Bij het kunnen inlezen van dit oordeel neem ik mede in aanmerking dat de onder 2.5 tot en met 2.7 weergegeven verzoeken tot schadevergoeding noch het verweer van de verdediging dienaangaande zijn toegespitst op enige andere in art. 6:106 BW vermelde grond. Anders was dat bijvoorbeeld in HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:764, HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:263, en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:33. In die zaken liet de Hoge Raad de toewijzing van de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partijen niet in stand en achtte daartoe van belang “dat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft gebaseerd.”
HR, 21-01-2025, nr. 23/00819
ECLI:NL:HR:2025:30
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-01-2025
- Zaaknummer
23/00819
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:30, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1148
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3776
ECLI:NL:PHR:2024:1148, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:30
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑02‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0021
PS-Updates.nl 2025-0094
Uitspraak 21‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Poging tot zware mishandeling van politieambtenaren, meermalen gepleegd (art. 302.1 jo. 304.1.3 Sr). Vorderingen benadeelde partijen t.z.v. immateriële schade (art. 6:106 BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregelen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. aantasting in persoon ‘op andere wijze’. In art. 6:106 BW bedoelde billijkheid geeft rechter bepaalde mate van vrijheid bij bepalen van hoogte van verschuldigde schadevergoeding, maar enkele verwijzing naar billijkheid volstaat niet ter motivering van oordeel dat zich geval voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook enkele omstandigheid dat (hoogte van) schadevergoeding niet is weersproken of dat verdediging zich aan oordeel van rechter heeft gerefereerd, volstaat niet. Weliswaar zal rechter, als verdachte vordering b.p. niet (gemotiveerd) betwist, uitgaan van juistheid van daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal vordering in de regel worden toegewezen, maar dat is anders als vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in wet kan niet worden toegewezen (vgl. HR:2019:1465). Hof heeft vorderingen tot vergoeding van immateriële schade toegewezen. Mede in aanmerking genomen dat uit motivering van zijn oordeel niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door hof vastgestelde omstandigheden toewijzing is gebaseerd, is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. Daarom kan ook oplegging van schadevergoedingsmaatregelen niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. vorderingen b.p.’s en oplegging schadevergoedingsmaatregelen en terugwijzing. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00819
Datum 21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2023, nummer 23-004271-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 16 september 2018 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 3] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 4] (allen verbalisant politie Noord-Holland) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen hebbende hij (toen voornoemde verbalisanten in de woning van verdachte waren ter aanhouding van verdachte) een houten ladeblok en een plank en meermalen een baksteen met kracht naar voornoemde agenten gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 16 september 2018 betreden verschillende verbalisanten ter aanhouding van de verdachte diens woning. De verdachte bevindt zich op dat moment op de eerste verdieping. Verbalisanten [benadeelde 3] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] willen via de trap naar boven naar de verdachte. Enkel verbalisant [benadeelde 3] draagt op dat moment een helm. [benadeelde 2] en [benadeelde 1] hebben een schild. Terwijl de verbalisanten bij de trap staan gooit de verdachte een ladeblok, een houten plank en enkele bakstenen naar beneden. Eén van de bakstenen raakt daarbij de helm van verbalisant [benadeelde 3] , die op dat moment met een wapenschild in zijn hand vooraan op de trap staat.
[benadeelde 3] verklaart hierover dat hij met zijn hond en twee collega's met schild de woning betrad. Hij zag een wenteltrap naar de eerste verdieping. Hij zag dat er een houten kastje naar beneden viel en vlak naast de collega’s terecht kwam. Hij riep de collega’s toe zich terug te trekken en hem het schild te geven. Hij zag vervolgens een steen en een stuk hout naar beneden vallen. Hij schat de afmetingen van de steen op 30 x 10 x 10 centimeter. De steen had scherpe hoeken. Hij liep de trap op en voelde een harde klap op de linkerzijde van zijn helm en zag naast zich een soortgelijke steen vallen. Na de aanhouding van de verdachte heeft [benadeelde 3] zijn ME-helm gecontroleerd en zag dat deze beschadigd was.
Verbalisant [benadeelde 1] verklaart dat hij zag dat een man een ladeblok in zijn handen vasthield en met kracht in zijn richting naar beneden gooide. Hij kon met zijn schild het ladeblok afweren, waardoor hij kon voorkomen dat het ladeblok op hem terecht kwam. Hierna is hij achter hondengeleider [benadeelde 3] en zijn hond aangelopen. Hij gaf zijn schild aan [benadeelde 3] die een helm op had. Vervolgens zag hij dat meerdere bakstenen met een behoorlijke snelheid naar beneden werden gegooid. Deze bakstenen kon hij ontwijken.
Verbalisant [benadeelde 2] verklaart dat hij naar de trap naar de eerste verdieping ging en er een man boven aan de trap zag staan. Hij zag dat de man een ladeblok in zijn handen had en dat hij dit met kracht naar beneden gooide in zijn richting. Hij moest opzij stappen om te voorkomen dat het ladeblok op hem terecht kwam. Hierna is hij achter [benadeelde 3] aangelopen de trap op. Hij zag dat meerdere bakstenen met een behoorlijke snelheid van boven naar beneden werden gegooid. Deze bakstenen kon hij ontwijken, maar werden wel in zijn richting dan wel de richting van [benadeelde 3] gegooid.
Verbalisant [benadeelde 4] heeft verklaard dat zij plotseling een ladeblok naar beneden zag komen. Zij zag dat [benadeelde 1] met het schild dat ladeblok afweerde. Ze zag ook dat er drie stenen vanaf de eerste verdieping naar beneden werden gegooid en dat een van die stenen collega [benadeelde 3] op zijn helm raakte. Zij moest uitwijken om niet geraakt te worden.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft getracht de verbalisanten opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke vorm, van het leven te beroven. Uit het dossier blijkt niet waar de verschillende verbalisanten zich ten opzichte van elkaar en de verdachte bevonden toen door de verdachte met de verschillende voorwerpen werd gegooid. In het dossier bevinden zich geen foto’s van of andere informatie over de situatie ter plekke, waardoor niet kan worden vastgesteld wat de afstand van de verdachte tot de verschillende verbalisanten was op het moment dat deze met de voorwerpen gooide en dus ook niet waar en of hij de verschillende verbalisanten met de voorwerpen had kunnen raken. Zonder deze informatie kan het hof niet beoordelen of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van een of meerdere verbalisanten. Hierbij is ook van belang dat uit de stukken niet blijkt hoe groot en zwaar het ladeblok was waarmee de verdachte als eerste heeft gegooid en waar de verschillende verbalisanten stonden op het moment dat dit ladeblok werd gegooid. Voorts is van belang dat verbalisant [benadeelde 3] nadat het ladeblok naar beneden was gegooid vooraan op de trap stond en een helm en een schild droeg, waardoor er op dat moment geen aanmerkelijke kans bestond dat hij door een baksteen dodelijk aan het hoofd kon worden geraakt en onvoldoende duidelijkheid bestaat over de situatie ter plaatse om te kunnen beoordelen of op dat moment een of meer andere verbalisanten mogelijk dodelijk getroffen zouden kunnen worden.
