Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.7.3
12.5.7.3 Een in het buitenland gelegen vi gaat over naar een in het buitenland gevestigde verkrijger
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491596:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de onderdelen 7.3.5 (situatie 2) en 11.6.2.2.
Zoals al is opgemerkt, kan standaardvoorwaarde 1, lid 1 ook acute heffing van vennootschapsbelasting tot gevolg hebben ingeval de objectvrijstelling van art. 15e Wet VPB 1969 is uitgeschakeld op grond van het overgangsrecht in art. 33b, lid 1, Wet VPB 1969. Het gaat dan over situaties waarin nog een inhaalclaim aanwezig is in verband met de t/m 2011 geldende belastingvrijstelling. De belastingheffing die standaardvoorwaarde 1, lid 1 in verband met dit overgangsrecht oproept, is niet in strijd met de Fusierichtlijn. Art. 10, lid 1, tweede volzin, Fusierichtlijn bepaalt namelijk het volgende: “De lidstaat waaronder de inbrengende vennootschap ressorteert, mag bij het vaststellen van de belastbare winsten van deze vennootschap de vroegere verliezen van de vaste inrichting welke eventueel van de belastbare winst van die vennootschap in die lidstaat zijn afgetrokken en welke niet zijn gecompenseerd, bij de belastbare winsten optellen.” Overigens worden de voorheen in aanmerking genomen buitenlandse verliezen in het Nederlandse systeem niet ineens bij de winst opgeteld. De objectvrijstelling blijft ‘slechts’ buiten toepassing op ten hoogste de gerealiseerde vi-winst en voor zover nog inhaalverliezen openstaan. Hierna laat ik dit overgangsrecht buiten beschouwing.
Zie onderdeel 7.3.5 (situatie 2).
In de bijdragewinst is met betrekking tot de machine in de periode tussen de overbrenging en de splitsing een afschrijvingslast van € 100.000 tot uitdrukking gekomen (€ 300.000 -/- € 200.000). In de voorkomingswinst is in die periode een afschrijvingslast verwerkt van € 150.000 (€ 700.000 -/- € 550.000). De bijdragewinst was in de genoemde periode dus € 50.000 hoger dan de voorkomingswinst.
Waarde in het economische verkeer € 700.000, verminderd met de fiscale boekwaarde bij het hoofdhuis € 200.000.
Waarde in het economische verkeer € 700.000, verminderd met de fiscale boekwaarde op het niveau van de vi € 550.000.
Ik schrijf bewust lijkt; zie hierna.
Aldus ook bijvoorbeeld Simonis, WFR 1991/1646, onderdeel 8, Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 3.11, p. 63-64, Van den Brande, EC Tax Review 2005-3, onderdeel 3.2.4, p. 123, Van der Burgt 2009, onderdeel 2.3.7, p. 40-42 en Boulogne in: Terra/Wattel European Tax Law (Vol. 1) 2018, onderdeel 7.11, p. 311-312. Zie ook Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nr. 3, p. 16, waarin wordt opgemerkt dat ‘bij systemen van wereldwinst is gedacht aan zgn. creditlanden’. Van der Laan in: Europese (ontwerp-)richtlijnen 1992, hoofdstuk 1, onderdeel 3.4.6, p. 40-41, leest de tekst van art. 10, lid 2, Fusierichtlijn echter anders en meent ‘dat Nederland aan de nationale voorkomingsregels mag vasthouden’. Van den Broek 2012, onderdeel 6.3.7.2.1.1, p. 272-273, zit op hetzelfde spoor. Deze auteur schrijft dat de vrijstellingsmethode ook een methode is om verlichting te geven voor buitenlandse belasting. In navolging van Van der Laan wijst hij erop dat de woorden ‘op dezelfde manier’ in art. 10, lid 2, Fusierichtlijn uitdrukken dat er verschillende manieren zijn om dubbele belasting te voorkomen. Ik vind deze onderbouwing niet overtuigend. Dat de vrijstellingsmethode ook een manier is om dubbele belasting te voorkomen, is een feit, maar onderbouwt het standpunt niet. De woorden ‘op dezelfde manier’ in art. 10, lid 2, Fusierichtlijn maken mijns inziens slechts duidelijk dat een vergelijking moet worden gemaakt met een ‘wat als-scenario’, namelijk het scenario waarin door de vi-staat daadwerkelijk belasting zou zijn geheven.
