Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/10
10 Samenvatting en conclusies
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS347974:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In die zin onder meer HR 7 december 1994, nr. 29 334, met conclusie A-G Van Soest, BNB 1995/ 88 met noot G. Slot, FED 1995/68 met noot Th.S. IJsselmuiden.
In de huidige betekenis van het woord.
HR 24 januari 1996, nr. 29 954, met conclusie A-G Van den Berge, BNB 1996/194 met noot van I.J.F.A. van Vijfeijken.
Vergelijk onder meer HR 20 januari 1943, B. 7604.
Terzijde zij opgemerkt dat men in de Duitse Bondsrepubliek spreekt over `Teilwertabschreibung'.
Betreffende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de fiscale infrastructuur (24 969).
Vergelijk HR 27 november 1996, nr. 31 642, V-N 1996 blz. 4764-4767, FED 1997/79 met noot X.G.R. Auerbach Aldaar wordt simpelweg door Hof en Hoge Raad geconstateerd dat de feiten en omstandigheden leiden tot een waardering van de schuld op nihil.
HR 8 juli 1992, nr. 27 678, met conclusie A-G Moltmaker, BNB 1992/298 met noot G.J. van Leijenhorst.
HR 18 december 1968, nr. 16 035, BNB 1969/23.
Schmidt/Glanegger EStG § 6 Rz 215.
Ik verwijs in dit verband onder meer naar HR 17 april 1991, nr. 26 632, BNB 1991/236 met noot G. Slot en HR 7 december 1994, nr. 29 334, met conclusie A-G Van Soest, BNB 1995/88.
Vergelijk H.J. Hofstra, Inflaneutrale belastingheffing, Rapport uitgebracht aan de Minister van Financiën, december 1977, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage, 1978, blz. 131. Hofstra kiest in zijn rapport voor de evenredigheidsmethode waarbij hij onderscheid maakt tussen groepen bedrijfsmiddelen in verband met de verschillende economische levensduur. Hij stelt voor de groep bedrijfsmiddelen in twee delen te splitsen: bedrijfsmiddelen met een geschatte levensduur van niet meer dan tien jaren, en overige.
Bij een analyse van het begrip `bedrijfswaarde' treden tal van deelonderwerpen en miniatuurproblemen aan het daglicht. Er ontstaat als het ware het beeld van een patchworkdeken samengesteld uit facetten van verschillende wetenschapsgebieden te weten fiscaal recht, burgerlijk recht en bedrijfseconomie. Een rechtsvergelijkende opzet van dit literatuur- en jurisprudentie-onderzoek was dan ook onvermijdelijk.
Bij herhaling heeft de Hoge Raad het begrip bedrijfswaarde gedefinieerd als de waarde welke een verkrijger bij overneming van de gehele onderneming zou toekennen aan het afzonderlijke activum, indien hij zou uitgaan van de overnemingswaarde van het geheel en voornemens zou zijn de uitoefening van de onderneming voort te zetten1.
Deze begripsbepaling is gefundeerd op de beginselen die ten grondslag liggen aan de heffing van de inkomsten- en vennootschapsbelasting en ingebed in goed koopmansgebruik. Daarnaast wordt daarmee de minimumwaarderingsregel (ofwel het Duitse begrip Niederstwertprinzip') tot uitdrukking gebracht.
Het begrip bedrijfswaarde2 werd in 1941 door de besluitgever in het Nederlandse belastingrecht geïntroduceerd. Maar afgezien van de Toelichting en Leidraad bij het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 heeft de wetgever nooit een verduidelijking gegeven van de wijze waarop de bedrijfswaarde van een activum zou moeten worden bepaald. Aangezien de wetgever in dit verband in gebreke is gebleven is het naar mijn mening de taak van ons hoogste rechtscollege (als cassatierechter) om zo mogelijk een concrete invulling aan bovengenoemd waardebegrip te geven.
Door vaagheid in de wetgeving laveert ons hoogste rechtscollege bij haar rechtsvinding tussen een teleologische en een grammaticale wetsinterpretatie. De kasgeld- en holdingjurisprudentie is een voorbeeld van de teleologische benadering; daarentegen lijkt recentelijk de Hoge Raad bij het zogenaamde exwarrantobligatie-arrest3 meer de weg van de grammaticale interpretatiemethode te zijn opgegaan.
De door de Hoge Raad gehanteerde definitie van het begrip bedrijfswaarde getuigt van een grote mate van abstractie die dan ook niet of nauwelijks bijdraagt aan een praktische uitvoerbaarheid van dit waarderingsvraagstuk. Dit kan wellicht binnen de cassatie-opdracht van ons hoogste rechtscollege ook niet anders, het ware echter te wensen dat ons hoogste rechtscollege bij zijn rechtsvindingstaak ten aanzien van het begrip bedrijfswaarde meer oog heeft voor de praktische uitoefening van het fiscale recht.
Conclusie: Het verdient de voorkeur dat de Hoge Raad een zodanig concrete invulling aan het begrip bedrijfswaarde geeft, dat de fiscale praktijk daaraan soepel uitvoering kan geven.
Vanuit historisch perspectief bezien zorgt de term `bedrijfswaarde' regelmatig voor enige verwarring. Zo spreekt oude jurisprudentie4 over afschrijven als het om het tot uitdrukking brengen van vermindering van de bedrijfswaarde van een activum gaat. In dit geval wordt de term `bedrijfswaarde' gebruikt in de betekenis van gebruikswaarde. Inmiddels moet deze jurisprudentie echter als achterhaald worden beschouwd. Nu worden afschrijven en waarderen van een activum op lagere bedrijfswaarde als twee los van elkaar staande methoden gezien die anderzijds beiden tot doel hebben de waardedaling van een activum tot uitdrukking te brengen. De afnemende nutsprestatie van een activum door gebruik worden door afschrijving tot uitdrukking gebracht. Het toelaatbare waarderingsstelsel is waarderen op kostprijs minus afschrijvingen of lagere bedrijfswaarde. Het waarderen van een activum uitsluitend op bedrijfswaarde is in strijd met goed koopmansgebruik.
