Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.6.b
5.6.b Toepassingsbereik enkelvoudige afdoening
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605895:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. IV-VII Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2013; zie hierover Van Dorst 2015, p. 86-100 en 207-216.
Zie HR 18 november 2003, NJ 2004/178 en de herstelarresten HR 4 oktober 2005, ECLI:AT9095; HR 10 mei 2005, NJ 2006/23, m.nt. Buruma; HR 16 december 2008, ECLI: BG4182.
Vgl. Kuiper, die meent dat de rolraadsheer mag oordelen over termijn én bevoegde indiening, maar niet over de vraag of sprake is van cassatiemiddelen in wettelijke zin, zie M/G, aant. 4.4 bij art. 437 Sv.
HR 19 december 2000, NJ 2001/83 (verzoek termijnverlenging in schriftuur); HR 19 juni 2001, NJ 2001/501, (verzoek termijnverlenging in schriftelijke toelichting waarin het cassatieberoep van het openbaar ministerie wordt tegengesproken); HR 19 juni 2001, ECLI:AB2200, (idem); HR 14 september 2004, NJ 2004/627 (verzoek mondelinge toelichting in schriftuur); zie hierover Mevis 2010, p. 1081-1102.
Kamerstukken II 1996/97, 25240, nr. 3, p. 2 en 10; Kamerstukken II 1996/97, 25240, nr. 5, p. 2; Kamerstukken II 2001/02, 28204, nr. 6, p. 3; Handelingen II 1997/98, nr. 87, p. 5927 en nr. 87, p. 5930.
Handelingen II 1997/98, nr. 87, p. 5930 (Minister Sorgdrager).
HR 6 augustus 2008, ECLI:AE6175 (uitlevering).
Paragraaf 5.3c.
Paragraaf 5.3c
Of de afdoeningsbevoegdheid van de enkelvoudige kamer inderdaad een sterk administratief karakter heeft, hangt af van de precieze reikwijdte van die bevoegdheid. Zowel artikel 440 lid 3 Sv als de wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat de unus in cassatie enkel over het schriftuurvereiste als toegangsvoorwaarde mag oordelen. Aan de indiening van een schriftuur stellen artikel 437 Sv en het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2013 vijf typen vereisten.1 De schriftuur moet (i) door een bevoegde persoon, (ii) binnen de wettelijke termijn en (iii) volgens de toepasselijke vormeisen (naam, handtekening etc.) worden opgesteld en (iv) aan de juiste instantie worden gezonden, en (v) ten minste één klacht bevatten die als ‘middel van cassatie’ in de zin van de wet kan worden beschouwd. De vraag komt op over welke van deze voorwaarden de unus in cassatie een toegangsoordeel mag vellen.
Verschillende benaderingen leiden tot verschillende resultaten. De memorie van toelichting bij de wijziging van 2003 benadrukt dat “afdoening door de enkelvoudige kamer uitsluitend bij niet tijdige indiening van een schriftuur als mogelijkheid is vormgegeven”.2 Daaruit kan worden afgeleid dat de minister alleen het termijnvereiste (ii) op het oog had. Over de precieze reikwijdte van niet-ontvankelijkverklaring door de enkelvoudige kamer wordt in het parlementaire debat verder niets overwogen. Gelet op de beperkt gepubliceerde rechtspraak lijkt ook de Hoge Raad zich tot beoordeling van tijdige indiening te beperken.3
Een teleologische insteek leidt evenwel tot een ruimere uitkomst. De ratio van de wetswijziging is in mijn ogen het mogelijk maken van vereenvoudigde afdoening van toegangsbeslissingen van administratieve aard, waaronder kan worden verstaan: gemakkelijk te beoordelen, aan de hand van formele maatstaven, zonder inschatting of afweging van wezenlijke procedurele of inhoudelijke belangen. Hieronder vallen naast het termijnvereiste (ii) mijns inziens in beginsel ook de eisen aan de bevoegdheid (i), de vorm (ii) en de instantie (iv).4 Voor beoordeling van deze vereisten is niet alleen nodig dat wordt gecontroleerd of binnen de termijn een geschrift is ingediend dat als schriftuur kan worden beschouwd, maar is tevens vereist dat de inhoud van dit geschrift in elk geval oppervlakkig wordt onderzocht, namelijk op handtekeningen en andere formaliteiten.
Interessant is dat de Hoge Raad juist in dit laatste opzicht de bevoegdheid van de enkelvoudige kamer tot het verrichten van toegangsonderzoek beperkt heeft uitgelegd. De enkelvoudige kamer “neemt immers slechts kennis van de indiening van een schriftuur en niet van de inhoud daarvan”, aldus de Hoge Raad.5 De gewoonte van de Hoge Raad om in zijn arresten en in het Procesreglement 2013 van ‘rolrechter’ en ‘rolraadsheer’ te spreken, sluit hierbij aan. Niet helemaal duidelijk is echter waarop de Hoge Raad dat oordeel baseert. De invoering van de enkelvoudige kamer is weliswaar toegelicht in termen als “rolzitting”, “rolgebeuren” en “administratieve afhandeling”,6 maar dat heeft de wetgever niet geconcretiseerd in beperkingen van de onderzoeksbevoegdheid van de enkelvoudige rechter. Bovendien verzette de minister zich zoals opgemerkt enkel tegen de mogelijkheid voor de enkelvoudige kamer om inhoudelijk oordelen te vellen.7 Deze op zichzelf niet geheel duidelijke begrenzing hoeft niet opgevat te worden als beperking tot typische rolbeslissingen over het verloop van de cassatiebehandeling. Bovendien oordeelt de enkelvoudige kamer wel over de vraag of de aanzegging als bedoeld in artikel 435 Sv geldig is betekend, hetgeen meer onderzoek vergt dan alleen naar de vraag óf een aanzegging is verstuurd. Verder oordeelt de enkelvoudige kamer over verzoeken tot uitstel van de termijn om een schriftuur in te dienen,8 en heeft de unus in het verleden eens geoordeeld over de geldigheid van de intrekking van een cassatieberoep.9 Ook dit soort beslissingen heeft niet altijd een administratief karakter.
Gelet op de tekst van artikel 440 lid 3 Sv bestaat tot slot mogelijk nog iets meer ruimte voor afdoening van het beroep door de unus in cassatie, want niet alleen verwijst de tekst naar het termijnvereiste maar tevens naar vereiste (iv), namelijk dat de schriftuur middelen van cassatie moet bevatten. Als middel in de zin van de wet kan zoals opgemerkt namelijk alleen een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen worden beschouwd.10 Of van stellige en duidelijke klachten sprake is, vergt evenwel op zijn minst inhoudelijke kennisneming van de schriftuur en soms ook een zekere beoordeling van de middelen als zodanig.11 Administratief van aard kan dat niet worden genoemd.