Uit de bovenstaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte terwijl hij op de eerste verdieping van zijn woning was en verbalisanten op of onderaan de trap stonden met kracht een ladeblok, houten plank en bakstenen in de richting van verbalisanten heeft gegooid. Alle verbalisanten moesten voorwerpen ontwijken om te voorkomen dat ze zouden worden geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat als een persoon met kracht door een baksteen, houten plank of ladeblok op het hoofd of het lichaam wordt geraakt de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel in het leven wordt geroepen. De gedragingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.”
2.2.3
Bij de stukken bevindt zich een “Verzoek tot Schadevergoeding” met bijlagen van de in het cassatiemiddel genoemde benadeelde partijen. Dit formulier houdt telkens onder meer in:
“Immateriële schade (smartengeld)
(...)€ 300 Conform onderbouwing in de begeleidende brief.”
2.2.4
De in dat formulier genoemde begeleidende brieven houden telkens onder meer in:
“Het persoonlijk relaas van iedere benadeelde partij is weergegeven in bijlage 1. (...)
Algemeen beeld gevolgenVan politieambtenaren mag worden verwacht dat zij weerbaarder zijn dan de doorsnee burger en daarom beter kunnen omgaan met angsten ten gevolge van gevaarlijke situaties. Uit de reacties van bovenvermelde collegae is mij echter gebleken dat de acties van de verdachte [verdachte] over het algemeen een diepe indruk op de collegae hebben gemaakt. Al deze collegae hebben een moment van hevige angst en schrik gehad, zowel tijdens als na het incident. Zij hebben allemaal de tijd moeten nemen om tot bezinning te komen. Bij alle leven, ook nu nog, gevoelens van onmacht en frustratie. Daarnaast hebben allen meerdere dagen geworsteld met ‘wat als’ vragen. Bij allen is er het besef dat het eigenlijk een wonder is dat er bij hun zelf geen sprake is van fysiek letsel of erger. Om een beeld te schetsen geef ik hieronder het relaas van collega [benadeelde 3] . Dat is de collega hondengeleider die als eerste de trap op ging.
“Toen ik zag dat er een ladenblok van de eerste verdieping naar beneden werd gegooid heb ik onmiddellijk de collega's die aanstalten maakten om naar boven te gaan teruggetrokken. Ik zette mijn helm op, pakte een lexaan schild van een collega en ging de trap op. Ik voelde plotseling een flinke klap op mijn helm en in mijn nek. Ik zag een straatklinker naast mij op de begane grond vallen. De verdachte die zich op de eerste verdieping bevond gooide hiervan enkele doelbewust en met opzet naar mij en mijn collega’s om te pogen ons letsel toe te brengen. Ik zag dat er enkele straatklinkers waren klaargelegd. De verdachte had deze met voorbedachten rade daar neergelegd.
Na de uiteindelijke aanhouding van de verdachte voelde ik een enorme frustratie dat we onvoldoende toegerust zijn in zulke situaties. Ik maak mij zorgen om collega’s die geen helm hebben. Ik kan die veiligheid niet garanderen. Dat speelt nóg door mijn hoofd. Thuisgekomen heeft het hele incident in mijn hoofd nog een keer de revue gepasseerd. Ik heb er een week slecht van geslapen omdat ik er steeds aan moest denken. Het is een herinnering die voortdurend gereactiveerd wordt. Dat proces continueert, het stopt niet.
Nu, twee en halve maand na het incident stel ik mijzelf nog steeds de ‘wat als’ vragen. Als ik mijn helm niet had opgezet had die straatklinker vol mijn hoofd geraakt. Ik zou echt gestrekt neergegaan zijn. Mijn diensthond had in dat geval ongecontroleerd zijn gang kunnen gaan, met alle gevolgen van dien. Mijn hond had ik al ‘gesteld’. Hij is dan gefocust om te willen bijten.
Het houdt mij mentaal nog steeds bezig. Als ik het erover heb, voel ik de emotie binnenkomen. Ik word er onrustig van. Ik voel de frustratie dat er op dat moment heel veel geweld tegen politieambtenaren werd toegepast. Ik ben ook vol ongeloof dat het geweld niet ophield. Ik besef dat de gevolgen voor mij en mijn collega’s niet te overzien waren geweest. Het was een gevaarlijke situatie. Ik word er ook continue aan herinnerd door de media als er soortgelijke incidenten plaatsvinden.
Als ik nu thuiskom zijn de eerste twee die ik knuffel, mijn vrouw en mijn kind.”
Zoals uit het bovenstaande en ook de volledige persoonlijke relazen van de overige collegae blijkt, zijn zij allen geschaad in hun welbevinden. De verdachte is daarvoor verantwoordelijk te houden.”
2.2.5
De bij de begeleidende brieven gevoegde bijlage 1 houdt als “persoonlijk relaas” van de betreffende benadeelde partijen in:
“ – Persoonlijk relaas [benadeelde 4] , hoofdagent.
We hebben in een kleine ruimte gewerkt waarin verschillende voorwerpen mij/ons om de oren vlogen.
