Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/4.1
4.1 Inleiding
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631776:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Vranken Algemeen deel **** (2014), nr. 1.2 voor een discussie over juridisch-dogmatisch onderzoek.
Vgl. Mousourakis (2016), hfdst. 8 over de juristen in de klassieke periode van het Romeinse recht: “Depending on whether a legal rule had been expressed in broad or narrow terms, they sought to make more concrete through a restrictive construction or expand through an extensive construction the scope of the relevant provision. In dealing with problems relating to silence of or ambiguity in the law they often relied upon the methods of comparing and analogy and utilized such general concepts as aequitas, utilitas and humanitas. Of particular importance in the work of interpretation was the concept of aequitas, which was often relied upon to correct or expand existing rules of law so that they could better meet the needs of social and commercial life”.
In het vorige hoofdstuk, waarin een eerste terreinverkenning plaatsvond, is in de eerste plaats gekeken naar wat in Boek 2 BW over de quasi-bestuurder is te vinden, en in de parlementaire geschiedenis hoe die bepalingen volgens de wetgever moeten worden begrepen. Vervolgens is aan de hand van de literatuur en rechtspraak onderzocht hoe vanuit de rechtswetenschap en de rechtspraktijk naar de quasi-bestuurder wordt gekeken en daarmee wordt omgegaan. Dat hoofdstuk is voornamelijk beschrijvend van karakter. In dit hoofdstuk wordt het fenomeen quasi-bestuurder geanalyseerd aan de hand van het rechtssysteem en daaraan ten grondslag liggende beginselen. De hoofdvraag in dat verband luidt: nemen de statutaire bestuurder en de quasi-bestuurder wat betreft hun aansprakelijkheid materieel een volledig gelijke positie in?
De onderwerpen die in dit hoofdstuk aan de orde komen zijn voor dit onderzoek centrale thema’s die betrekking hebben op de grondslagen en leerstukken van het (rechtspersonen)recht.1 De in hoofdstuk 5 te bespreken onderwerpen kunnen (deels) worden gezien als een uitwerking en toepassing van de analyses en stellingname in dit hoofdstuk. De in dit hoofdstuk aan de orde komende vragen zijn nodig om beter inzicht in het rechtssysteem te verwerven. Of een bepaalde regeling of interpretatie wel of niet past binnen een systeem veronderstelt dat inzicht. Dat wil niet zeggen dat daaruit ook in alle gevallen dwingende conclusies kunnen worden getrokken. Het inzicht kan bij verschillende beoefenaren van de rechtswetenschap nu eenmaal verschillen, en soms moeten simpelweg keuzes worden gemaakt, bijvoorbeeld op grond van wat door de betrokkene als de meest billijke uitkomst wordt gezien.2 Dat is niet noodzakelijk onwetenschappelijk, op voorwaarde dat die keuze duidelijk wordt uitgelegd en daardoor toetsbaar wordt gemaakt.
Voor zover wetten en daarop gebaseerde regelgeving betrekking hebben op gedragsnormen, en bij vragen rond aansprakelijkheid van quasi-bestuurders en eventueel op hen rustende verplichtingen gaat het om gedragsnormen, beschouw ik die als een stolling van waarden en normen die op dit moment op een breed draagvlak in de betrokken samenleving kunnen rekenen. In een juridische context wordt dan over rechtsbeginselen gesproken. Welke beginselen zijn in het kader van dit onderzoek relevant? En wat kunnen we over de fundering of de geldigheid daarvan zeggen? En hoe verhouden gedragsnormen die zijn geschreven voor formele bestuurders zich tot quasi-bestuurders? En welke rol speelt de zorgplicht in dit verband?
Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. Eerst wordt ingegaan op beginselen of uitgangspunten en zullen er drie worden geïdentificeerd die in relatie tot het fenomeen quasi-bestuurder van belang zijn (par. 4.2). Daarna komt de vraag naar de gelijkstelling van quasi-bestuurders met formele bestuurders aan de orde (par. 4.3). Vervolgens wordt de interne gedragsnorm voor bestuurders besproken (par. 4.4). De kernvraag in dat verband is of die norm ook voor (alle) quasi-bestuurders geldt. In de daarop volgende paragraaf wordt de vraag beantwoord of de gedragsnorm voor bestuurders niet ruimer geformuleerd zou moeten worden (par. 4.5). Daarna wordt ingegaan op de zorgplicht, waarmee het gehele burgerlijk recht is doordrenkt, eerst in algemene zin (par. 4.6), en daarna in het bijzonder in relatie tot quasi-bestuurders (par. 4.7). De vraag wat de voor de formele bestuurders geldende collegiale verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid voor quasi-bestuurders betekenen wordt in de paragraaf daarna beantwoord (par. 4.8), gevolgd door een antwoord op de vraag of de hoge drempel voor aansprakelijkheid voor alle quasi-bestuurders zou moeten gelden (par. 4.9). Daarna wordt ingegaan op het onderwerp toerekening van kennis en handelingen van quasi-bestuurders aan de rechtspersoon (par. 4.10). Vervolgens komt de vraag aan de orde naar op quasi-bestuurders rustende verplichtingen (par. 4.11), gevolgd door een analyse van de begrippen instructiebevoegdheid en instructiemacht (par. 4.12). Zaakwaarneming is een wettelijke grondslag op basis waarvan belangen van een ander kunnen worden waargenomen zonder dat daarvoor een andere juridische grondslag bestaat, en wordt derhalve besproken als mogelijke grondslag voor het handelen van quasi-bestuurders (par. 4.13). Ten slotte volgt een korte samenvattende analyse en zet ik mijn benadering uiteen (par. 4.14).