Omzetting van rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/3.5.3:3.5.3 Oók fiscale begeleiding bij afwezigheid winst
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/3.5.3
3.5.3 Oók fiscale begeleiding bij afwezigheid winst
Documentgegevens:
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS492817:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het belang van de fiscale begeleiding is ook hier gelegen in de sfeer van de verliescompensatie.
Vgl. art. 14 lid 7, art. 14a lid 5 en art. 14b lid 4 Wet VPB 1969.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tekst van art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 staat zonder meer toe dat ook in gevallen waarin de ficties niet tot verschuldigdheid van de genoemde belastingen leiden (bijvoorbeeld omdat er geen eindafrekeningswinst valt te constateren), verzocht kan worden om fiscale begeleiding. Het belang daarvan is vooral gelegen in de verrekenbaarheid van de eventueel aanwezige compensabele verliezen ex art. 20 Wet VPB 1969 bij de omzettende rechtspersoon. Die worden namelijk op de voet van de tweede standaardvoorwaarde ‘meegegeven’, zodat zij kunnen worden verrekend met na de omzetting behaalde winsten (zie par. 3.5.6.3 hierna). Indien een bedrijfsfusie, juridische fusie of splitsing fiscaal wordt begeleid hoewel dat er geen winst wordt behaald, houdt de Staatssecretaris van Financiën de mogelijkheid open door middel van aanvullende voorwaarden te voorkomen dat aan de desbetreffende reorganisatie ‘in materiële zin terugwerkende kracht wordt verleend.’1,2 Mede met het oog hierop is in het delegatiekader van de bedrijfsfusie, juridische fusie en splitsing opgenomen dat ‘voorwaarden kunnen worden gesteld indien (...) de waarde in het economische verkeer van de (...) vermogensbestanddelen lager is dan de boekwaarde van deze bestanddelen.’3 Het verrekeningspotentieel van – nog niet gerealiseerde – verliezen zou anders immers op onbedoelde wijze kunnen worden verruimd. Denk bijvoorbeeld aan een reeds latent aanwezig boekverlies op een bedrijfsmiddel bij de verdwijnende rechtspersoon dat na de juridische fusie wordt afgezet tegen winsten van de verkrijgende rechtspersoon. Omdat bij een omzetting geen sprake kan zijn van een verruiming van het verrekeningspotentieel van – nog niet gerealiseerde – verliezen, bestaat naar mijn mening géén behoefte aan een aanvullende voorwaarde in de situatie dat negatieve winst wordt behaald bij een omzetting. De inspecteur kan in deze situatie dan ook het verzoek ex art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 - bij bepaalde omzettingsvormen - zelf afdoen (zie par. 3.5.4.2 hierna).