Verder heb ik mij zeer onzeker over de situatie gevoeld, en dan gericht op de veiligheid van mij en mijn collega's. Wij hebben in een kleine ruimte gewerkt met veel mensen, in het donker, met veel geweld. Er vlogen verschillende voorwerpen om onze oren welke dodelijk hadden kunnen zijn als een van ons het gekopt had. Ik ben mij hier zeer van bewust. Ook door het zien van de impact op de collega’s. We hebben steeds stappen dichter moeten zetten naar een man waarvan wij wisten dat hij helemaal van het padje was. En waarvan ik op een gegeven moment zelf mogelijk een bijl, of gelijkend voorwerp, bij zag. Bij de uiteindelijke aanhouding heb ik ook nog met de verdachte liggen knokken.
Tijdens het incident heb ik mij zeer onveilig gevoeld over zowel mijzelf en mijn collega’s. Deze melding heeft dan ook zeker indruk op mij gemaakt. Helemaal na het landen en vervolgens de aangifte van poging doodslag/moord.
Negen dagen na het incident hebben wij met de betrokken collega’s het filmpje van de bodycam gezien. Zelf dacht ik dat het veel langer geduurd had dan het in werkelijkheid was. Het voelde voor mij nog steeds als een pittige situatie. Ik besefte dat wij er goed vanaf zijn gekomen, het had heel anders kunnen aflopen. Als collega [benadeelde 3] zijn helm niet had opgedaan was hij niet meer onder ons.
Ik denk er nu nog wel aan bij sommige meldingen, bijvoorbeeld geluidsoverlast in de nacht. Ik ben na het incident scherper en voorzichtiger geworden. Ik houd meer afstand. Mijn beeld is veranderd; dat er mensen zijn die zich zo gedragen om een ander letsel toe te brengen. Ik heb dit als heel dichtbij ervaren. Ik kon niet terug.
Aan het incident heb ik twee dagen een stijve nek overgehouden. Ik heb twee keer twee pijnstillers hiertegen ingenomen. Hiervoor ben ik niet naar de dokter geweest, de pijn zakte na die twee dagen langzaam weg. Ik sport normaal elke dag, maar dat kon ik die twee dagen niet.
– Persoonlijk relaas [benadeelde 1] , hoofdagent.
Ik heb naar aanleiding van het incident op de [a-straat] veel nagedacht over het incident. Ik heb er gelukkig geen letsel overgehouden. Maar van een psychische belasting kun je wel spreken. Tijdens het werk en de instap in de woning stond ik daar helemaal niet bij stil. Toen ik het ladeblok op mij af kreeg of de stenen naast mij zag vallen, heb ik doorgezet en heb ik het werk gedaan wat van mij wordt verlangd. Eenmaal thuis, en toen ik mijn vier weken oude dochtertje vasthield, merkte ik dat ik eraan dacht dat het anders had kunnen aflopen. Het heeft mij zeker een week bezig gehouden. Vooral ’s nachts heb ik er veel over nagedacht. Vooral de ‘what if’ scenario’s hielden mij bezig. Wat als de stenen of de ladekast mij of mijn hoofd daadwerkelijk hadden geraakt, zoals klaarblijkelijk de bedoeling was, had ik dit in het ergste geval nooit meer na kunnen vertellen. Dan had mijn dochter in 1 klap geen vader meer gehad en is mijn vrouw plotseling alleenstaande moeder. Het incident raakt mij op zo’n manier dat het zomaar afgelopen kan zijn. Ook het gevoel van onmacht. Dat heb ik er aan over gehouden.
Er wordt van mij verwacht te handelen in de meest extreme situatie en dat heb ik dus ook gedaan. En ik ben ontzettend opgelucht dat ik het er op deze manier vanaf heb kunnen brengen. Ik zal mijn werk blijven uitvoeren zoals dat van mij verwacht en verlangd wordt. Maar zoiets als dit gaat mij niet in de koude kleren zitten.
– Persoonlijk relaas [benadeelde 2] , hoofdagent.
Ik ben betrokken geweest bij de aanhouding van verdachte [verdachte] . Hij heeft, tijdens de poging hem aan te houden, een ladenblok vanaf de eerste verdieping via de trap naar beneden gegooid. Dit werd gedaan nadat wij de trap op kwamen lopen. Ik zag het ladenblok met snelheid mijn kant op komen. Ik bevond mij samen met collega [benadeelde 1] op de eerste treden van de trap. Collega [benadeelde 1] hield voor zich een lexaanschild. Middels dit schild is de baan van het ladenblok dat onze kant op werd gegooid veranderd en heeft het ons niet geraakt.
Tevens gooide [verdachte] bakstenen vanaf de eerste verdieping naar beneden in onze richting.
Achteraf kwam het besef bij mij pas binnen dat ik heel veel geluk heb gehad. Ik besefte mij toen ook pas dat als wij zonder schild naar boven waren gelopen ik dodelijk gewond had kunnen raken. Dit beangstigde mij enorm. Ik heb hier de week na het incident nog meerdere malen aan moeten denken.
Ik begreep later dat mijn collega hondengeleider [benadeelde 3] , die een ME-helm droeg, een baksteen vol op/tegen zijn helm kreeg. Ik was in eerste instantie zelf voornemens om via de trap naar de eerste verdieping te lopen. Dit werd gewijzigd nadat er een ladenblok naar beneden werd gegooid. Als ik dus als eerste naar boven was gegaan, dan had ik die steen tegen mijn hoofd aan gekregen. Ik besefte op een later moment dat ik behoorlijk wat letsel had op kunnen lopen. Deze gedachten zijn in de week na het incident nog meerdere malen door mijn hoofd gegaan. Ik had achteraf dan ook het gevoel dat ik door het oog van de naald ben gekropen. Achteraf heb ik ook meerdere malen gedacht aan situaties uit het land waarbij collega’s ernstig gewond zijn geraakt bij geweldsincidenten. Vooral de nasleep voor de collega’s waarbij dit is overkomen spookte door mijn hoofd.
Ik ben nu inmiddels bijna 14 jaar werkzaam bij de politie. Ik heb in al die tijd gelukkig nog niet eerder met dit soort excessief geweld te maken gehad.”
2.2.6
Het arrest van het hof houdt over de vorderingen van de in het cassatiemiddel genoemde benadeelde partijen in:
“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij dezelfde beslissing wordt genomen als in eerste aanleg is gedaan.
De raadsman heeft zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Deze schade is door of namens de verdachte niet betwist en zij komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid vaststellen op € 300,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:- de aard en de ernst van de normschending;- de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden toegekend.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij dezelfde beslissing wordt genomen als in eerste aanleg is gedaan.