Zie overweging 5 in de considerans van de Fusierichtlijn.
In deze zin ook Van der Laan in: Europese (ontwerp-)richtlijnen 1992, hoofdstuk 1, onderdeel 3.4.6, p. 41. Van den Brande-Boomsluiter, WFR 1998/1557, onderdeel 7.2.1, kan zich niet in deze redenering vinden. Zij schrijft dat wordt geheven over een bedrijfsmiddel dat toebehoort aan de vi.
Een mogelijke schematische weergave van deze situatie ziet er als volgt uit:
Doorgaans blijft heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting achterwege op grond van de objectvrijstelling van art. 15e Wet VPB 1969. Het waarderingsvoorschrift in standaardvoorwaarde 1, lid 1 heeft dan geen heffingsgevolgen. Dat lijdt uitzondering als de omvang van de winst die op grond van de objectvrijstelling wordt vrijgesteld (voorkomingswinst), niet gelijk is aan de bijdrage die de vi levert aan de wereldwinst (bijdragewinst). Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de splitser vóór de splitsing vermogensbestanddelen met fiscale meerwaarden vanuit het hoofdhuis heeft overgebracht naar de vi.1 Een verschil in voorkomings- en bijdragewinst kan ook worden veroorzaakt door valutaresultaten. Een derde mogelijkheid is dat er nog ‘inhaalclaims’ zijn. In dergelijke gevallen kan standaardvoorwaarde 1, lid 1 resulteren in splitsingswinst die niet is vrijgesteld op grond van de objectvrijstelling. Op verzoek kan dan de regeling voor gespreide betaling worden toegepast (art. 25b IW 1990). Naar mijn mening kan de huidige regeling met een kleine aanpassing beter in overeenstemming worden gebracht met de fiscaal-theoretische toets, namelijk door de splitser de hiervóór bepleite keuzemogelijkheid in de invorderingssfeer te bieden. Gelet op de fiscaaltechnische toets dient ervoor te worden gezorgd dat de wetstechnische vormgeving in orde is. Zie verder de uitwerking eerder in dit onderdeel. Eindresultaat is dat de fiscale outbound GOS minder belemmerend wordt behandeld dan nu het geval is.
Het is echter de vraag of dit gelet op de toets aan hoger recht voldoende is. Het is namelijk niet duidelijk of de acute vennootschapsbelasting die voortvloeit uit standaardvoorwaarde 1, lid 1 in overeenstemming is met de Fusierichtlijn.2 Om dit punt begrijpelijk voor het voetlicht te brengen, grijp ik terug op een voorbeeld dat eerder in dit onderzoek is uitgewerkt:3
“S BV brengt een machine duurzaam over van het hoofdhuis naar haar buitenlandse vi. Op dat moment was de waarde in het economische verkeer € 700.000 en de fiscale boekwaarde € 300.000. Na deze overbrenging wordt de jaarlijkse afschrijvingslast voor de vaststelling van de voorkomingswinst berekend over € 700.000. Voor de berekening van de bijdragewinst ondergaat de jaarlijkse afschrijvingslast geen verandering. Als gevolg hiervan ontstaat jaarlijks een verschil in de afschrijvingslast; de jaarlijkse voorkomingswinst is in zoverre lager dan de bijdragewinst. Op die manier wordt ieder jaar een deel van de ten tijde van de duurzame overbrenging aanwezige stille reserve van € 400.000 gerealiseerd. Een aantal jaren na de overbrenging van de machine komt een splitsing tot stand: S BV is de splitser en de in Duitsland gevestigde V GmbH is de verkrijger. De vi van S BV gaat bij deze splitsing over naar V GmbH. In de periode tussen de overbrenging van de machine en de splitsing is afgeschreven over de machine. Direct vóór de splitsing is de boekwaarde van de machine op de ‘hoofdhuisbalans’ € 200.000 en op de ‘vi-balans’ € 550.000. Dit betekent dat de Nederlandse belastingclaim op de stille reserve die op het tijdstip van de overbrenging zat opgesloten in de machine, is geëffectueerd voor € 50.000.4 De waarde in het economische verkeer van het vermogensbestanddeel is op het splitsingstijdstip onveranderd, namelijk € 700.000. Toegespitst op de machine leidt de overdrachtsfictie tot een bijdragewinst van € 500.000.5 De voorkomingswinst is € 150.000.6 Het verschil is € 350.000 en dat is gelijk aan de stille reserve van de machine ten tijde van de duurzame overbrenging, € 400.000, verminderd met het bedrag waarmee al rekening is gehouden door het verschil in afschrijving, € 50.000.”
