Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.6.a
5.6.a Achtergrond enkelvoudige afdoening
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS610733:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Dorst 2015, p. 100-102; Kamerstukken II 1996/97, 25240, nr. 3, p. 2-3.
Wet van 1 oktober 1998 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Uitleveringswet, de Wet economische delicten en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen betreffende de bepalingen aangaande de procedure in cassatie in strafzaken, herzieningszaken, uitleveringszaken en zaken in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, Stb. 1998, 591, i.w.tr. 1 juni 1999, Stb. 1999, 52 (Kamerstukken 25240).
Zie voor nadere regels het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2013 en het Bijzonder reglement betreffende de tijdstippen waarop de zittingen van de Hoge Raad worden gehouden.
Handelingen II 1997/98, nr. 87, p. 5929 (Schutte, GPV).
Kamerstukken II 1996/97, 25240, nr. 6, p. 3; Handelingen II 1997/98, nr. 87, p. 5930 (Minister Sorgdrager).
Handelingen II 1997/98, nr. 87, p. 5930 (Minister Sorgdrager).
Wet van 31 oktober 2002 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot het openstellen van beroep in cassatie tegen vrijspraken alsmede het doen van uitspraak door de enkelvoudige kamer bij het niet naleven van de schriftuurverplichting, Stb. 2002, 539, i.w.tr. 1 januari 2003, Stb. 2002, 601 (Kamerstukken 28204).
De Hoge Raad neemt beslissingen over een strafrechtelijk cassatieberoep in beginsel in een meervoudige kamer van drie of soms vijf raadsheren. Van oudsher nam de meervoudige kamer strafzaken ook daadwerkelijk op een openbare zitting in behandeling, maar in de praktijk kwam tegen het einde van de twintigste eeuw de nadruk te liggen op schriftelijke afdoening. De meervoudige openbare zitting werd als tijdrovend anachronisme ervaren.1 De schriftelijke cassatiepraktijk is daarom in 1999 gecodificeerd.2 Sindsdien speelt de enkelvoudige kamer een rol van betekenis in de cassatieprocedure (art. 75 RO; art. 438 Sv). Deze unus is zelfs een zeer zichtbare raadsheer uit de strafkamer, omdat hij elke week op een openbare zitting cassatieberoepen in behandeling neemt en beslist over ‘de rol’ waarop aanhangige beroepen in cassatie staan ingeschreven.3 Zodra een inhoudelijke processtap moet worden gezet, dient de enkelvoudige rechter evenwel de behandeling van de zaak over te dragen aan de meervoudige kamer (art. 438 lid 2 Sv). In de huidige schriftelijke cassatieprocedure is de unus eerst en vooral de spin in het bijbehorende administratieve web.
In het parlementaire debat over invoering van enkelvoudige afdoening wierp een Kamerlid de vraag op of het wenselijk zou zijn om de werkzaamheden van de nieuwe enkelvoudige kamer uit te breiden. Gedacht kon volgens hem worden aan “het afdoen van de kennelijke niet-ontvankelijkheden (termijnverzuim bij instellen van beroep en niet-nakoming van de schriftuurverplichting door het Openbaar Ministerie), conversiegevallen of van de beroepen, waarin de P-G heeft geconcludeerd tot toepassing van artikel [81] RO”.4 Zowel het Kamerlid zelf als de betrokken minister bestempelden dat idee echter als “niet mogelijk zonder de rechtswaarborgen van de verdachte geweld aan te doen”5 en “niet te verenigen met het administratieve karakter van de rolzitting van de enkelvoudige kamer”.6 Bovendien achtte de minister “het gevaar niet denkbeeldig dat afdoening van een zaak in cassatie door een alleensprekende rechter afbreuk doet aan het gezag van onze cassatierechter”.7 Hoewel het Kamerlid nadrukkelijk niet alleen bepaalde inhoudelijke beslissingen (art. 81 RO) maar ook aspecten van ontvankelijkheidsbeoordeling op het oog had (conversie, termijn, schriftuur), sloot de minister het debat opvallend genoeg af met de conclusie dat “een enkelvoudige kamer bij de Hoge Raad niet inhoudelijk moet oordelen”.8
Op het licht tussen de geciteerde standpunten is enige jaren later ingespeeld. In 2003 is de enkelvoudige kamer in cassatie bevoegd gemaakt het cassatieberoep zelfstandig af te doen met niet-ontvankelijkverklaring indien niet tijdig een schriftuur met middelen van cassatie is ingediend (art. 440 lid 4 Sv). 9De achtergrond van deze regeling is gelegen in de in 2000 geïntroduceerde schriftuureis voor de verdachte. Deze toegangsvoorwaarde leidde (en leidt) in de praktijk in meer dan de helft van de cassatieberoepen tot niet-ontvankelijkverklaring, waartoe volgens toenmalig procesrecht alleen de meervoudige kamer kon beslissen. Deze inzet van de meervoudige kamer stond volgens de minister niet in verhouding tot “de ingewikkeldheid van de te nemen beslissing die, bij de verwijzing naar de meervoudige kamer, feitelijk al in sterke mate door de enkelvoudige kamer is voorbereid”.10 De vaststelling dat niet is voldaan aan bovengenoemde toegangseis kon volgens de minister zonder bezwaar aan de rolrechter in cassatie worden toevertrouwd.11
In de memorie van toelichting wordt de afdoeningsbevoegdheid voor de enkelvoudige kamer aangekondigd als technische wijziging.12 Gelet op de argumenten in het debat bij de invoering van de unus in cassatie is dat inderdaad een opvallende karakterisering, waarmee de minister in de loop van de parlementaire behandeling ook werd geconfronteerd.13 Hij antwoordde dat uit door de Hoge Raad opgedane ervaring bleek “dat de verwijzing naar de meervoudige kamer in de onderhavige zaken geen meerwaarde heeft uit oogpunt van zorgvuldigheid van procesvoering, doch wel voor een niet onbelangrijke werklast zorgt. Voorts spelen de [in het oorspronkelijk debat over de unus in cassatie genoemde, GP] bezwaren juist bij de kennelijke niet-ontvankelijkheden waar dit wetsvoorstel op ziet, een minder grote rol. De vaststelling dat de cassatieschriftuur niet tijdig is ingediend, heeft een sterk administratief karakter, en kan met gezag door een enkelvoudige kamer worden gedaan. Gegeven de onverminderd hoge werklast van de Hoge Raad, en gelet op de aard van de beslissing die hier aan de enkelvoudige kamer wordt toevertrouwd, is in deze bezwaren dan ook geen aanleiding gezien het onderhavige voorstel achterwege te laten.”14 Kortom: veranderd inzicht, een andere weging van belangen en het administratieve karakter van de toepasselijke toegangsvoorwaarden maakte de weg vrij voor afdoening van het beroep door de enkelvoudige kamer.