De raadsman heeft zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Deze schade is door of namens de verdachte niet betwist en zij komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid vaststellen op € 300,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
- de aard en de ernst van de normschending;
- de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden toegekend.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij dezelfde beslissing wordt genomen als in eerste aanleg is gedaan.
De raadsman heeft zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Deze schade is door of namens de verdachte niet betwist en zij komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid vaststellen op € 300,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
- de aard en de ernst van de normschending;
- de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden toegekend.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij dezelfde beslissing wordt genomen als in eerste aanleg is gedaan.
De raadsman heeft zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Deze schade is door of namens de verdachte niet betwist en zij komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid vaststellen op € 300,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
- de aard en de ernst van de normschending;
- de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden toegekend.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”
2.3
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
- Artikel 6:95 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):
“De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.”
- Artikel 6:106 BW:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
(...).”
2.4
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.4.5 Van (...) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
(...)
2.8.3
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.”
2.5
De in artikel 6:106 BW bedoelde billijkheid geeft de rechter een bepaalde mate van vrijheid bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding, maar een enkele verwijzing naar de billijkheid volstaat niet ter motivering van het oordeel dat zich een van de hiervoor bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de enkele omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding niet is weersproken of dat de verdediging zich aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, volstaat daartoe niet. Weliswaar zal de rechter, in het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. artikel 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, maar dat is anders als de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen. (Vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465.)
2.6
Het hof heeft de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de in het cassatiemiddel genoemde benadeelde partijen toegewezen tot een bedrag van telkens € 300, vermeerderd met de wettelijke rente. Mede in aanmerking genomen dat uit de motivering van zijn oordeel niet kan worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van deze vorderingen heeft gebaseerd, is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregelen niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).
2.7
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis en wat betreft de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 114 uren beloopt, subsidiair 57 dagen hechtenis;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregelen opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Wederspannigheid en poging zware mishandeling door ME-agenten in trappenhuis o.a. een baksteen en ladeblok toe te werpen. 1. Vorderingen benadeelde partijen t.z.v. immateriële schade. Kunnen de vaststellingen van het hof het oordeel dragen dat sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’? 2. Klacht over overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt ertoe de duur van de opgelegde straf te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf en het beroep voor het overige te verwerpen.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00819
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 16 februari 2023 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. subsidiair "poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd" en 3. “wederspannigheid”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis. Ook heeft het hof beslissingen genomen over het beslag en heeft het de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen zoals in het arrest vermeld.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
Het middel heeft betrekking op het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde en klaagt over de toewijzing door het hof van de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingen.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij op 16 september 2018 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 3] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 4] (allen verbalisant politie NoordHolland) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen hebbende hij (toen voornoemde verbalisanten in de woning van verdachte waren ter aanhouding van verdachte) een houten ladeblok en een plank en meermalen een baksteen met kracht naar voornoemde agenten gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
2.3
De verdachte heeft het bewezenverklaarde bekend, zodat het hof heeft volstaan met een verkorte opgave van de bewijsmiddelen. Voor de inhoud daarvan verwijs ik kortheidshalve naar het arrest van het hof.
2.4
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:
“Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 16 september 2018 betreden verschillende verbalisanten ter aanhouding van de verdachte diens woning. De verdachte bevindt zich op dat moment op de eerste verdieping. Verbalisanten [benadeelde 3] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] willen via de trap naar boven naar de verdachte. Enkel verbalisant [benadeelde 3] draagt op dat moment een helm. [benadeelde 2] en [benadeelde 1] hebben een schild. Terwijl de verbalisanten bij de trap staan gooit de verdachte een ladeblok, een houten plank en enkele bakstenen naar beneden. Eén van de bakstenen raakt daarbij de helm van verbalisant [benadeelde 3] , die op dat moment met een wapenschild in zijn hand vooraan op de trap staat.
[benadeelde 3] verklaart hierover dat hij met zijn hond en twee collega's met schild de woning betrad. Hij zag een wenteltrap naar de eerste verdieping. Hij zag dat er een houten kastje naar beneden viel en vlak naast de collega’s terecht kwam. Hij riep de collega’s toe zich terug te trekken en hem het schild te geven. Hij zag vervolgens een steen en een stuk hout naar beneden vallen. Hij schat de afmetingen van de steen op 30 x 10 x 10 centimeter. De steen had scherpe hoeken. Hij liep de trap op en voelde een harde klap op de linkerzijde van zijn helm en zag naast zich een soortgelijke steen vallen. Na de aanhouding van de verdachte heeft [benadeelde 3] zijn ME-helm gecontroleerd en zag dat deze beschadigd was.
Verbalisant [benadeelde 1] verklaart dat hij zag dat een man een ladeblok in zijn handen vasthield en met kracht in zijn richting naar beneden gooide. Hij kon met zijn schild het ladeblok afweren, waardoor hij kon voorkomen dat het ladeblok op hem terecht kwam. Hierna is hij achter hondengeleider [benadeelde 3] en zijn hond aangelopen. Hij gaf zijn schild aan [benadeelde 3] die een helm op had. Vervolgens zag hij dat meerdere bakstenen met een behoorlijke snelheid naar beneden werden gegooid. Deze bakstenen kon hij ontwijken.
Verbalisant [benadeelde 2] verklaart dat hij naar de trap naar de eerste verdieping ging en er een man boven aan de trap zag staan. Hij zag dat de man een ladeblok in zijn handen had en dat hij dit met kracht naar beneden gooide in zijn richting. Hij moest opzij stappen om te voorkomen dat het ladeblok op hem terecht kwam. Hierna is hij achter [benadeelde 3] aangelopen de trap op. Hij zag dat meerdere bakstenen met een behoorlijke snelheid van boven naar beneden werden gegooid. Deze bakstenen kon hij ontwijken, maar werden wel in zijn richting dan wel de richting van [benadeelde 3] gegooid.
Verbalisant [benadeelde 4] heeft verklaard dat zij plotseling een ladeblok naar beneden zag komen. Zij zag dat [benadeelde 1] met het schild dat ladeblok afweerde. Ze zag ook dat er drie stenen vanaf de eerste verdieping naar beneden werden gegooid en dat een van die stenen collega [benadeelde 3] op zijn helm raakte. Zij moest uitwijken om niet geraakt te worden.
