Einde inhoudsopgave
Beschadigd vertrouwen 2021/3
3 Schadeafhandeling
G.M. Kuipers MSc, datum 01-09-2021
- Datum
01-09-2021
- Auteur
G.M. Kuipers MSc
- JCDI
JCDI:ADS480764:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dit hoofdstuk baseer ik mij op inzichten uit toonaangevende literatuuroverzichten over behoeften van gedupeerden, schadeafhandeling, coulance, en procedurele rechtvaardigheid. Belangrijke startpunten worden geboden in de WODC-studie over het civiele aansprakelijkheidsrecht van Huver e.a. 2007; en de bundel Coulant compenseren van Barkhuysen, Den Ouden & Tjepkema 2012. Tevens baseer ik mij voor procedurele rechtvaardigheidsliteratuur onder meer op een uitgave binnen het project Prettig Contact met de Overheid van Van den Bos & Van der Velden 2013; en het literatuuroverzicht van Grootelaar, Hulst & Van den Bos 2019. Voor perspectieven op crisismanagement putte ik veel uit het handboek The Politics of Crisis Management van Boin e.a. 2017. Hiernaast heb ik in de voetnoten waar mogelijk verwezen naar de oorspronkelijke onderzoeken en bronnen over de specifieke aspecten van de behoeften van gedupeerden waar deze overzichtsstudies zich op baseerden.
Zie Lindenbergh WPNR 2010.
En daar kan dan ook over worden geprocedeerd: ABRvS 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0993.
Zie hierover verder NIMBY (not in my backyard)-literatuur: Popper 1981; Rabe 1994; Hunter & Leyden 1995.
De literatuur over vertrouwen in de overheid biedt handreikingen voor betrouwbaar overheidsbeleid en -handelen in het algemeen, maar kent geen focus op gefaciliteerde schade. In dit hoofdstuk richt ik mij daarom op literatuur over deze context. De burgers die in dit onderzoek centraal staan, zijn (mede) door het handelen van hun overheid gedupeerden geworden. Zij zullen daarom mogelijk andere, meer specifieke, behoeften en verwachtingen hebben dan naar voren komt in de literatuur over betrouwbaar overheidsbeleid.
In diverse literatuur wordt stilgestaan bij behoeften van gedupeerden en hun ervaringen met verschillende vormen en onderdelen van schadebeleid.1 Ook deze bevindingen sluiten niet één-op-één aan bij de focus van dit onderzoek: deze literatuur is gericht op ervaringen en behoeften van gedupeerden en slachtoffers in allerlei omstandigheden, waardoor de focus op door de overheid gefaciliteerde schade veelal ontbreekt. Desondanks kunnen deze studies een tweede bouwsteen vormen voor het theoretisch kader rond vertrouwenwekkend schadebeleid zoals in hoofdstuk 4 wordt uiteengezet. Uit deze literatuur is namelijk, vergelijkbaar met de opzet van het vorige hoofdstuk, een drietal hoofdstromingen of kernbehoeften van gedupeerden te distilleren. Gedupeerden hebben blijkens de literatuur behoefte aan erkenning en vergoeding van hun schade; tevens wensen zij een rechtvaardige behandeling te ervaren; en zij hebben behoefte aan voldoende informatie en zingeving over het hoe, wat, en waarom van de schade. In par. 3.1 onderbouw ik deze behoeften op basis van de beschikbare literatuur.
Ik sluit in dit onderzoek aan bij de gangbare definitie van schade als juridisch begrip: alles dat voor burgers door overheidsprojecten of -beleid nadeliger uitpakt, dan als dat project of beleid er niet was geweest; er is leed ontstaan, of een bepaalde toestand, en dat leed dient hersteld te worden.2 Ik richt mij niet alleen op bouwschade of andere vormen van materiële schade zoals waardedaling, maar ook op immateriële schade zoals overlast of verminderde leefbaarheid. Dat betekent overigens dat veel overheidsbeleid schade kan opleveren; er is immers veel beleid waardoor een bepaalde groep in een (marginaal) slechtere positie belandt – zelfs het verplaatsen van een bushokje kan al problemen opleveren.3 Desondanks acht de overheid de gevolgen van dat soort beleidsbeslissingen veelal acceptabel na een belangenafweging: omwille van het algemeen belang wordt (beperkte) schade voor een bepaalde groep toegestaan of gefaciliteerd, zodat vliegvelden, windturbineparken, snelwegen, gevangenissen of asielzoekerscentra toch ergens kunnen worden geplaatst.4 Mijn onderzoek richt zich in het bijzonder op grootschalige overheidsprojecten, waarbij tevens private actoren een rol spelen: de overheid is zelden de directe schadeveroorzaker, maar faciliteert de schade, door een private actor via bijvoorbeeld een vergunning of ontheffing toestemming te verlenen schade te veroorzaken.
Nederland kent een juridisch systeem dat schadesoorten classificeert en afhankelijk van de oorzaak en aard bepaalde vergoedingen toekent. In de uiteenzetting van dat systeem in par. 3.2 komt echter een aantal onderdelen van het geldende schadevergoedingsrecht naar voren dat het voor burgers ingewikkeld kan maken om schadevergoeding van de overheid te ontvangen. Als de overheid een indirecte schadeveroorzaker is, zoals in de situaties bestudeerd in dit onderzoek, lijken coulancebetalingen (ook wel onverplichte tegemoetkomingen) de meest laagdrempelige manier om gedupeerden een vergoeding van overheidswege te bieden.
In paragraaf 3.3 blik ik terug op de drie pijlers van het geldende schadevergoedingsrecht: op welke wijze kunnen gedupeerden na door de overheid gefaciliteerde schade pogen om aan een vergoeding te komen, en welke knelpunten ondervinden zij daarin? Ik sluit af met een beknopte samenvatting van de behoeften van gedupeerden, die samen met de elementen van betrouwbaar overheidsbeleid dienen als basis voor het geïntegreerde kader van vertrouwenwekkend schadebeleid dat wordt beschreven in hoofdstuk 4.
3.1 Behoeften van gedupeerden3.2 Het geldende schadevergoedingsrecht3.3 Terugblik: het geldende schadevergoedingsrecht en behoeften van gedupeerden