Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.4.7.2
9.4.7.2 De ontwikkeling van hoofdelijkheid in het Nederlandse recht
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648975:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreidere behandeling van deze discussie Van Boom 1999.
Van Boom 1999, p. 10 e.v.
HR 3 mei 1901, W. 7601 (Jansen van Oist/Ariese). “( ) dat art. 1318 BW in dit geval niet toepasselijk is, omdat hier geene hoofdelijke verbintenis in den zin van art. 1316 aangenomen kan worden; dat toch, wanneer onderscheidene op zichzelf staande onrechtmatige daden aanleiding geven tot eene verplichting om de uit die daden ontstane schade te vergoeden, er niet bestaat eene enkel verbintenis met meerdere schuldenaren, maar zoveele verbintenissen als er zelfstandig aansprakelijke personen zijn, die met elkander door geen rechtsband verbonden worden, zij het ook dat het voorwerp van ieders verbintenis hetzelfde is.”
Van Boom 1999, p. 11: “Het arrest werd door de doctrine op dit punt vrijwel geheel genegeerd. Kort nadien schreef de een (zonder enige vermelding van het arrest) dat “de leer van de eenheid der verbintenis ( ) haar gezag goeddeels [heeft] verloren”, terwijl andere auteurs het arrest min of meer doodzwegen.13 Slechts een enkeling ging uitdrukkelijk met de Hoge Raad in discussie.”
Parl. Gesch. Boek 6, p. 95.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 106.
Onder het oude Nederlandse Burgerlijk Wetboek van 1838, heeft het Nederlandse recht een ontwikkeling doorgemaakt die vergelijkbaar is met de ontwikkelingen onder het Franse recht. Onder de oude bepaling inzake hoofdelijkheid, artikel 1316 BW (oud), bestond reeds de discussie over de vraag of hoofdelijkheid betekende dat er een verbintenis was of dat er evenveel verbintenissen waren als hoofdelijk schuldenaren. Daarnaast was de vraag of er naast de wettelijke vorm van hoofdelijkheid ruimte was voor andere (buitenwettelijke) vormen van hoofdelijkheid.1
Van Boom concludeert dat er altijd discussie heeft bestaan met betrekking tot de uniteitsleer en dat de wet op dit vlak nooit helder is geweest.2
De Nederlandse wetgever heeft zich nooit duidelijk uitgelaten over de vraag of er slechts één vorderingsrecht bestaat of dat er evenveel vorderingsrechten als schuldenaren zijn. Van Boom concludeert daarom dat niet kan worden geconcludeerd dat sprake was van een vorderingsrecht, noch van meerdere vorderingsrechten.
De Hoge Raad heeft in 1901 over de hoofdelijke aansprakelijkheid aangegeven dat geen sprake is van hoofdelijkheid wanneer er evenveel verbintenissen als schuldenaren zijn.3 Aan dit arrest werd echter weinig gevolg gegeven.4
Meijers, de grondlegger van het nieuwe Burgerlijk Wetboek dat in 1992 werd ingevoerd, deelde de visie van de Hoge Raad niet. Hoewel Meijers een voorstander was van hoofdelijke verbintenissen met een zelfstandig karakter, komt dit niet duidelijk tot uitdrukking in het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Artikel 6:6 BW heeft het weliswaar niet over hetzelfde vorderingsrecht maar wel over dezelfde schuld:
Artikel 6:6 BW
Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn.
Is de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden.
Volgens De Kok gaat het huidige Burgerlijk Wetboek uit van de pluraliteitsleer en, ondanks het feit dat de schijn mogelijk anders doet vermoeden, gaat het huidige Burgerlijk Wetboek niet uit van de uniteitsleer. Van Boom vind deze begripskeuze ongelukkig en oppert dat beter gekozen had kunnen worden voor het begrip “prestatie”. Het gaat volgens Van Boom om meerdere verbintenissen met hetzelfde prestatie-object.
Nu de wet onduidelijk is, is het verkieslijk om de toelichting op de wet te raadplegen. De Toelichting Meijers bij afdeling 6.1.2 BW vermeldt het volgende:5
“De crediteur heeft tegen ieder der schuldenaren een in vele opzichten zelfstandig vorderingsrecht, maar deze vorderingsrechten vormen tezamen slechts één post in het vermogen van de schuldeiser.”
Uit deze frase kan worden geconcludeerd dat er weliswaar een bepaalde samenhang bestaat tussen de verschillende hoofdelijke vorderingsrechten, maar duidelijk wordt benoemd dat er meerdere vorderingsrechten zijn. De samenhang lijkt niet te zitten aan de zijde van de schuldenaren; van enige lotsverbondenheid blijkt uit deze frase niets. Dat dit plaatje er aan de zijde van de schuldeiser anders uit ziet, is niet verwonderlijk. De schuldeiser heeft maar één post in zijn vermogen. In tegenstelling tot de eerste zinsnede, waar de juridische term vorderingsrecht wordt gebruikt, lijkt de tweede zinsnede meer een economische lading te hebben dan een juridische. De term ‘post’ doet eerder denken aan de term ‘balanspost’ en niet direct aan de term ‘vorderingsrecht’. De aanspraak van de schuldeiser is nooit groter dan één keer de gehele vordering. Ongeacht welk vorderingsrecht hij inroept, de schuldeiser heeft nooit recht op meer dan één keer het totaal verschuldigde bedrag.
In de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer wordt nogmaals bevestigd dat er in geval van hoofdelijkheid sprake is van meerdere vorderingsrechten en dat deze vorderingsrechten een zelfstandig karakter hebben:6
“Zoals in de toelichting wordt uiteengezet is het uitgangspunt van de onderhavige regeling immers dat hoofdelijke verbondenheid aan de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens ieder van de schuldenaren niet het zelfstandige karakter ontneemt.”
De hoofdelijkheid is reeds in de groepsvrijstellingsregeling opgenomen voor de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992. Met de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek is de uniteitsleer eigenlijk pas door de wetgever aanvaard. Waar de wetgever eerder geen keuze maakte voor pluraliteit of uniteit en de Hoge Raad zich had uitgesproken voor uniteit, was er vanaf 1992 geen ruimte meer voor uniteit en verdween de eventuele ruimte voor enige flexibiliteit binnen de hoofdelijkheid. De inhoud van het groepsregime en de gevolgen daarvan veranderden ingrijpend. Zonder dat iemand daarbij stil had gestaan.