(…)
Uit de bovenstaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte terwijl hij op de eerste verdieping van zijn woning was en verbalisanten op of onderaan de trap stonden met kracht een ladeblok, houten plank en bakstenen in de richting van verbalisanten heeft gegooid. Alle verbalisanten moesten voorwerpen ontwijken om te voorkomen dat ze zouden worden geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat als een persoon met kracht door een baksteen, houten plank of ladeblok op het hoofd of het lichaam wordt geraakt de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel in het leven wordt geroepen. De gedragingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.”
2.5
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ met betrekking tot ieder van de benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] . Deze houdt telkens onder meer in:
“4B Immateriële schade (smartengeld)
(…)
€ 300,- Conform onderbouwing in de begeleidende brief
Totaal immateriële schade: € 300,-”
2.6
De in de schadevergoedingsverzoeken genoemde begeleidende brief houdt telkens onder meer het volgende in:
“(…)
Het persoonlijk relaas van iedere benadeelde partij is weergegeven in bijlage 1.
(…)
Algemeen beeld gevolgen
Van politieambtenaren mag worden verwacht dat zij weerbaarder zijn dan de doorsnee burger en daarom beter kunnen omgaan met angsten ten gevolge van gevaarlijke situaties. Uit de reacties van bovenvermelde collegae is mij echter gebleken dat de acties van de verdachte [verdachte] over het algemeen een diepe indruk op de collegae hebben gemaakt. Al deze collegae hebben een moment van hevige angst en schrik gehad, zowel tijdens als na het incident. Zij hebben allemaal de tijd moeten nemen om tot bezinning te komen. Bij alle leven, ook nu nog, gevoelens van onmacht en frustratie. Daarnaast hebben allen meerdere dagen geworsteld met 'wat als’ vragen. Bij allen is er het besef dat het eigenlijk een wonder is dat er bij hun zelf geen sprake is van fysiek letsel of erger. Om een beeld te schetsen geef ik hieronder het relaas van collega [benadeelde 3] . Dat is de collega hondengeleider die als eerste de trap op ging.
“Toen ik zag dat er een ladenblok van de eerste verdieping naar beneden werd gegooid heb ik onmiddellijk de collega's die aanstalten maakten om naar boven te gaan teruggetrokken. Ik zette mijn helm op, pakte een lexaan schild van een collega en ging de trap op. Ik voelde plotseling een flinke klap op mijn helm en in mijn nek. Ik zag een straatklinker naast mij op de begane grond vallen. De verdachte die zich op de eerste verdieping bevond gooide hiervan enkele doelbewust en met opzet naar mij en mijn collega’s om te pogen ons letsel toe te brengen. Ik zag dat er enkele straatklinkers waren klaargelegd. De verdachte had deze met voorbedachten rade daar neergelegd. Na de uiteindelijke aanhouding van de verdachte voelde ik een enorme frustratie dat we onvoldoende toegerust zijn in zulke situaties. Ik maak mij zorgen om collega’s die geen helm hebben. Ik kan die veiligheid niet garanderen. Dat speelt nóg door mijn hoofd. Thuisgekomen heeft het hele incident in mijn hoofd nog een keer de revue gepasseerd. Ik heb er een week slecht van geslapen omdat ik er steeds aan moest denken. Het is een herinnering die voortdurend gereactiveerd wordt. Dat proces continueert, het stopt niet.
Nu, twee en halve maand na het incident stel ik mijzelf nog steeds de ‘wat als’ vragen. Als ik mijn helm niet had opgezet had die straatklinker vol mijn hoofd geraakt. Ik zou echt gestrekt neergegaan zijn. Mijn diensthond had in dat geval ongecontroleerd zijn gang kunnen gaan, met alle gevolgen van dien. Mijn hond had ik al 'gesteld'. Hij is dan gefocust om te willen bijten
Het houdt mij mentaal nog steeds bezig. Als ik het erover heb, voel ik de emotie binnenkomen. Ik word er onrustig van. Ik voel de frustratie dat er op dat moment heel veel geweld tegen politieambtenaren werd toegepast. Ik ben ook vol ongeloof dat het geweld niet ophield. Ik besef dat de gevolgen voor mij en mijn collega’s niet te overzien waren geweest. Het was een gevaarlijke situatie. Ik word er ook continue aan herinnerd door de media als er soortgelijke incidenten plaatsvinden.
Als ik nu thuiskom zijn de eerste twee die ik knuffel, mijn vrouw en mijn kind.”
Zoals uit het bovenstaande en ook de volledige persoonlijke relazen van de overige collegae blijkt, zijn zij allen geschaad in hun welbevinden. De verdachte is daarvoor verantwoordelijk te houden. (…)”
2.7
Bij de onder 2.6 weergegeven begeleidende brief is telkens een gelijkluidende bijlage 1 gevoegd. Die bijlage houdt onder meer het volgende in:
“Persoonlijk relaas [benadeelde 4] , hoofdagent.
“We hebben in een kleine ruimte gewerkt waarin verschillende voorwerpen mij/ons om de oren vlogen.
Verder heb ik mij zeer onzeker over de situatie gevoeld, en dan gericht op de veiligheid van mij en mijn collega's. Wij hebben in een kleine ruimte gewerkt met veel mensen, in het donker, met veel geweld. Er vlogen verschillende voorwerpen om onze oren welke dodelijk hadden kunnen zijn als een van ons het gekopt had. Ik ben mij hier zeer van bewust. Ook door het zien van de impact op de collega’s. We hebben steeds stappen dichter moeten zetten naar een man waarvan wij wisten dat hij helemaal van het padje was. En waarvan ik op een gegeven moment zelf mogelijk een bijl, of gelijkend voorwerp, bij zag. Bij de uiteindelijke aanhouding heb ik ook nog met de verdachte liggen knokken.
Tijdens het incident heb ik mij zeer onveilig gevoel over zowel mijzelf en mijn collega’s. Deze melding heeft dan ook zeker indruk op mij gemaakt. Helemaal na het landen en vervolgens de aangifte van poging doodslag/moord.