In het geval van een fiscaal gefaciliteerde splitsing zorgt standaardvoorwaarde 1, lid 1 ervoor dat vennootschapsbelasting wordt geheven over € 350.000. De vraag die voorligt, is of de Fusierichtlijn deze acute belastingheffing toestaat.7 Art. 10, lid 1, eerste volzin, Fusierichtlijn bepaalt het volgende:
“Indien tot de bij een fusie, een splitsing, een gedeeltelijke splitsing of een inbreng van activa ingebrachte goederen een vaste inrichting van de inbrengende vennootschap behoort welke is gelegen in een andere lidstaat dan die waaronder de inbrengende vennootschap ressorteert, ziet de lidstaat van de inbrengende vennootschap af van ieder recht tot belastingheffing ten aanzien van die vaste inrichting.”
In art. 10, lid 2, Fusierichtlijn is op deze hoofdregel de volgende uitzondering geformuleerd:
“In afwijking van lid 1 heeft de lidstaat van de inbrengende vennootschap die fiscaal een stelsel van wereldwinst toepast, het recht de winst of de vermogenswinst van de vaste inrichting die het resultaat is van de fusie, splitsing, gedeeltelijke splitsing of inbreng van activa, te belasten, op voorwaarde dat hij de aftrek toestaat van de belasting die zonder de bepalingen van deze richtlijn op die winst of die vermogenswinst zou zijn geheven in de lidstaat waar die vaste inrichting is gelegen, op dezelfde manier en voor hetzelfde bedrag als hij zou hebben gedaan indien die belasting werkelijk was geheven en betaald.”
Indien art. 10, lid 1, Fusierichtlijn grammaticaal wordt geïnterpreteerd, lijkt de belastingheffing die voortvloeit uit standaardvoorwaarde 1, lid 1 niet toegestaan.8 De uitzondering in art. 10, lid 2, Fusierichtlijn staat vervolgens weliswaar belastingheffing toe ingeval de lidstaat van de splitser een stelsel van wereldwinst toepast, zoals Nederland doet, maar eist tegelijkertijd dat die lidstaat ‘aftrek’ van belasting verleent. Mijns inziens is art. 10, lid 2, Fusierichtlijn gericht op lidstaten die voor de voorkoming van dubbele belasting gebruikmaken van de verrekeningsmethode (creditsystem).9 Aangezien Nederland ter voorkoming van dubbele belasting de objectvrijstelling toepast, lijkt Nederland geen gebruik te kunnen maken van deze uitzonderingsbepaling. Dit zou kunnen betekenen dat Nederland niet tot belastingheffing zou mogen overgaan, in het voorbeeld over € 350.000. Deze uitkomst laat zich niet goed rijmen met een van de doelstellingen van de Fusierichtlijn, te weten het veiligstellen van de financiële belangen van de lidstaat (Nederland) van de splitsende rechtspersoon.10
Het is mijns inziens echter maar zeer de vraag of dit niet een te simpele analyse is van de problematiek. Vertaald naar het hiervóór behandelde voorbeeld is het bedrag van € 350.000, dat op grond van standaardvoorwaarde 1, lid 1 wordt belast, niets anders dan het restant van de stille reserve die betrekking heeft op de eerdere overbrenging van de machine vanuit het hoofdhuis naar de vi. Deze winst moet mijns inziens dan ook niet worden beschouwd als belastingheffing ten aanzien van de vi als bedoeld in art. 10, lid 1, Fusierichtlijn, maar als een uitgestelde belastingheffing ten aanzien van de splitsende rechtspersoon (hoofdhuis).11 In deze uitleg staat art. 10, lid 1, Fusierichtlijn niet in de weg aan de belastingheffing die standaardvoorwaarde 1, lid 1 oproept. Mijns inziens kan een vergelijkbare redenering worden gevolgd met betrekking tot valutaresultaten die niet tot uitdrukking komen in de voorkomingswinst en om die reden niet onder het bereik van de objectvrijstelling vallen. Op basis van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat de belastingheffing die voortvloeit uit standaardvoorwaarde 1, lid 1 met betrekking tot de overgang van een buitenlandse vi naar (een) in het buitenland gevestigde verkrijger(s) niet in strijd is met de Fusierichtlijn.