Conclusie: Het waarderen van een activum op lagere bedrijfswaarde is te beschouwen als een aanvulling op bestaande waarderingsmethoden en niet als doel op zich.
Dikwijls wordt in de literatuur met betrekking tot het begrip bedrijfswaarde zowel de term 'afschrijven' als 'afwaarderen' gebruikte. Gezien het bovenstaande kan niet gesproken worden van een stelsel van 5afschrijven op lagere bedrijfswaarde'. Afschrijven is een systematisch proces dat zich jaarlijks herhaalt om zodoende de waardedaling die door het gebruik van het activum is opgeroepen tot uitdrukking te brengen. Daarentegen is het waarderen van een activum op lagere bedrijfswaarde een incidentele aangelegenheid die zich uitsluitend onder specifieke omstandigheden voordoet.
Conclusie: In samenhang met het begrip bedrijfswaarde dient uitsluitend de term `afwaarderen' (en niet afschrijven) te worden gebruikt.
Het begrip 'bedrijfswaarde' is sinds het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (en wellicht zelfs het Besluit op de Winstbelasting 1940) niet meer weg te denken uit de Nederlandse inkomsten- en vennootschapsbelasting. Een poging om het begrip bij de Wet Belastingherziening 1950 te laten sneuvelen, mislukte op instigatie van Tweede Kamerleden die van oordeel waren dat het onder meer aan een melkveehouder niet mocht worden onthouden om zijn melkvee op bedrijfswaarde te waarderen.
Weliswaar is de term bedrijfswaarde van oorsprong een Duits begrip maar een analyse van de fiscale rechtspraak laat zien dat overigens de Duitse invloed op het Nederlandse belastingrecht beperkt is. Het begrip 'bedrijfswaarde' in Nederland heeft zich ten opzichte van het begrip `Teilwert' in de Duitse Bondsrepubliek autonoom ontwikkeld. Er is bovendien geen reden aan te nemen dat de Hoge Raad bij zijn beslissingen over bedrijfswaarde de jurisprudentie van het Bundesfinanzhof mede tot richtsnoer neemt.
Conclusie: Alhoewel de begrippen 'bedrijfswaarde' en Teilwere hun oorsprong vinden in een gemeenschappelijke historie hebben zij zich onafhankelijk van elkaar ontwikkeld en is van wederzijdse beïnvloeding geen sprake.
De bedrijfswaarde van handelsvoorraden is gelijk te stellen met de waarde op de inkoopmarkt. Bij inbreng of onttrekking van zaken aan het vermogen van een onderneming dient dit tegen bedrijfswaarde te geschieden, zijnde de waarde in het economische verkeer. Hetzelfde is van toepassing bij activa en passiva op de openingsbalans van een onderneming. In de Wet op de vermogensbelasting 1964 speelt het begrip bedrijfswaarde een rol met betrekking tot de complexbenadering van art. 9, derde lid. Deze wettelijke bepaling formuleert dat bezittingen die in het economische verkeer als eenheid worden beschouwd, met inachtneming van die omstandigheid in aanmerking dienen te worden genomen. (Een verwantschap van dit waarderingsvoorschrift met het begrip bedrijfswaarde en de daaraan gekoppelde `Betriebszugeh&igkeit' is onmiskenbaar.)
Bij een waardering van bedrijfsmiddelen in hun functioneel verband (ten behoeve van de heffing van vermogensbelasting) vallen de begrippen 'waarde in het economische verkeer', waardering `goig concern' en `bedrijfswaarde' samen. Ondanks de andersluidende doctrine moet goodwill wel degelijk aan de afzonderlijke bedrijfsmiddelen worden toegerekend (zoals dit in zijn algemeenheid bij de bedrijfswaardebenadering het geval is).
Conclusie: Het begrip bedriffswaarde is niet los te zien van andere waardebegrippen en resulteert onder bepaalde omstandigheden in een uitleg die parallel loopt aan die van een of meerdere waardebegrippen in andere fiscale wetten.
In dit verband is ook het gestelde in art. 13ca Wet Vpb. 1969 relevant. Aldaar wordt bij een waardedaling van een deelneming onder bepaalde voorwaarden het nemen van een van de winst aftrekbaar verlies toegestaan. Het thans in de wet gehanteerde begrip ter vaststelling van een dergelijke waardedaling is `waarde in het economische verkeer'. Maar tijdens de parlementaire behandeling in 19966 (waarbij het begrip 'waarde' gewijzigd werd in 'waarde in het economische verkeer') is door de staatssecretaris in de toelichting op de nota van wijziging expliciet gesteld dat het begrip 'waarde in het economische verkeer' de toepassing van de bedrijfswaarde uitsluit. Deze opvatting van de staatssecretaris is moeilijk navolgbaar want uit de jurisprudentie aangaande waardering van deelnemingen blijkt onmiskenbaar dat de begrippen 'waarde in het economische verkeer' en `bedrijfswaarde' weliswaar niet identiek aan elkaar zijn, maar in hun feitelijke wijze van waardevaststelling tot dezelfde uitkomst leiden. Zo wordt bij de vaststelling van de bedrijfswaarde van een deelneming niet uitgegaan van de overnemingswaarde van de onderneming (inclusief de deelneming) maar wordt deze geheel zelfstandig (met behulp van diverse ingeburgerde waarderingsmethoden) bepaald. Het toebehoren van de deelneming tot het vermogen van een onderneming speelt slechts dan een rol als het gaat om het rechtsvermoeden dat bijvoorbeeld de kostprijs van de deelneming gelijk is aan de bedrijfswaarde en een miskoop derhalve kan worden uitgesloten.
