Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.4.3:4.4.3 Buitengerechtelijke afdoening door het Europees OM
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.4.3
4.4.3 Buitengerechtelijke afdoening door het Europees OM
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vervaele & Klip 2001, p. 637-678, p. 666, 671-672.
Delmas-Marty & Vervaele 2000-2001, dl. I, p. 322-324.
Groenboek, p. 54-55.
Proposal for a Council Regulation on the establishment of the European Public Prosecutor’s Office, COM(2013) 534.
Zie het voorstel, overweging 31.
Overweging 31 van het voorstel.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Nederlandse praktijk van buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten is sterk de invloed van het opportuniteitsbeginsel te herkennen. Dat uitgangspunt heeft steeds geleid tot het ontwikkelen van nieuwe afdoeningsmodaliteiten, zo bood het de grondslag voor de ontwikkeling van de transactie en het voorwaardelijk sepot. Zodra een vorm van afdoening niet meer gebaseerd is op wilsovereenstemming van de betrokken verdachte en de strafvorderlijke overheid die afziet van de inzet van zijn bevoegdheden, kan echter niet meer vertrouwd worden op het opportuniteitsbeginsel en is een expliciete wettelijke grondslag noodzakelijk, zoals bij de strafbeschikking.
Wanneer niet het opportuniteitsbeginsel als uitgangspunt wordt genomen, maar het legaliteitsbeginsel, is de mogelijkheid om afdoeningsmodaliteiten te ontwikkelen vanuit de algemene discretionaire bevoegdheid natuurlijk uitgesloten. Dat is het geval bij enkele stukken ter voorbereiding van de oprichting van het Europees om, zoals het Corpus Juris. Dat bevat ook mogelijkheden voor buitengerechtelijke afdoening, maar deze zijn niet hetzelfde als de Nederlandse transactie: door met het Europees om te transigeren bekent een verdachte dat hij schuld heeft aan het strafbare feit.1 Daartegen werden wel bezwaren ingebracht vanuit Nederlands perspectief, maar die leidden niet tot een andere invulling van de transactiebevoegdheid.2
In het Groenboek dat op de Corpus Juris-studie volgde stelde de Commissie zich op het standpunt dat het Europees om aan een legaliteitsbeginsel moet worden gebonden, maar daarop zouden wel uitzonderingen mogelijk moeten zijn. Daarbij sloot de Commissie zich aan bij de rapporten van het Corpus Juris-project. Eén van de uitzonderingsgronden betreft de transactie, die echter slechts mogelijk zou moeten zijn bij fraude met bescheiden bedragen.3
In het Commissievoorstel voor een verordening ter oprichting van het Europees om4 is ook een mogelijkheid voor transactie opgenomen (in artikel 29). Deze mogelijkheid wordt door de Commissie gerechtvaardigd geacht voor gevallen waarin een strafzaak niet wordt geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs, of omdat het een bagateldelict betreft, maar waarin er ook onvoldoende redenen zijn om over te gaan tot het instellen van vervolging. Het aanbieden van een transactie aan de verdachte zou in dergelijke gevallen mogelijk moeten zijn wanneer dat in het belang van een goede rechtsbedeling is.5 De regels voor het transigeren worden slechts gedeeltelijk in de verordening opgenomen, en zouden moeten worden uitgewerkt in administratieve regelgeving, door het Europees om zelf op te stellen. Opmerkelijk is in ieder geval wel, dat de ontwerpverordening overweegt dat het voldoen aan een transactie niet in de weg staat aan het later opgelegd krijgen van een administratieve sanctie, mits deze niet punitief van aard is.6 Volgens de ontwerpverordening is het slechts mogelijk om over te gaan tot een transactie wanneer alle schade door de verdachte is gecompenseerd. De enige transactievoorwaarde bestaat uit het betalen van een geldsom, bij voldoening waarvan het recht tot strafvordering komt te vervallen. Relevante strafvorderlijke autoriteiten worden door het Europees om op de hoogte gesteld van de gevallen waarin getransigeerd is, en de uitoefening van de transactiebevoegdheid is niet onderworpen aan rechterlijke controle.
De vormgeving van de transactiebevoegdheid in de ontwerpverordening laat daarmee aanzienlijk meer ruimte aan de Europese officier van justitie dan de regeling uit het Groenboek. Er is in het voorstel van de Commissie geen duidelijk maximumbedrag opgenomen van de fraude waarvoor getransigeerd mag worden. Zeker het feit dat het voor bagateldelicten al mogelijk is om te seponeren, en de transactiebevoegdheid die feiten nog aanvult, geeft aan dat het niet uitsluitend om geringe bedragen zal gaan. Een en ander zal nog wel moeten worden geregeld in aanvullende regelgeving; de transactieregeling in de ontwerpverordening is nog erg summier en het is daarom beter om voorlopig voorzichtige conclusies te trekken.