Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.2.2.3:2.2.2.3 Latere herzieningen
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.2.2.3
2.2.2.3 Latere herzieningen
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen Eerste Kamer 1930-1931, p. 175-208.
Met name dit laatste punt (dat door middel van het amendement-Boon in de Gemeentewet is terechtgekomen) heeft voor scherpe debatten gezorgd en heeft, vooral in de Eerste Kamer, tot een relatief groot aantal tegenstemmers geleid.
Wet van 15 juli 1948, Stb. 1948, 30. Zie par. 3.2.
Wet van 13 november 1969, Stb. 1969, 535. Zie par. 2 en 5 van hoofdstuk 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Latere grondwetsherzieningen die voor deze studie relevant zijn, zijn de grondwetsherzieningen van 1887 en 1983. In 1887 werd de figuur van het medebewind voor het eerst grondwettelijk erkend (art. 144 lid 3 GW-1887). De laatste algehele grondwetsherziening van 1983 bracht — opmerkelijk genoeg voor het eerst — een constitutionalisering van de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders.
De eerste grote herziening van de Gemeentewet vond plaats in 1931. Deze herziening bracht een aantal technische wijzigingen in de Gemeentewet. In tegenstelling tot een eerder herzieningsontwerp dat nimmer het Staatsblad haalde, bleven de centrale gedachten achter de Gemeentewet-1851 door de herziening van 1931 onaangetast. Hierdoor droegen de meeste wijzigingen een weinig fundamenteel karakter. Eerste Kamerlid en voormalig minister van Binnenlandse Zaken Rink zei over deze herziening bij de behandeling treffend: "Wij zijn van oordeel dat dit wetsontwerp een eenigszins willekeurig gekozen collectie van veranderingen in de Gemeentewet bevat, waarin één gedachte ontbreekt, maar dat de meerderheid van die wijzigingen verbeteringen zijn."1 De 'collectie van veranderingen' bevatte onder meer een wijziging ten aanzien van delegatie, gemeenschappelijke regelingen, de instelling van de takken van dienst en de openstelling van het burgemeestersambt voor vrouwen.2
Ook na 1931 is de Gemeentewet veelvuldig partieel gewijzigd. Zo is de invoering van de vertrouwensregel op gemeentelijk niveau in 1948 van groot belang voor de verhouding tussen raad en college geweest.3 Dit geldt ook voor de uitbreiding van de verantwoordingsplicht voor de collegeleden in 1969. Hierdoor kwam deze plicht eveneens te gelden voor het medebewind en voor de openbare ordebevoegdheden van de burgemeester.4 In het spoor van de grondwetsherzieningen van 1887 en 1917 wordt het kiesrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen uitgebreid. In 1985 wordt dit zelfs uitgebreid tot bepaalde categorieën niet-Nederlanders.