Negen dagen na het incident hebben wij met de betrokken collega’s het filmpje van de body Cam gezien. Zelf dacht ik dat het veel langer geduurd had dan het in werkelijkheid was. Het voelde voor mij nog steeds als een pittige situatie. Ik besefte dat wij er goed vanaf zijn gekomen, het had heel anders kunnen aflopen. Als collega [benadeelde 3] zijn helm niet had opgedaan was hij niet meer onder ons.
Ik denk er nu nog wel aan bij sommige meldingen, bijvoorbeeld geluidsoverlast in de nacht. Ik ben na het incident scherper en voorzichtiger geworden. Ik houd meer afstand. Mijn beeld is veranderd; dat er mensen zijn die zich zo gedragen om een ander letsel toe te brengen. Ik heb dit als heel dichtbij ervaren. Ik kon niet terug.
Aan het incident heb ik twee dagen een stijve nek overgehouden. Ik heb twee keer twee pijnstillers hiertegen ingenomen. Hiervoor ben ik niet naar de dokter geweest, de pijn zakte na die twee dagen langzaam weg. Ik sport normaal elke dag, maar dat kon ik die twee dagen niet.”
Persoonlijk relaas [benadeelde 1] , hoofdagent.
Ik heb naar aanleiding van het incident op de [a-straat] veel nagedacht over het incident. Ik heb er gelukkig geen letsel overgehouden. Maar van een psychische belasting kun je wel spreken. Tijdens het werk en de instap in de woning stond ik daar helemaal niet bij stil. Toen ik het ladeblok op mij af kreeg of de stenen naast mij zag vallen, heb ik doorgezet en heb ik het werk gedaan wat van mij wordt verlangd. Eenmaal thuis, en toen ik mijn vier weken oude dochtertje vasthield, merkte ik dat ik eraan dacht dat het anders had kunnen aflopen. Het heeft mij zeker een week bezig gehouden. Vooral ’s nachts heb ik er veel over nagedacht. Vooral de ‘what if’ scenario’s hielden mij bezig. Wat als de stenen of de ladekast mij of mijn hoofd daadwerkelijk hadden geraakt, zoals klaarblijkelijk de bedoeling was, had ik dit in het ergste geval nooit meer na kunnen vertellen. Dan had mijn dochter in 1 klap geen vader meer gehad en is mijn vrouw plotseling alleen staande moeder. Het incident raakt mij op zo manier dat het zomaar afgelopen kan zijn. Ook het gevoel van onmacht. Dat heb ik er aan over gehouden.
Er wordt van mij verwacht te handelen in de meest extreme situatie en dat heb ik dus ook gedaan. En ik ben ontzettend opgelucht dat ik het er op deze manier vanaf heb kunnen brengen. Ik zal mijn werk blijven uitvoeren zoals dat van mij verwacht en verlangd wordt. Maar zoiets als dit gaat mij niet in de koude kleren zitten.”
Persoonlijk relaas [benadeelde 2] , hoofdagent.
“Ik ben betrokken geweest bij de aanhouding van verdachte [verdachte] . Hij heeft, tijdens de poging hem aan te houden, een ladenblok vanaf de eerste verdieping via de trap naar beneden gegooid. Dit werd gedaan nadat wij de trap op kwamen lopen. Ik zag het ladenblok met snelheid mijn kant op komen. Ik bevond mij samen met collega [benadeelde 1] op de eerste treden van de trap. Collega [benadeelde 1] hield voor zich een lexaanschild. Middels dit schild is de baan van het ladenblok dat onze kant op werd gegooid veranderd en heeft het ons niet geraakt.
Tevens gooide [verdachte] bakstenen vanaf de eerste verdieping van de eerste verdieping naar beneden in onze richting.
Achteraf kwam het besef bij mij pas binnen dat ik heel veel geluk heb gehad. Ik besefte mij toen ook pas dat als wij zonder schild naar boven waren gelopen ik dodelijk gewond had kunnen raken. Dit beangstigde mij enorm. Ik heb hier de week na het incident nog meerdere malen aan moeten denken.
Ik begreep later dat mijn collega hondengeleider [benadeelde 3] , die een ME-helm droeg, een baksteen vol op/tegen zijn helm kreeg. Ik was in eerste instantie zelf voornemens om via de trap naar de eerste verdieping te lopen. Dit werd gewijzigd nadat er een ladenblok naar beneden werd gegooid. Als ik dus als eerste naar boven was gegaan, dan had ik die steen tegen mijn hoofd aan gekregen. Ik besefte op een later moment dat ik behoorlijk wat letsel had op kunnen lopen. Deze gedachten zijn in de week na het incident nog meerdere malen door mijn hoofd gegaan. Ik had achteraf dan ook het gevoel dat ik door het oog van de naald ben gekropen. Achteraf heb ik ook meerdere malen gedacht aan situaties uit het land waarbij collega's ernstig gewond zijn geraakt bij geweldsincidenten. Vooral de nasleep voor de collega's waarbij dit is overkomen spookte door mijn hoofd.
Ik ben nu inmiddels bijna 14 jaar werkzaam bij de politie. Ik heb in al die tijd gelukkig nog niet eerder met dit soort excessief geweld te maken gehad”
2.8
Het arrest houdt ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen telkens het volgende in:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij dezelfde beslissing wordt genomen als in eerste aanleg is gedaan.
De raadsman heeft zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Deze schade is door of namens de verdachte niet betwist en zij komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid vaststellen op € 300,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
- de aard en de ernst van de normschending;
- de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden toegekend.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
(…)
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij (…) ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
(…)”
2.9
Het bestreden arrest houdt voorts het volgende in:
“Oplegging van straffen
(…)
De verbalisanten waren in de woning van de verdachte om hem aan te houden naar aanleiding van een incident eerder op de avond. Vervolgens verschanste de verdachte zich op de eerste verdieping en gooide een ladeblok, houten plank en bakstenen naar de verbalisanten die dan op of onderaan de trap staan. Hierbij is een van de verbalisanten geraakt tegen zijn helm. Het is een gelukkige omstandigheid dat deze verbalisant op dat moment een helm droeg, waardoor hij geen hoofdletsel heeft opgelopen. Alle verbalisanten hebben de voorwerpen moeten ontwijken om niet geraakt te worden. Hierna ontvluchtte de verdachte de woning door het raam van de eerste verdieping, waarna hij zich verzette bij de daaropvolgende aanhouding. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan pogingen tot zware mishandeling en aan wederspannigheid. Alle verbalisanten hebben beschreven dat het onvoorspelbare, ongecontroleerde en zeer agressieve gedrag van de verdachte hun gevoel van veiligheid en hun werkplezier heeft aangetast. Dit rekent het hof de verdachte zeer aan.”
