Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.E.5
III.E.5. Kwijting en decharge?
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402677:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Den Haag 17 augustus 2005 (niet gepubliceerd), zaaknummers: 219342 en 227927, rolnummers: 04-1228 en 04-2996. Het betrof een notaris-executeur.
MICHAEL BONEFELD, Die Entlastung des Testamentsvollstreckers (diss. Hamburg) 2004, 'Einleitung'. Als definitie van Entlastung van de Testamentsvollstrecker geeft hij, p. 180: 'die Billigung einer in der Vergangenheit liegenden Verwaltung durch den Testamentsvollstrecker.'
L.L.M. PRINSEN, Rekenplicht en aansprakelijkheid(diss. Tilburg), Schoordijk Instituut, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1995, p. 187.
Interessant voor de executeur in deze is wellicht de gedachte aan het 'retentierecht'. Zie AS-SER-KORTMANN-DE LEEDE-THUNNISSEN 5-III, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1994, nr. 67, p. 53 waar te lezen is: 'De opdrachtnemer mag het retentierecht uitoefenen voor vorderingen die hun grond vinden in de opdracht. [...] Hieronder vallen niet alleen het aan de opdrachtnemer toekomende loon, maar bijvoorbeeld ook [...].' Dit staat en valt mijns inziens ook met de presentatie van een en ander. ASSER-PERRICK 6B, Erfrecht, Deventer: Kluwer, nr. 533 stelt dan ook (onder verwijzing naar Rechtbank Arnhem 27 april 1939, NJ 1940, 570) dat het de executeur niet toegestaan is aan de afgifte van de goederen der nalatenschap en aan het doen van rekening en verantwoording de voorwaarde te verbinden, dat hem eerst decharge voor zijn beheer wordt verleend.
Dat men er als executeur niet zonder meer wakker van hoeft te liggen dat een erfgenaam geen kwijting en decharge wenst te verlenen, blijkt uit een ongepubliceerde uitspraak1 van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2005 waarin de erfgenamen werden veroordeeld 'om binnen 14 dagen na de datum van betekening van het vonnis decharge te verlenen voor de rekening en verantwoording voor de verdeling zoals opgemaakt door de notaris.' In een recente dissertatie over de Entlastung (de decharge) van de Testamentsvoll-strecker concludeert en waarschuwt Bonefeld:2
'In der Praxis kommt es hingegen nicht selten zu Streit zwischen den von der Testamentsvollstreckung Betroffenen unddem Testamentsvollstrecker selbst. [...]. Nach Beendigung samtlicher Geschafte im Rahmen einerTestamentsvoll-streckung steht derTestamentsvollstrecker vor dem Problem, wie er seineTestamentsvollstreckung beenden kann, ohne in der Zukunft vermeintlichen Haf-tungsanspruchen der Erben ausgesetzt zu sein.'
Reden genoeg om in ons stelsel de uitspraak van de Rechtbank Den Haag te koesteren over de 'vervangende Entlastung'. Bonefeld komt immers (p. 185) tot de conclusie: 'Dem Testamentsvollstrecker ist kein Anspruch auf Entlastung zuzubilligen.' Hoe gaat een en ander in de praktijk dan in zijn werk? 'Es handelt sich um nicht judizierbare psychologischeTatbestande.'
Prinsen lijkt in zijn dissertatie3 in het midden te laten of er een recht is op 'kwijting en decharge':
'Beheersbevoegheidimpliceert als regel een zekere vrijheid (''freies Ermessen''). Over de wijze waarop daarvan gebruik is gemaakt, dient aan de belanghebbende rekening en verantwoording te worden afgelegd. Wordt de verleende bevoegd-heidook bij uitleg van het daartoe behorende ''freies Ermessen'' niet overschreden, dan vrijwaart een deugdelijke verantwoording de rekenplichtige in het algemeen van aansprakelijkheid jegens de belanghebbende in hun interne rechtsbetrekking. De daartoe door de rekenplichtige bijgehouden administratie is voor het verkrijgen van kwijting (decharge) van groot belang.'
Als ik het goedzie is (vrijwillige) decharge iets waar men op hoopt, niet iets waar men zonder meer recht op heeft, maar dat 'spontaan' verdiend zal moeten worden.4 Een onvrijwillige decharge kan men proberen via de rechter af te dwingen, zoals hiervoor gezien in de ongepubliceerde uitspraak van Rechtbank Den Haag. Men zou via de quasi-overeenkomstgedachte wellicht ook nog kunnen terugvallen op art. 6:48 BW waar in het algemeen de kwi-teerplicht is geregeld voor het nakomen van verbintenissen, zij het dat daar gesproken wordt van 'tenzij uit overeenkomst, gewoonte of billijkheid anders voortvloeit.'