.2 Door toevoeging van een klachtvereiste bij bepaalde strafbare feiten heeft de wetgever aan de klachtgerechtigde het recht geboden om vervolging van die feiten te beletten door een klacht achterwege te laten. Dit past bij het door Crijns verwoorde idee dat het openbaar ministerie als rechtssubject functioneert in een publiekrechtelijke context die invloed heeft op elke rechtsbetrekking waarbij het openbaar ministerie is betrokken. Dit betekent dat het openbaar ministerie zich in de rechtsbetrekking tot de verdachte ook rekenschap moet geven van andere belangen, waaronder het belang van het slachtoffer.3 Schalken beschrijft in dit verband dat het strafrecht een complex van rechtsbetrekkingen omvat waaraan naast de verdachte ook anderen deelnemen die van de overheid garanties verlangen tegen een onrechtmatige inbreuk op hun fundamentele rechten en vrijheden. Het strafproces is zijns inziens niet uitsluitend gericht op bestraffing, maar ziet op het herstel van een verstoorde ordening van rechtsbetrekkingen. De overheid dient dan ook rechtsbescherming te bieden door rechtshandhaving, maar moet tevens voorzien in rechtsbescherming tegen normhandhaving.4 Het klachtvereiste vervult op dat vlak een functie ten behoeve van de klachtgerechtigde.
Schalken stelt zich voorts op het standpunt dat de beoordeling van de in het geding zijnde belangen het best kan geschieden naar de situatie waarin partijen zich op hun belang beroepen.5 De hierboven weergegeven illustratie maakt echter direct inzichtelijk dat dit bij de werking van het klachtvereiste op problemen stuit. Het strafrechtelijke systeem biedt de klachtgerechtigde immers geen mogelijkheden de (verdere) opsporing en vervolging te verhinderen, die hoofdzakelijk plaatsvindt binnen de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de verdachte. Het ontbreken van een klacht kan uitsluitend in de tegen de verdachte gerichte strafvervolging aan de kaak worden gesteld.
Deze ongerijmdheid kan goed worden geduid door te onderscheiden tussen het gedragsaspect en het geldingsaspect van de bevoegdheidsverlenende norm.6 Het gedragsaspect van een bevoegdheidsverlenende norm schrijft voor in welke gevallen en onder welke voorwaarden de justitiële autoriteit aan wie een bevoegdheid is verleend daarvan gebruik mag maken. De burger heeft in de regel niet alleen een subjectief recht op naleving van de bevoegdheid van de handelende justitiële autoriteit, maar kan dit subjectieve recht tevens geldend maken ten overstaan van de justitiële autoriteiten. Dat is het geldingsaspect van de norm.7 De wet schrijft voor dat het openbaar ministerie klachtdelicten uitsluitend kan vervolgen nadat een klacht is ontvangen. Dit dient het subjectieve recht van de klachtgerechtigde om niet met de opsporing en vervolging van een klachtdelict te worden geconfronteerd, totdat de wens daartoe via een klacht is geuit. De norm voor het openbaar ministerie om klachtdelicten pas te vervolgen na de ontvangst van een klacht sluit aan op het recht van de klachtgerechtigde een vervolging te beletten door een klacht achterwege te laten. In het geval het openbaar ministerie buiten de grenzen van de wettelijke bevoegdheden treedt en vervolgt zonder dat een klacht is ingediend, is de mogelijkheid om de norm te doen gelden echter niet toebedeeld aan de klachtgerechtigde. Uitsluitend de persoon die wordt vervolgd in relatie tot het klachtdelict kan in de strafprocedure een beroep doen op het ontbreken van een klacht. Er is dan ook sprake van een discrepantie tussen het ge-drags- en het geldingsaspect van de norm, omdat beide aspecten zijn verdeeld over twee verschillende rechtsbetrekkingen.
Vanuit dit rechtstheoretisch perspectief bezien is het voorstelbaar dat een rechtsgang wordt gecreëerd voor de klachtgerechtigde om (verdere) opsporing en vervolging te verhinderen in het geval daartoe wordt overgegaan, terwijl een klacht ontbreekt. Het gaat de facto om een procedure die fungeert als spiegelbeeld ten opzichte van de procedure ex art. 12 Sv met de beperking dat deze uitsluitend ziet op klachtdelicten en slechts openstaat voor de klachtgerechtigde. Dit past bij het door Schalken verwoorde idee dat het rechtssubject aan wie rechten zijn toebedeeld daarop actief een beroep moet kunnen doen en dat in het geval dat die rechten worden geschonden de mogelijkheid moet bestaan daartegen in het geweer te komen.8
Tegen dit voorstel zal men mogelijk willen inbrengen dat een dergelijke procedure in de praktijk weinig toepassing zal vinden, nu het openbaar ministerie zelden tot vervolging overgaat bij het ontbreken van een (rechtsgeldige) klacht. Het is echter onjuist om rechtsbescherming te ontzeggen uitsluitend omdat die bescherming niet al te vaak nodig zou zijn. Een tweede argument tegen dit voorstel zou kunnen zijn dat een dergelijke procedure overbodig is, omdat de vervolging van een klachtdelict zal stranden als er geen klacht is ingediend. Dat argument gaat er echter aan voorbij dat het doel van de regeling van klachtdelicten is gelegen in het voorkomen van nadeel voor de klachtgerechtigde, waarbij het nadeel kan bestaan uit de confrontatie met een strafproces, de ruchtbaarheid die met opsporing en vervolging gepaard gaat en de gevolgen die de strafprocedure voor familiebanden kan hebben. De regeling van klachtdelicten beoogt dus te voorkomen dat (ruchtbaarheid voor ) een strafvervolging ontstaat. Het stranden van een vervolging tegen de verdachte beantwoordt niet aan dit doel en dient het belang van de klachtgerechtigde onvoldoende. De opsporing en vervolging hebben reeds plaatsgehad en dit wordt niet teruggedraaid of hersteld met een niet-ontvankelijkheidsverklaring in het strafproces jegens de verdachte. Deze lacune in rechtsbescherming voor de klachtgerechtigde kan worden gevuld door een procedure te creëren waarin de klachtgerechtigde kan verzoeken (verdere) opsporing en vervolging van een klachtdelict te staken, zolang geen klacht is ingediend. Met het oog op het voorkomen van ruchtbaarheid is daarbij van belang dat de hierboven voorgestelde procedure (gelijk aan een procedure ex art. 12 Sv) in raadkamer zou moeten plaatsvinden, zodat de raadkamer-zitting op grond van art. 22 lid 1 Sv in beginsel niet openbaar is. De beschikking die volgt op een (niet openbare) behandeling in raadkamer wordt op grond van art. 24 lid 1 Sv evenmin in het openbaar uitgesproken. Dit biedt de klachtgerechtigde de gelegenheid om via een besloten rechtszitting te voorkomen dat (meer ) ruchtbaarheid voor een ongewenste opsporing en vervolging van een klachtdelict ontstaat.