Bundeling van omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/6.4.3.7:6.4.3.7 Natuurschoonwet 1928
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/6.4.3.7
6.4.3.7 Natuurschoonwet 1928
Documentgegevens:
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS359688:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1 lid 1 onder a Natuurschoonwet 1928 verstaat onder landgoed: een in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak - daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen - voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is.
Zie par. 3.2.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Natuurschoonwet 1928 voorziet in fiscale faciliteiten voor landgoedeigenaren die hun landgoed1 als eenheid in stand houden en daarmee bijdragen aan het natuurschoon. Gezien het specifieke fiscale karakter van deze wet en het ontbreken van een directe samenhang met de beschermingsregimes in het ontwerp Wet natuurbescherming is ervan afgezien de Natuurschoonwet 1928 in dit ontwerp mee te nemen.
Wetssystematisch acht ik deze motivering onjuist. Als het ontwerp wordt bepaald door het samenhangcriterium natuur dan dient dat criterium volgens mij ook het wetssysteem van het ontwerp te bepalen.2 Door daarvoor niet te kiezen aanvaardt de regering wetssystematische tekorten door regels die eveneens van belang zijn voor de bescherming van de natuur buiten het ontwerp te houden.
Het specifieke fiscale karakter van de Natuurschoonwet 1928 betekent niet dat de in deze wet opgenomen bepalingen geen plaats zouden kunnen krijgen in het ontwerp Wet natuurbescherming. De Natuurschoonwet 1928 zelf toont aan dat een wetssysteem dat is bedoeld om natuurschoon te bevorderen specifieke fiscale bepalingen kan bevatten.
Ook het ontbreken van een directe samenhang met de beschermingsregimes in het ontwerp Wet natuurbescherming, wat daarvan ook zij, vormt een onvoldoende onderbouwing voor de verdedigbaarheid van het niet opnemen van de bepalingen in de Natuurschoonwet 1928 in het ontwerp. De vraag is immers niet of die bepalingen een directe samenhang vertonen met de beschermingsregimes in dat ontwerp, maar of die bepalingen beantwoorden aan het samenhangcriterium natuur. Mij lijkt dat bepalingen die beogen natuurschoon te bevorderen ook beantwoorden aan genoemd samenhangcriterium.