Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/4.11
4.11 Verplichtingen van quasi-bestuurders
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631720:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem 10 november 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BL8324 (Atlanco/ Honoré van Schuppen q.q.) oordeelde dat de aandeelhouder (Atlanco) van een failliet verklaarde vennootschap als feitelijke beleidsbepaler van die vennootschap op de in art. 2:248 lid 1 en 2 BW geregelde wijze verantwoordelijk is voor het niet naleven van de publicatieplicht van art. 2:394 BW en dat de aandeelhouder zich in dat verband niet kan verschuilen achter de formele bestuurder noch achter diens mogelijke nalatigheid om de reeds goedgekeurde stukken te publiceren. Zie ook de zaak besproken in par. 3.4.2 (Janssen-Van Kesteren q.q./The 5): een feitelijke bestuurder van een failliet verklaarde rechtspersoon, die nagenoeg de gehele bestuurstaak aan zich had getrokken, meende dat enkel de deponeringsplicht niet tot zijn ‘takenpakket’ behoorde, maar kon voor deze uitzondering geen (deugdelijke) verklaring geven.
Zie over de vraag of een aandeelhouder met de vennootschap in concurrentie mag treden Rb Midden-Nederland 1 oktober 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:4781 (Glow in the dark). De rechtbank overweegt (r.o. 5.22): “Vooropgesteld wordt dat het een aandeelhouder in beginsel vrijstaat activiteiten te ontplooien die mogelijkerwijs concurreren met die van de vennootschap waarin hij aandelen houdt. Onder omstandigheden kan dit anders zijn. Bij de beoordeling is van belang dat de toetsing van feitelijk handelen van de aandeelhouder als zodanig, al dan niet buiten de algemene vergadering van aandeelhouders, is onderworpen aan de norm van artikel 2:8 BW naast de generieke onrechtmatige daadnorm van artikel 6:162 BW. Feitelijk handelen van een aandeelhouder dat niet als zodanig plaatsvindt valt, gelet op de formulering daarvan, niet onder de norm van artikel 2:8 BW (vgl. MvA II Parl. Gesch. InvW 2. p. 1087), maar wel onder die van artikel 6:162 BW.” Zie ook Evers (2011).
Vgl. OK Hof Amsterdam 13 maart 2014, JOR 2014/125 m.nt. Schreurs en Van Driel (Marketing People/S&R Holding). Uit deze uitspraak blijkt dat een bestuurder van een vennootschap zijn medebestuurders adequaat dient te informeren over een ‘business opportunity’ (de kans voor de vennootschap een transactie aan te gaan die past bij de huidige of in de toekomst te verwachten ondernemingsactiviteiten van de vennootschap, of die op een andere manier in verband staat met de activiteiten van de vennootschap).
In paragraaf 3.2.4 kwam aan de orde dat de wet voorziet in een regeling op grond waarvan op quasi-bestuurders verplichtingen kunnen komen te rusten die tot het takenpakket van het formele bestuur horen. Hierbij kan in het bijzonder worden gedacht aan de administratieplicht en de plicht jaarlijks een jaarrekening op te stellen (en in Nederland: tijdig te deponeren), gelet op het belang van deze verplichtingen als de rechtspersoon failliet wordt verklaard.1 Verder kan worden gedacht aan de verplichting tot geheimhouding (met name wat betreft bedrijfsgevoelige informatie) en de verplichting die rust op formele bestuurders om het belang van de rechtspersoon (en de daaraan verbonden onderneming of organisatie) te dienen en dus niet (heimelijk) met de rechtspersoon in concurrentie te treden.2 Wat dat laatste betreft wordt ook wel gesproken over het aan de rechtspersoon ontnemen van een zakelijke kans (corporate opportunity)3 en over een loyaliteitsplicht.
Op welke quasi-bestuurders rusten bestuursverplichtingen? Kunnen zij voor het nakomen van die verplichtingen aanspraak maken op een vergoeding?
4.11.1 De feitelijke bestuurder te goeder trouw4.11.2 De feitelijke bestuurder niet te goeder trouw4.11.3 De titulaire quasi-bestuurder4.11.4 De feitelijke schaduwbestuurder4.11.5 De formele schaduwbestuurder