2.10
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
“2.4.4 Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
2.11
In de onder 2.8 en 2.9 weergegeven overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in dit arrest onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is.1.Aan dat oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat (ten aanzien van de aard en ernst van de normschending) i) de verdachte vanaf de eerste verdieping een ladeblok, houten plank en bakstenen naar de benadeelde partijen heeft gegooid toen zij de trap op liepen om bij de verdachte te komen, waarbij een ieder van hen voorwerpen heeft moeten ontwijken om niet geraakt te worden en waarbij één van hen tegen zijn helm is geraakt, en dat (ten aanzien van de gevolgen daarvan voor de benadeelden) ii) iedere verbalisant heeft beschreven dat deze gedragingen van de verdachte hun gevoel van veiligheid en hun werkplezier heeft aangetast.
2.12
Het is de vraag of deze vaststellingen van het hof (en de overige in de verzoeken tot schadevergoeding geschetste feiten en omstandigheden) het oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kunnen dragen. In dat kader acht ik het volgende van belang.
2.13
In een recente zaak die leidde tot HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1148, kon het oordeel van het hof dat sprake was van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ de cassatietoets niet doorstaan. De Hoge Raad overwoog daartoe onder meer dat “als onderbouwing van een aantasting in de persoon op andere wijze niet [volstaat] dat de benadeelde partij te kennen heeft gegeven dat hij, kort gezegd, erg geschrokken en angstig is sinds het incident en veel spanning voelt”.2.Hoewel betoogd zou kunnen worden dat deze gevolgen niet wezenlijk verschillen van de gevolgen die door het hof in de onderhavige zaak zijn vastgesteld, ligt dit voor wat betreft de aard en ernst van de normschending anders. Zo ging het in die zaak om een verdachte die met een auto op de pui van een daklozenopvang had ingereden, waarbij de Hoge Raad belangrijke waarde hechtte aan de omstandigheid dat de benadeelde partij zich tijdens dat inrijden niet in de huiskamer met de betreffende pui bevond. In de onderhavige zaak is die directe nabijheid er wel: de benadeelde partijen zijn daadwerkelijk geraakt door de voorwerpen die hen door de verdachte werden toegeworpen of hebben deze moeten ontwijken om niet geraakt te worden.
2.14
Een zaak waarin eveneens sprake was van een minder directe en fysieke dreiging dan in de onderhavige zaak en waarin de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade geen standhield, betreft HR 20 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:941. Daarin was de benadeelde partij in een emailbericht bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Het hof had vastgesteld dat deze bedreiging grote impact op de benadeelde partij had gehad en dat zij maatregelen had moeten nemen om zichzelf te beschermen en zich veilig te voelen. De Hoge Raad oordeelde dat die vaststellingen het oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ niet kunnen dragen, “mede in aanmerking genomen dat het hof niet heeft vastgesteld waaruit die grote impact concreet bestond, terwijl uit het schadeformulier ook blijkt dat de benadeelde partij zich “thans weer redelijk veilig voelt””.
2.15
Een zaak die voor wat betreft de aard en ernst van de normschending meer vergelijkbaar is met de onderhavige zaak betreft HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1243. In die zaak had de verdachte tijdens een achtervolging opzettelijk met zijn auto op de door de benadeelde partijen bestuurde politieauto ingereden en deze politieauto van de weg gedrukt. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is “niet van een onjuiste rechtsopvatting [getuigt] en niet onbegrijpelijk [is] in het licht van de aard en ernst van de bewezenverklaarde bedreiging (…) en gelet op de onderbouwing van de door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ingediende vorderingen, onder meer inhoudende dat zij ten gevolge van de gedragingen van de verdachte voor hun leven hebben gevreesd, zij na het incident grote emotionele gevolgen hiervan hebben ondervonden en daarvan ook last hebben gehad tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden als politieagent.”
2.16
Ik merk op dat de Hoge Raad in deze zaak uit 2021 voor wat betreft de gevolgen voor de benadeelden verder kijkt dan wat het hof daarover heeft overwogen. In het hiervoor onder 2.13 besproken arrest van 10 september 2024 deed hij dat niet: als gezegd overwoog de Hoge Raad in die zaak dat “als onderbouwing van een aantasting in de persoon op andere wijze niet [volstaat] dat de benadeelde partij te kennen heeft gegeven dat hij, kort gezegd, erg geschrokken en angstig is sinds het incident en veel spanning voelt”, terwijl de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaring van de benadeelde partij ook in die zaak inhield dat hij “ernstig [vreesde] voor het leven van (…) mezelf”.3.
2.17
Mede op basis van bovengenoemde jurisprudentie van de Hoge Raad krijg ik de indruk dat de verhouding tussen de aard en ernst van de normschending enerzijds en van de gevolgen daarvan anderzijds, die samen leiden tot het oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon, niet statisch is. Een relatieve zwaarte van het ene element zou dan onder omstandigheden een relatieve lichtheid van het andere element kunnen compenseren. Meer concreet: hoe indringender de aard en ernst van de normschending, hoe eerder een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, waarbij uiteraard wel moet blijken dat die aard en ernst van de normschending voor de benadeelde(n) (enige) gevolgen met zich heeft gebracht. Dit blijken kan een vaststelling van het hof zijn, mede op basis van de onderbouwing door degene die zich op de aantasting in de persoon beroept. Het kan echter ook dat de gevolgen voor de benadeelde al voor de hand liggen door de aard en ernst van de normschending.4.