De ontkenning door de staatssecretaris in de parlementaire behandeling dat de bedrijfswaarde gelijk zou zijn aan de waarde in het economische verkeer is mijns inziens in het licht van het bovenstaande niet overtuigend. Deze uitspraak wekt de illusie alsof de wijziging van het begrip 'waarde' in 'waarde in het economische verkeer' tot een ruimere verliesnemingsmogelijkheid aanleiding zou kunnen geven. Niets is minder waar, want aanloopverliezen zijn reeds bij een startende onderneming ingecalculeerd en vormen over het algemeen geen reden voor de constatering van een lagere bedrijfswaarde of waarde in het economische verkeer van de betreffende deelneming. Hetzelfde kan worden gezegd bij de aankoop van een bestaande onderneming annex deelneming in een situatie dat er sprake is van teleurgestelde toekomstverwachtingen. Weliswaar is in de Nota naar aanleiding van het verslag gesteld dat een fiscaal acceptabele afwaardering zich kan voordoen wanneer blijkt dat de investering in de nieuwe markt niet tot de gewenste resultaten hebben geleid, maar dat teleurgestelde toekomstverwachtingen aanleiding zouden kunnen geven tot een lagere waarde in het economische verkeer annex bedrijfswaarde valt niet in te zien.
Indien echter als afwaarderingsgrondslag de nettovermogenswaarde zou zijn gekozen, zou er waarderingstechnisch gezien een transparante deelneming zijn ontstaan en afwaardering wel mogelijk zijn geweest.
Conclusie: Ook al stelt de staatssecretaris het tegendeel: voor de toepassing van art. Bea Wet op de vennootschapsbelasting 1969 hebben de begrippen 'waarde in het economische verkeer' en 'bedrijfswaarde' van een deelneming weliswaar niet dezelfde inhoud, in hun wijze van waardevaststelling leiden ze evenwel tot hetzelfde resultaat.
Het begrip bedrijfswaarde is hecht ingebed in de jaarwinstbepalingsregels van goed koopmansgebruik (art. 9 Wet IB 1964), waarbij dit waardebegrip als een representant van het realiteitsbeginsel moet worden gezien. De praktijk wijst uit dat bij de afwaardering van een activum met een zeker automatisme een beroep wordt gedaan op het voorzichtigheidsbeginsel. Maar dit beginsel speelt met name een rol als een correctiemechanisme op gerealiseerde winst bij het waarderen van vorderingen. Waarderen op bedrijfswaarde daarentegen komt niet 'om de hoek kijken' bij winstrealisatie en het daarmee samenhangende voorzichtigheidsbeginsel. Indien een activum op lagere bedrijfswaarde wordt gewaardeerd mag er geen sprake zijn van een incidentele gebeurtenis in deze (hetgeen bij waardering op lagere directe opbrengstwaarde normaliter het geval is). De lagere waarde dient een permanent karakter te hebben, of anders uitgedrukt: moet een realiteit zijn.
Het behoeft dan ook geen betoog dat de Hoge Raad in dit verband ervan uitgaat dat bij een aanmerkelijke daling van de bedrijfswaarde van een activum de afwaardering verplicht is en er in zoverre ook geen sprake is van een stelsel-wijziging (met dienovereenkomstige toepassing van de foutenleer).
Conclusie: Binnen de spelregels van goed koopmansgebruik vormt het realiteitsbeginsel en niet het voorzichtigheidsbeginsel de uitdrukking van de afwaardering van een activum op lagere bedrijfswaarde.
Binnen de context van goed koopmansgebruik neemt de problematiek met betrekking tot de waardering van een activum op hogere bedrijfswaarde een aparte dimensie in. Indien in het verleden een afwaardering op lagere bedrijfswaarde heeft plaatsgevonden, is een opwaardering bij stijging van de bedrijfswaarde verplicht. Vanuit historisch perspectief bezien wekt dit geen verbazing, want volgens art. 10, tweede lid, Besluit IB 1941 is een waardering op lagere bedrijfswaarde slechts geoorloofd, voor zover en zolang deze aantoonbaar lager was. In een dergelijke situatie is er in wezen geen sprake van winstneming doch van het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken van een in het verleden genomen verlies. Dat een dusdanige opwaardering verplicht wordt gesteld, is geheel in overeenstemming met goed koopmansgebruik, omdat het verlies in zoverre geen realiteit meer is.
Van een geheel andere orde is het vraagstuk van de waardering van een bedrijfsmiddel op hogere bedrijfswaarde, zijnde een waarde die boven de historische kostprijs (minus afschrijving) ligt. Heeft de belastingplichtige de keuze om op deze wijze winst in het fiscale resultaat tot uitdrukking te brengen, bijvoorbeeld om investeringsbijdragen te kunnen verrekenen of om gestalde buitenlandse winsten in het kader van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting alsnog in aftrek te kunnen brengen? Een dergelijke opwaardering is in strijd met goed koopmansgebruik omdat op deze wijze winst tot uitdrukking wordt gebracht die ten opzichte van derden, niet gerealiseerd is. De jaarrekeningwetgever heeft dit probleem van het niet-gerealiseerd zijn van winst onderkend door voor te schrijven dat in de commerciële jaarrekening een dergelijk herwaarderingsresultaat in een aparte reserve moet worden ondergebracht die niet vrij uitkeerbaar is. Binnen het realisatiemoment zijn er dikwijls keuzemomenten te onderscheiden. Zo kan gekeken worden naar het moment van levering, naar dat waarop de factuur wordt verzonden of het moment waarop de betaling wordt ontvangen. De jurisprudentie geeft aan dat het leveringsmoment het tijdstip is waarop verplicht winst moet worden genomen; winst mag wel eerder worden genomen echter uitsluitend binnen de realisatieconventie.
