Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/5.3.1
5.3.1 Inleiding
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Specifications on the implementation of the Two Pack 2016, p. 11.
Zie ook Bijlage bij COM(2012) 342 final, beginsel 7 (Gemeenschappelijke beginselen): ‘Bij het opzetten van de (…) instellingen wordt rekening gehouden met het reeds bestaande institutionele kader en de landenspecifieke structuur (…).’
In de Wet HOF is de praktijk dat de Minister van Financiën de macro-economische ramingen van het CPB als uitgangpunt neemt voor de opstelling van de begroting wettelijk verankerd. Hiermee is het een wettelijke verplichting geworden voor de Minister van Financiën om de cijfers van het CPB ten grondslag te leggen aan de begroting. Zie ook artikel 4 lid 1 en 5 Richtlijn 2011/85/EU.
Naast het vereiste om cijfermatige begrotingsregels op te nemen in nationale wetgeving blijkt uit artikel 3Fiscal Compact, artikel 6 Richtlijn 2011/85/EU en artikel 5 Verordening (EU) 473/2013 dat de lidstaten op nationaal niveau over een onafhankelijke instantie moeten beschikken die belast is met het toezicht op de naleving van deze regels.
Het toezicht valt uiteen in twee taken: ten eerste het aanleveren van onafhankelijke ramingen en analyses en ten tweede het monitoren van de Europese begrotingsregels op basis van deze gegevens.1 De taken van de onafhankelijke toezichthouder heeft de regering bij twee instanties belegd, mede op basis van het reeds in Nederland bestaande institutionele kader en de bestaande instellingen.2 Het CPB levert de onafhankelijke prognoses aan (artikel 2 lid 9 Wet HOF)3 en de Raad van State geeft op basis van de cijfers van het CPB een oordeel over de begroting in het licht van de Europese begrotingsregels.
Hierna wordt eerst stilgestaan bij de eisen zoals die worden gesteld aan het onafhankelijk begrotingstoezicht. Verder wordt gekeken naar de Wet HOF en de verankering van het begrotingstoezicht in deze wet. Daarnaast wordt nader ingegaan op de wijze waarop de Raad van State invulling geeft aan het uitoefenen van de taak van onafhankelijk begrotingstoezicht.