Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/209
Ontoereikend gemotiveerd oordeel hof nu niet blijkt op welke in art. 6:106 BW genoemde grond en op welke vastgestelde omstandigheden de toewijzing van vorderingen tot vergoeding immateriële schade is gebaseerd.
HR 21-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:30
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21 januari 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
23/00819
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Politierecht / Bijzondere onderwerpen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:30, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1148, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑02‑2024
- Wetingang
Art. 36f Sr; art. 6:95 lid 1, art. 6:106 BW
Essentie
Het hof heeft de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partijen toegewezen. Nu uit de motivering van dit oordeel niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van deze vorderingen heeft gebaseerd, is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd.
Samenvatting
De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR 24 september 2019, NJ 2019/465, m.nt. J.M. Reijntjes over aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De in art. 6:106 BW bedoelde billijkheid geeft de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.