Conclusie: Het is strijdig met goed koopmansgebruik om niet-gerealiseerde winst in de vorm van een herwaardering van een activum (op hogere bedrijfswaarde) fiscaal tot uitdrukking te brengen.
Daarnaast is het begrip bedrijfswaarde bij de waardering van passiva van belang. De vraag of waardering van een passivum beneden de nominale waarde toelaatbaar is of zelfs verplicht, is hierbij cruciaal. Bij een bevestigend antwoord is de minimumwaarderingsregel met dienovereenkomstige verliesneming niet van toepassing, maar is er nu juist sprake van een lagere waardering die tot winstneming leidt. Te denken valt daarbij aan een situatie waarbij een schuld weliswaar nog niet verjaard is maar reeds vele jaren op de balans staat terwijl de ondernemer helemaal niet voornemens is deze schuld te voldoen. Bovendien heeft de schuldeiser gedurende vele jaren geen incassomaatregelen meer getroffen en lijkt dit ook in de toekomst niet meer te zullen doen.
In het kader van de totaalwinst (gerelateerd aan de staking van een onderneming) moet eerder dan bij de jaarwinstbepaling worden aangenomen dat de (bedrijfs)waarde van een onbetaald gebleven schuld beneden de nominale waarde is gedaald, hetgeen winstneming in de vorm van een nagekomen bate uit de onderneming tot gevolg heeft. Bewust is hiervoor `(bedrijfs)waarde' (en niet `bedrijfswaarde') aangehaald. Allereerst moet namelijk de vraag beantwoord worden of het begrip bedrijfswaarde in relatie tot passiva opgaat in het begrip 'waarde' of 'waarde in het economische verkeer'7.
Conclusie: Met betrekking tot de waardering van passiva wordt het begrip bedrijfswaarde in andere waardebegrippen (zoals 'waarde' en 'waarde in het economische verkeer') geïncorporeerd.
Een heel ander vraagstuk is de kwestie of er met betrekking tot het begrip bedrijfswaarde gesproken kan worden over 'eenheid van recht', dat wil zeggen dat in dit verband fiscaal recht, strafrecht en jaarrekeningen- annex rechtspersonenrecht elkaar niet tegenwerken en zo mogelijk ondersteunen. Daarbij verdient de voorkeur dat hetzelfde begrip in de verschillende rechtsgebieden een identieke betekenis heeft. Misschien lijkt eenheid van recht ten aanzien van het begrip bedrijfswaarde een enigszins te opportunistische visie. Toch ben ik van mening dat er geen inhoudelijk verschil bestaat tussen het hiervoor weergegeven fiscale begrip 'bedrijfswaarde' en het begrip 'duurzame waardedaling' als bedoeld in art. 2:387, vierde lid BW. In beide gevallen gaat het om een lagere waarde die een realiteit is en bovendien permanent van karakter.
Conclusie: Het fiscale begrip 'lagere bedrijfswaarde' komt overeen met de 'duurzame waardedaling' als bedoeld in art. 2:38Z vierde lid BW.
Enkele beschouwingen over de beoordeling van het begrip bedrijfswaarde in relatie tot de gemeentelijke onroerende-zaakbelasting kunnen in deze samenvatting niet ontbreken. Het arrest Billiton/Veendam8 bleek in deze van doorslaggevende betekenis. De Hoge Raad oordeelde dat de zogenaamde gecorrigeerde vervangingswaarde bij een in de commerciële sfeer gebezigde onroerende zaak niet hoger gesteld kan worden dan de bedrijfswaarde. Tevens stelde ons hoogste rechtscollege dat de omstandigheid dat toerekening van de bedrijfswaarde aan de diverse activa op zichzelf arbitrair is, niet betekent dat afwaardering tot op de bedrijfswaarde om die reden achterwege moet blijven.
Na wijziging van de Gemeentewet per 1 januari 1995 geldt thans als heffingsgrondslag voor de gemeentelijke onroerende-zaakbelasting de hoogste van de marktwaarde en de gecorrigeerde opbrengstwaarde. Op basis van deze herziene wetgeving kan worden aangenomen dat de problematiek van het Billiton/Veendam-arrest hiermee goeddeels tot het verleden behoort. Daarbij dient wel van de veronderstelling te worden uitgegaan dat de marktwaarde van de betreffende onroerende zaak hoger is dan de gecorrigeerde vervangingswaarde (welke tot op bedrijfswaarde is afgeboekt).
Het is op z'n minst curieus te noemen dat in de Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken niets is bepaald omtrent de wijze waarop in de praktijk de bedrijfswaarde van een pand moet worden bepaald alsmede welke specifieke deskundigheid de taxateurs daarvoor moeten bezitten.
Conclusie: Na de wijziging van de Gemeentewet pet 1 januari 1995 is de problematiek van het Billiton/Veendam-arrest goeddeels verleden tijd. In de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ) alsmede de daarmee samenhangende uitvoeringsvoorschriften wordt onvoldoende rekenschap gegeven van de relevantie van het begrip bedrijfswaarde voor de waardering van in de commerciële sector gebezigde onroerende zaken.
Fundamenteel met betrekking tot het bepalen van de bedrijfswaarde is de vraag hoe de waarde van een individuele actiefpost in de praktijk moet worden vastgesteld. Omdat dit de facto niet zozeer een rechts- als wel een feitelijke vraag is, werd daardoor de opzet van dit onderzoek tot een enigszins precaire aangelegenheid, want de feitelijke aspecten van de waardebepaling bewegen zich au fond buiten het terrein van de rechtswetenschap. Toch kan bij een onderzoek naar inhoud en betekenis van een waardebegrip de feitelijke vaststelling daarvan niet buiten beschouwing worden gelaten.