2.18
Voor de onderhavige zaak betekent dat het volgende. De gevolgen voor de benadeelden zijn onderbouwd in de onder 2.5 tot met 2.7 weergegeven verzoeken tot schadevergoeding en door het hof samengevat als een aantasting van het gevoel van veiligheid en werkplezier. Deze gevolgen zijn door de raadsman niet betwist. Hoewel, zoals gezegd, gevolgen van vergelijkbare aard en ernst in het onder 2.13 besproken arrest van 10 september 2024 voor de Hoge Raad mede reden waren de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet in stand te laten, meen ik dat het hof toch heeft kunnen oordelen dat de aard en ernst van de normschending in de onderhavige zaak samen met deze door de benadeelde partijen geschetste gevolgen hier wel volstaan om een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de benadeelden slachtoffer zijn geworden van een poging tot zware mishandeling, waarbij één van hen op zijn (met helm bedekte) hoofd is geraakt en waarbij een ieder van hen voorwerpen heeft moeten ontwijken om niet geraakt te worden. De aard en ernst van de normschending is voorts vergelijkbaar met die van de normschending in het onder 2.15 besproken arrest van de Hoge Raad van 14 september 2021, waar de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade standhield. Ik acht het oordeel van het hof in de onderhavige zaak dan ook niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
2.19
Het middel faalt.
Het tweede middel
3.1
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
3.2
Door de verdachte is op 2 maart 2023 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de gedingstukken op 9 januari 2024 ontvangen. De redelijke termijn voor het inzenden van de stukken is daarmee met ruim twee maanden overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening, zodat deze zaak in aanmerking komt voor strafvermindering.
Afronding
4.1
Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1148, rov. 3.4.
Zie HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1148, rov. 3.2.2.
De verhouding tussen de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan is, in deze visie, een gecompliceerde. Aan de ene kant vormen zij samen de constituerende elementen van de aantasting in de persoon. Aan de andere kan is er een oorzaak-en-gevolgrelatie in die zin dat de gevolgen dienen voort te vloeien uit de normschending. Een aard en ernst van de normschending van groot gewicht kan dan op twee manieren doorwerken in het oordeel dat sprake is van aantasting in de persoon. Ten eerste als die normschending zodanig is dat de relevante gevolgen daarmee al in beginsel zijn gegeven. Ten tweede als die normschending zodanig is dat ondanks relatief minder zwaarwegende gevolgen toch sprake is van een aantasting in de persoon.
Beroepschrift 15‑02‑2024
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
Hoge Raad der Nederlanden
Afdeling strafzaken
Tilburg, 14 april 2024
Griffienummer : S 23/00819
Betekening aanzegging : 15 februari 2024
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, advocaat te Tilburg, in deze zaak bijzonder gevolmachtigd door rekwirant in cassatie, de heer [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1974, om namens hem deze cassatieschriftuur te ondertekenen en in te dienen, draagt de volgende cassatiemiddelen voor tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 16 februari 2023 met parketnummer 23-004271-19.
Middel I
Schending en/of onjuiste toepassing van het recht in het bijzonder van de artikelen 51f Sv in combinatie met 6:106 BW jo 36f Sr en 359 Sv en/of verzuim van vormen die op straffe van nietigheid moeten worden nageleefd,
doordat het hof ten onrechte de vorderingen van de benadeelde partijen bij feit 1 heeft toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd voor wat betreft de door de benadeelde partijen ten aan zien van feit 1 gevorderde immateriële schade
In het bijzonder omdat het oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending meebrengt dat een aantasting in de persoon met betrekking tot de benadeelde partijen kan worden aangenomen onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Toelichting
1.
Het hof heeft ten laste van verzoeker bewezen verklaard:
- ‘1.
hij op 16 september 2018 te [a-plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 3] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 4] (allen verbalisant politie Noord-Holland) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen hebbende hij (toen voornoemde verbalisanten in de woning van verdachte waren ter aanhouding van verdachte) een houten ladeblok en een plank en meermalen een baksteen met kracht naar voornoemde agenten gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.
3.
Het hof heeft vervolgens vier vorderingen van benadeelde partijen, allen verbalisanten, toegewezen. Het betreft een toegewezen vordering van [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ter hoogte van 300 euro.
4.
De motivering ten aanzien van de toegewezen vorderingen is steeds gelijkluidend. De overweging van het hof luidt:
‘Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Deze schade is door of namens de verdachte niet betwist en zij komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid vaststellen op € 300,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
- —
de aard en de ernst van de normschending;
- —
de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden toegekend.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.’
5.
Het hof heeft, gelet op de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade, kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partijen sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in artikel 106, aanhef en onder b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), welke aantasting het gevolg is van het bewezenverklaarde feit, kort gezegd de poging zware mishandeling.
6.
In het arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft Uw Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, het volgende overwogen:
‘Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.’
7.
Het oordeel dat sprake is van zo een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu het hof niets heeft vastgesteld over de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen. Uit het arrest zelf volgt dat verzoeker, terwijl hij op de eerste verdieping van zijn woning was en verbalisanten op of onderaan de trap stonden met kracht een ladeblok, houten plank en bakstenen in de richting van verbalisanten heeft gegooid. De verbalisanten moesten voorwerpen ontwijken om te voorkomen dat ze zouden worden geraakt. De benadeelde partijen betreft allen verbalisanten die op dat moment ook werkzaam waren in de uitoefening van hun bediening. Zij droegen daarbij een schild en een ME-helm. Het hof heeft in het kader van de toegewezen vorderingen benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vervolgens niet toegelicht waarom er in dit geval sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoel in artikel 6:106 BW. Er is niet gemotiveerd op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van deze vorderingen heeft gebaseerd. De enkele omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken volstaat niet ter motivering van het oordeel dat zich een van de gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade (vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465 en HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1642). Het oordeel dat telkens sprake is van zo een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is daarmee onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
8.
Voor zover het oordeel van het hof moet worden begrepen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot alle benadeelde partijen kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor ieder van deze benadeelde partijen heeft gehad is dat oordeel eveneens niet begrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
9.
Dat brengt tevens mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).
10.
Het voorgaande brengt met zich dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
Middel II
Schending en/of verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder art. 6, eerst lid, EVRM, meer in het bijzonder het recht op berechting binnen een redelijke termijn,
doordat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Toelichting
11.
Het gerechtshof heeft op 16 februari 2023 arrest gewezen en het cassatieberoep is tijdig ingesteld op 2 maart 2023. De stukken zijn op 9 januari 2024 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden is overschreden, terwijl van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen niet is gebleken, zodat verzoeker de Hoge Raad verzoekt om de aan hem opgelegde straf te verminderen.1.
Met vriendelijke groet,
P. van de Kerkhof
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑02‑2024
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.