Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.6.c
5.6.c Toelaatbaarheid onder verdragsrecht
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605896:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 3.6; Paragraaf 4.4a.
Behoudens onjuiste berekening van termijnoverschrijdingen door de unus of onjuiste toepassing van nationaal recht in het algemeen, zie paragraaf 4.3.
Paragraaf 3.10c; CRM 16 oktober 2014, nr. 2004/2010 (H.K./Noorwegen).
Paragraaf 3.10e.
Zie reeds Kamerstukken II 2001/02, 28204, nr. 6, p. 3 (“Overigens heeft de meervoudige kamer die uitspraak doet in de zaak, uiteraard het laatste woord ten aanzien van de vraag of alle procedurevoorschriften zijn nageleefd”).
HR 30 oktober 2001, NJ 2002/230 en HR 30 oktober 2001, NJ 2002/231, m.nt. De Hullu (schriftuur wel binnen termijn ingediend); HR 10 mei 2005, NJ 2006/23 (aanzegging niet geldig betekend); HR 4 oktober 2005, ECLI:AT9095 (raadsman niet op de hoogte gesteld van ontvangst stukken); HR 16 december 2008, ECLI:BG4182 (raadsman geen afschrift betekening aanzegging gestuurd).
Voor wettelijke regeling pleit (om andere redenen) Borgers in zijn noot onder HR 10 januari 2012, NJ 2012/249.
Betoogd kan dus worden dat de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad, in afwijking van de huidige praktijk, niet alleen moet kunnen beslissen over de tijdige indiening van de schriftuur, maar ook tot op zekere hoogte over van de inhoud van dat geschrift. Op teleologische gronden is verdedigbaar dat de unus óók beoordeelt of de schriftuur is ingediend door een bevoegde persoon en of aan de toepasselijke vorm- en indieningseisen is voldaan. De beoordeling van deze voorwaarden heeft een administratief karakter en is dus in beginsel tamelijk eenvoudig. Als er zich complexe gevallen voordoen, kan beoordeling altijd nog aan de meervoudige kamer worden overgelaten, aldus ook de memorie van toelichting.1 Wat daar ook van zij, óók als de afdoeningsbevoegdheid van de enkelvoudige kamer in deze ruimere zin wordt toegepast, lijkt toegangsweigering door de enkelvoudige kamer mij toelaatbaar onder het verdragsrecht. De unus is immers evengoed een rechterlijk orgaan in de zin van de verdragen als de meervoudige kamer, en mag dus op het beroep beslissen.2
Zolang de enkelvoudige kamer in cassatie niet beoordeelt of een bezwaar als middel van cassatie in de zin van de wet kan gelden, lijkt schending van verdragsrecht in beginsel uitgesloten.3 En zelfs als de unus in weerwil van wetsgeschiedenis en ratio dergelijke inhoudelijke beoordeling zou uitvoeren, is dit onder verdragsrecht volgens mij toelaatbaar. Slechts in één zaak over inhoudelijke toegangsbeoordeling heeft het CRM er uitdrukkelijk belang aan gehecht dat de toegangsbeslissing door drie beroepsrechters unaniem werd genomen.4 Meervoudige beoordeling van een beroep en unanimiteit zijn evenwel in het algemeen volgens het verdragsrecht vereist.5 De genoemde zaak betrof bovendien toegangsbeoordeling in een eerste rechtsmiddel, terwijl cassatie in Nederland zelden direct na de eerste aanleg openstaat. Bovendien werd in de aangehaalde zaak beoordeeld of het hoger beroep evident ongegrond is, wat een veel intensievere inhoudelijke beoordeling betreft dan beoordeling van de vraag of middelen duidelijk en stellig zijn.
Eén punt is hiernaast nog van belang. Een belangrijke waarborg voor correcte toegangsbeslissingen is de mogelijkheid voor de meervoudige kamer van de Hoge Raad om fouten ten aanzien van de schriftuurbeoordeling te corrigeren.6 De meervoudige kamer van de Hoge Raad heeft herstelarresten gewezen in gevallen waarin duidelijk was dat de enkelvoudige kamer een cassatieberoep ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard.7 In de meeste gevallen gebeurde dit nadat de insteller van het beroep de Hoge Raad daarop had geattendeerd. Wettelijke regeling van deze herstelmogelijkheid kan voor het EHRM en het CRM – casuïstisch oordelende toezichthouders – mogelijk van betekenis zijn.8