Onder meer uit BNB 1969/239 blijkt dat de bedrijfswaarde in beginsel niet te vereenzelvigen is met de directe opbrengstwaarde. Dit oordeel van de Hoge Raad is juist want essentieel is dat de bedrijfswaarde van een individueel activum bezien wordt vanuit het perspectief dat dit goed onderdeel uitmaakt van de gehele onderneming. De opbrengst bij individuele vervreemding van een goed is dan ook voor de bedrijfswaardebepaling niet relevant. De directe opbrengstwaarde is een autonome grootheid die zich in de tijd op een eigen wijze ontwikkelt, onafhankelijk van de resultaten van de bedrijfsvoering. Dit waardebegrip speelt dan ook terecht geen rol bij het bepalen van het fiscale resultaat.
Conclusie: Voor het begrip 'directe opbrengstwaarde' is in beginsel binnen de spelregels van goed koopmansgebruik geen plaats. Derhalve kan het begrip bedrijfswaarde er op zichzelf ook niet mee vereenzelvigd worden.
Vanuit een bedrijfseconomische benadering is de vaststelling van de indirecte opbrengstwaarde van een individueel actief een zware opgave. Dit gegeven maakt het weliswaar voor de bedrijfseconomen gemakkelijker om zich aan een oordeel over de bedrijfswaarde van een individueel activum te onttrekken, het helpt de fiscalist in de praktijk evenwel niet verder.
Conclusie: Bij het bepalen van de indirecte opbrengstwaarde van complementair met elkaar verbonden goederen kan door de bedrijfseconomische discipline geen hulp worden geboden. Voor de fiscale waardebepaling dienaangaande zijn onvoldoende richtinggevende elementen beschikbaar.
Het Duitse begrip `Teilwere geeft de verhouding tussen onderneming en een individueel actief treffend weer. Volgens Glanegger10 werd de `Teilwerf in de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerd 'urn den wertbestimmenden Einfluss der Betriebszugehiirigkeit eines Wirtschaftsgutes bei der Gewinnermittlung bercksichtigen zu ki:innen'. Er is namelijk bij de bedrijfswaarde sprake van een soort `deelwaarde', dat wil zeggen de waardering van het activum dient plaats te vinden als onderdeel van een geheel (de onderneming). De term `deelwaarde' zou derhalve een meer adequate weergave zijn van dit beginsel dan het thans gehanteerde begrip `bedrijfswaarde'.
Conclusie: Het begrip deelwaarde' verdient de voorkeur boven bedriffswaarde' aangezien dit eerste begrip uiting geeft aan de Betriebszugehrigked als bestanddeel van het waarderingsproces.
Misschien klinkt het enigszins paradoxaal, maar ondanks de Setriebszugehrigkeie dient de bedrijfswaardebepaling van een activum op individuele basis plaats te vinden (de Duitse wetgeving spreekt overigens in dit verband over het Prinzip der Einzelbewertung'). Voor zelfstandige vruchtdragers (zoals bijvoorbeeld verhuurde onroerende zaken) leidt deze voorwaarde niet tot een dilemma omdat in een dergelijke situatie de bedrijfswaarde gelijk is aan de directe opbrengstwaarde. Moeilijker ligt het reeds bij relatief eenvoudig te vervangen zaken (zoals bijvoorbeeld auto's of inventaris) omdat de complementariteit daarbij een niet te verwaarlozen factor vormt. Vanuit bedrijfseconomisch perspectief levert de eis van individuele waardering bij complementair verbonden activa dan ook onoverkomelijke problemen op want de klassieke bedrijfswaardedefinitie geeft aan dat a priori de overnemingswaarde van de gehele onderneming dient te worden bepaald.
Het proces van waarderen is in de grond van de zaak een subjectieve aangelegenheid; au fond kan er i berhaupt geen objectieve waarde worden vastgesteld. Wel kan men trachten een waarderingsmethode te objectiveren (bijvoorbeeld door toepassing van de zogenaamde DCF-methode) maar zelfs dan blijken uiteindelijk de inputvariabelen weer tot subjectiviteit te leiden. Op zichzelf is het begrip 'objectieve waarde' een contradictio in terminus.
Conclusie: Er bestaat geen universele objectieve waarde; het waardebegrip 'bedrijfswaarde' vormt daarop geen uitzondering.
Het is te betreuren dat er ten aanzien van het begrip bedrijfswaarde tot op heden niet eens een aanzet valt te bespeuren om tot (meer) uitgewerkte waarderingsregels te komen. Algemene waarderingsregels zouden ongetwijfeld tot een zekere mate van uniformiteit kunnen leiden met betrekking tot de bedrijfswaardebepaling.
Veronderstel nu dat door het toepassen van meerdere waarderingsmethoden (die tot een gemiddelde leiden) een min of meer 'objectieve' waarde van de onderneming kan worden vastgesteld. Dan dient vervolgens vanuit die overkoepelende waarde, de waarde van een individueel activum te worden bepaald. Omdat vanuit de leer van de bedrijfseconomie een samenstel van goederen (die samen een product of dienst voortbrengen) in waardetechnische zin een onlosmakelijk geheel vormen, kan weliswaar de indirecte opbrengstwaarde ervan worden vastgesteld, maar heeft het afzonderlijke goed geen zelfstandige waarde. Vanuit deze optiek is de bedrijfswaardebepaling slechts mogelijk op het niveau van de onderneming en geldt voor het overige de onsplitsbaarheid van de bedrijfswaarde (indirecte opbrengstwaarde) van complementair met elkaar verbonden goederen. Daarbij is het voor bedrijfseconomen niet zozeer een kwestie van het niet willen splitsen van de bedrijfswaarde als wel het niet bij machte zijn.
Onderzoek van de fiscale jurisprudentie van Gerechtshoven en Hoge Raad toont aan dat in geen enkel geval de procespartijen een berekening van de bedrijfswaarde hebben gemaakt die strookt met de hiervoor aangegeven klassieke bedrijfswaardedefinitie. Het overgrote deel van de jurisprudentie blijft steken in bewijslastverdelingsvraagstukken. Veelal delft belanghebbende daarbij het onderspit, want deze moet het rechtsvermoeden weerleggen dat de bedrijfswaarde van een activum geacht wordt gelijk te zijn aan de kostprijs casu quo boekwaarde en dat deze bij aankoop van een activum geacht wordt gelijk te zien aan de daarvoor betaalde prijs (tenzij er sprake is van een miskoop).
Conclusie: Het begrip `bedrijfswaarde' is in de praktijk een moeizaam te hanteren begrip dat belanghebbende in een lastige bewijspositie plaatst.
Het bewijslastverdelingsvraagstuk ontslaat de belastingrechters van het netelige probleem om zich inhoudelijk met de vaststelling van de bedrijfswaarde van een activum te moeten bezighouden.
De onroerende-zaakjurisprudentie 11 laat duidelijk een andere tendens in de fiscale jurisprudentie zien, namelijk dat onder specifieke omstandigheden (ook indien het activum geen zelfstandige vruchtdrager is doch complementair verbonden met andere activa) de bedrijfswaarde van een activum toch gelijk is aan de onderhandse verkoopwaarde (directe opbrengstwaarde). De Hoge Raad verwoordt het als volgt: 'De onderhandse verkoopwaarde van een bestanddeel van het ondernemingsvermogen kan slechts als grondslag voor de afboeking van de vermindering van de bedrijfswaarde dienen, indien zij de uitdrukking vormt van een vermogensverlies dat niet wordt opgeroepen door tijdelijke of lokale invloeden op de marktwaarde, doch berust op de omstandigheid dat moet worden verwacht dat het goed de bijdrage aan de omzet en de productie van de onderneming, waarvoor het was bestemd, niet zal kunnen leveren, terwijl dat verlies ook bij verkoop van het goed — hetzij afzonderlijk, hetzij in samenhang met andere bestanddelen van het ondernemingsvermogen — niet zal kunnen worden goedgemaakt.'
Op basis van het hiervoor vermelde criterium is het voorstelbaar dat de bedrijfswaarde van een complementair verbonden onroerende zaak gelijk is aan haar directe opbrengstwaarde (bijvoorbeeld bij de sanering van steenfabrieken of in de zuivelindustrie). Soms is in dergelijke gevallen sprake van omvangrijke investeringen in onroerende zaken die door technologische vernieuwingen geheel of gedeeltelijk leeg staan en feitelijk (gezien de specifieke inrichting voor het bedrijfsproces of simpelweg door de omvang en ligging van deze onroerende zaken) onverkoopbaar blijken te zijn. Alsdan levert een onroerende zaak haar bijdrage aan het resultaat van de onderneming niet of in sterk verminderde mate, terwijl het daaruit resulterende vermogensverlies bij verkoop (zo dit al mogelijk zou zijn) niet kan worden goedgemaakt.
De waardering van een bedrijfsmiddel op lagere bedrijfswaarde in relatie tot vervuilde grond verdient afzonderlijke aandacht. Tot op heden ging bij bodemsanering de belangstelling vooral uit naar de voorwaarden en omstandigheden waaronder een voorziening casu quo fiscale kostenegalisatiereserve kon worden gevormd. De vraag welke gevolgen de geconstateerde vervuiling voor de waardering van de grond heeft bleef echter onderbelicht. De vervuiling betekent onmiskenbaar een waardedrukkende factor met betrekking tot de waarde van de grond. Maar er zijn ook situaties waarbij de betreffende ondernemer de grond niet kan (uit financieel oogpunt) of wil saneren of waarbij ondanks de vervuiling de productie winstgevend wordt voortgezet. Alsdan levert de grond nog steeds de van haar verwachte bijdrage aan het resultaat. In dergelijke gevallen is aan één van de criteria van de onroerende-zaakjurisprudentie (waarbij de bedrijfswaarde gelijk wordt gesteld aan de verkoopwaarde = directe opbrengstwaarde) niet voldaan zodat afwaardering niet is toegestaan.
Toch zullen naar alle waarschijnlijkheid ook in bovenomschreven situaties ooit in de toekomst de kosten van de schoonmaak van de grond moeten worden gemaakt. Een taxatierapport van de vervuilde grond (waarbij de toekomstige saneringskosten in de taxatie zijn begrepen) kan alsdan tot uitgangspunt dienen om een discussie met de inspecteur aan te gaan betreffende een mogelijke waardering van de grond op lagere bedrijfswaarde.
Anders is het indien de ondernemer wel voornemens is om tot sanering van de bodem over te gaan. Dan zal hij in eerste instantie een voorziening vormen, die vervolgens bij de feitelijke sanering vrijvalt en daarmee tot de winst wordt gerekend. De daadwerkelijk gemaakte saneringskosten worden in de kostprijs van de grond opgenomen waarna afzonderlijk de bedrijfswaarde van de gesaneerde grond wordt bepaald. Omdat het verschil in waarde een blijvende verlaging van de waarde van de grond betekent, kan dit ten laste van het resultaat worden gebracht. Of anders geredeneerd: het aanvankelijk genomen verlies op de voorziening bodemsanering wordt teruggenomen voor zover de met de bodemsanering gemoeide kosten tot een werkelijke waardestijging van de grond (ten opzichte van de oorspronkelijke boekwaarde) hebben geleid.
Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat de betekenis van de bedrijfswaarde voor de fiscale praktijk niet moet worden overschat. Het gaat bij een dergelijke afwaardering om een structurele daling van de (in)directe opbrengstwaarde beneden de boekwaarde zonder dat de daarmee in verband staande activiteiten worden beëindigd c.q. het desbetreffende activum wordt verkocht. Voor een ondernemer als homo economicus zal dit niet zo gauw van toepassing zijn, net zo min als dat er bij de aanschaf van een activum sprake is van een miskoop.
Conclusie: Door de onroerende-zaakjurisprudentie verschuift de discussie omtrent de inhoud en de vaststelling van de bedrijfswaarde van een activum meer naar de vraag wanneer de directe opbrengstwaarde dienaangaande maatgevend is. De door de Hoge Raad geformuleerde criteria mogen theoretisch zuiver zijn, doch zij beperken zich slechts tot één onderdeel van de bedriffswaardeproblemadek. In de praktijk zullen belanghebbenden trachten de klassieke bedrijfswaarde-definitie te omzeilen, door zich in een situatie te manoeuvreren waarbij de directe opbrengstwaarde voor een mogelijke afwaardering doorslaggevend is. Deze jurisprudentie verschaft in algemene zin geen inzicht in de wijze waarop de bedrijft-waarde van een activum in de zin van indirecte opbrengstwaarde, moet worden bepaald.
Ook een analyse van de jurisprudentie in de Duitse Bondsrepubliek levert geen eenduidige berekeningsmethode van de bedrijfswaarde op (hetgeen overeenstemt met de situatie in Nederland). De zogenaamde Repartitionsmethode (ook wel omschreven als de toedelingsmethode) is aldaar in de jurisprudentie afgewezen terwijl de zogenaamde Differenzmethode in de praktijk weinig ingang heeft gevonden. Zowel in Nederland als in de Duitse Bondsrepubliek wordt gewerkt met (weerlegbare) vermoedens omtrent de bedrijfswaarde (respectievelijk Teilwert). Sterker nog, het lijkt of de praktijk in beide landen de klassieke bedrijfswaardedefinitie volledig ignoreert. Zo staat bij de waardering van deelnemingen de overnemingswaarde van de onderneming (tot wiens vermogen de deelneming behoort) in het geheel niet centraal. Steeds wordt de deelneming sec gewaardeerd waarbij het feit of de 'eigen' onderneming winst maakt of verlies lijdt geheel buiten beschouwing blijft.
Fiscaal gezien is en blijft de uitvoerbaarheid van het vaststellen van de bedrijfswaarde van een individueel activum (zowel in Nederland als in de Duitse Bondsrepubliek) een substantieel probleem. Dit zou kunnen leiden tot een pleidooi voor een wettelijk verbod op het afwaarderen van een activum op lagere bedrijfswaarde, maar een dergelijk verbod zou onrecht doen aan een situatie waarin er sprake is van een structurele waardedaling van een actiefpost.
Wil men de (proces)positie van belanghebbende versterken en diens bewijslast in aanmerkelijke mate verzachten (waarbij de onsplitsbaarheid van een samenstel van activa tot uitgangspunt wordt genomen) dan is een mogelijk alternatief (althans in een substantieel aantal gevallen) de bedrijfswaarde van een activum (en passivum) te vereenzelvigen met de directe opbrengstwaarde.
Toch is dit alternatief om meerdere redenen af te wijzen. Ten eerste zou daardoor het zogenaamde 'gebruikte-auto' effect optreden, dat wil zeggen dat het in gebruik genomen goed meteen in waarde daalt (ongeacht de mate van gebruik of de met het goed behaalde resultaten). Maar omdat deze waardedaling (die bij een verkoop gerealiseerd zou worden) niets met de onderneming te maken heeft, behoort deze in het fiscale resultaat geen rol te spelen. Ten tweede zou een stelsel van waardering op kostprijs (minus afschrijvingen) of lagere directe opbrengstwaarde evident in strijd zijn met goed koopmansgebruik want het daaruit resulterende verlies is geen realiteit zolang het goed niet daadwerkelijk is verkocht. De directe opbrengstwaarde is slechts een momentopname.
Bij toepassing van de klassieke bedrijfswaardeleer daarentegen is het verlies wèl een realiteit. Het gaat daarbij immers om een situatie waarbij een ondernemer enerzijds in de onmogelijkheid verkeert om bedrijfsactiviteiten te staken terwijl anderzijds de in de toekomst met het activum te behalen resultaten aanleiding geven tot een duurzaam lagere indirecte opbrengstwaarde van het actief.
Conclusie: Het is niet mogelijk één allesomvattende oplossing voor de problematiek van de bedriffswaarde in de uitvoeringssfeer te geven.
Het begrip bedrijfswaarde dient echter in het fiscale recht (in het bijzonder in de inkomsten- en vennootschapsbelasting) te worden gehandhaafd nu het in de praktijk zijn bestaansrecht heeft bewezen.
Een algehele vereenzelviging van het begrip 'bedrijfswaarde' met het begrip 'directe opbrengstwaarde' is te verwerpen.
Vanuit rechtsvergelijkend perspectief moet worden geconstateerd dat in de onderzochte landen Frankrijk, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten het begrip bedrijfswaarde nagenoeg onbekend is. De mogelijkheid van verliesneming op vaste activa is aldaar beperkt tot in meer of mindere mate gereglementeerde afschrijvingsregimes. Wel wordt het begrip bedrijfswaarde gehanteerd in Duitsrechtelijk georiënteerde landen, zoals Oostenrijk en Zwitserland. Zweden lijkt een met de (Nederlandse) bedrijfswaarde vergelijkbare waardering op indirecte opbrengstwaarde te kennen maar de praktische betekenis ervan is gering.
De harmonisatie van de directe belastingen in Europees verband ligt nog in een ver verschiet. Maar een invoering van het begrip bedrijfswaarde binnen de EU (Europa-breed) is mogelijk en voorstelbaar. Desondanks zou daardoor een uniforme toepassing van dit waardebegrip in de uitvoeringssfeer nog niet gewaarborgd zijn.
Praktische toepassing van het begrip bedrijfswaarde: een mogelijk alternatief
Met het oog op een meer praktische uitvoerbaarheid van het begrip bedrijfswaarde verwijs ik naar de discussie met betrekking tot het afwaarderen van een activum op lagere bedrijfswaarde versus passivering van badwill (zie hoofdstuk 4, paragraaf 22). Gegeven de bedrijfseconomische onsplitsbaarheid van de waarde van complementair met elkaar verbonden goederen, verdient het de voorkeur om de bedrijfswaarde — in de zin van indirecte opbrengstwaarde vanuit de collectiviteit te benaderen. (Met andere woorden: bepaal de indirecte opbrengstwaarde van de onderneming waarbij vooraf de zelfstandige vruchtdragers zijn geëlimineerd.) Vervolgens dient deze uitkomst met het waardeverschil tussen activa en passiva (exclusief zelfstandige vruchtdragers) volgens de fiscale balans vergeleken te worden waarbij fiscale reserves uiteraard buiten beschouwing behoren te worden gelaten. Een daaruit resulterend negatief waardeverschil dient daarna te worden toegerekend aan de bedrijfsmiddelen en niet in aanmerking te worden genomen door passivering van badwill.
Een cijfervoorbeeld van deze praktische wijze van hantering van het begrip bedrijfswaarde ter illustratie:
Balans BV X ultimo jaar y
Liquide middelen
100
Aandelenkapitaal
40
Voorraden
50
Winstreserves
255
Onroerende zaken
200
Crediteuren
180
Machines
100
Inventaris
25
Totaal
475
Totaal
475
Voor de indirecte opbrengstwaardeberekening van de onderneming zou mijns inziens de zogenaamde discounted cashflowmethode (DCF-methode) als grondslag kunnen dienen (zie hoofdstuk 7, paragraaf 5). Deze aanpak is zeker niet onfeilbaar doch heeft tot voordeel dat daarbij in waardetechnische zin naar de toekomst wordt gekeken en derhalve het meest aansluit bij de realiteit van bedrijfsovernames. Een potentiële koper van een onderneming is niet zozeer gericht op het in de onderneming aanwezige vermogen, doch veeleer gericht op de in zijn ogen daarmee toekomstig te genereren opbrengsten.
Vanuit de praktijk wordt wel eens geredeneerd dat de waardebepaling van de onderneming volgens de DCF-methode slechts het uitgangspunt vormt voor de onderhandelingen tussen koper en verkoper. Het is voorstelbaar dat de koper de DCF-waarde van de onderneming nooit zal willen betalen omdat op basis daarvan vrijwel alle toekomstige winsten ten goede komen aan de verkoper van de onderneming. Desondanks ben ik van mening dat deze methode een betere graadmeter voor de waarde van een onderneming is dan klassieke waarderingsmethoden die gebaseerd zijn op een formule van intrinsieke en rentabiliteitswaarde. Bovendien kan met het aspect van de maximale waarde bij de hierna nog te behandelen aannames rekening worden gehouden.
Bij de DCF-methode worden geen winsten gedisconteerd zoals bij de rentabiliteits- en goodwillmethode, maar vrije kasstromen. Problemen ontstaan in dit verband met name bij de bepaling van de te verwachten kasstromen alsmede van de te hanteren disconteringsvoet. Dit is als het ware de achilleshiel van de DCF-methode want kleine wijzigingen in genoemde parameters kunnen van grote invloed zijn op de uitkomst van de waardeberekening. Dit neemt naar mijn mening niet weg dat de op deze wijze vastgestelde waarde de realiteit het dichtst benadert.
Indien bijvoorbeeld de bedrijfswaarde van de gehele onderneming op basis van een indirecte opbrengstwaardeberekening volgens de DCF-methode kan worden berekend op 150, is de vraag relevant welke consequenties dit heeft voor de toerekening aan de diverse activa.
Het bedrag van 150 dient ter vaststelling van de bedrijfswaarde van de activa te worden vermeerderd met de crediteuren ad 180 = 330. Vervolgens moet voormelde 330 te worden toegerekend aan de diverse activa. Indien in de liquide middelen geen positieve of negatieve stille reserves aanwezig zijn, resteert voor de overige activa 330 minus 100 = 230. Verder behoren de voorraden gewaardeerd te worden op kostprijs of lagere inkoopwaarde. Indien de lagere inkoopwaarde op 30 uitkomt dan resteert er aan bedrijfswaarde voor de diverse bedrijfsmiddelen 230 minus 30 = 200.
De toerekening van de bedrijfswaarde aan de onderscheiden bedrijfsmiddelen moet voorts bij gebreke aan een andere adequate vorm van toerekening op basis van de boekwaarden geschieden12:
Bedrijfswaarde onroerende zaken 200/ 325 x 200
= afgerond 123.
Bedrijfswaarde machines 100/325 x 200
= afgerond 62.
Bedrijfswaarde inventaris 25/ 325 x 200
= afgerond 15.
Het verlies uit afwaardering van materiële activa op lagere bedrijfswaarde bedraagt zodoende 325 minus 200 = 125.
Bovenomschreven waarderingsmethode van activa beoogt niet alleen het fiscale begrip bedrijfswaarde een eigentijdse invulling te geven, maar ook de praktijk een handreiking te bieden. Er kan niet worden gezegd dat van deze berekening een sterk vereenvoudigende werking uitgaat, ook bevat het schatten van toekomstige kasstromen onzekere elementen. De problemen met betrekking tot het vaststellen van de bedrijfswaarde zijn daarmee zeker niet de wereld uit. Een voordeel is evenwel dat op basis hiervan een meer uniforme waardebepaling van de bedrijfswaarde (in het bijzonder voor wat betreft het moeilijke terrein van de complementair verbonden activa) bereikt wordt.