Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.1:14.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.1
14.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450439:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de bandbreedte van de vrijheid van kerkgenootschappen: Oldenhuis 2015, p. 30-40.
Ook aan de ‘openbare lichamen’ waarin die kerkgenootschappen verenigd zijn. Een openbaar lichaam is een organisatie waarbinnen verschillende kerkgenootschappen zijn verenigd. Een voorbeeld van een lichaam is de classis van gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland. Aangezien het kwalificatievraagstuk zich niet voordoet naar aanleiding van openbare lichamen laat ik deze verder buiten beschouwing.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk richt zich op het statuut van het kerkgenootschap en de vrijheid die hiermee verbonden is.1 Het kerkgenootschap wordt volgens artikel 2:2 BW namelijk ‘geregeerd door het eigen statuut’. In tegenstelling tot ‘gewone’ rechtspersonen mogen kerkgenootschappen zich in belangrijke mate zelf reguleren en hoeven ze zich, op een enkele uitzondering na, niet te conformeren aan de civielrechtelijke regels van boek 2 BW. Zo hoeven ze bijvoorbeeld niet zoals als een ‘gewone’ stichting opgericht te worden door middel van een notariële akte. Vanwege deze zelfregulering hebben ze ook tot op zekere hoogte de bevoegdheid om in het kader van hun inrichting en organisatie zelf te bepalen wat telt als godsdienst(ig).
In paragraaf 14.2 ga ik in op de ontstaansgeschiedenis van deze ‘inrichtingsvrijheid’ en sta ik stil bij de vraag waarom kerkgenootschappen een bepaalde mate van autonomie genieten. Ook bespreek ik de inrichtingsvrijheid in de jurisprudentie van het EHRM: de inrichtings- en organisatievrijheid van kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen.
Een consequentie van de autonomie van kerkgenootschappen is dat zij ook ‘zelfstandige onderdelen’ kunnen stichten. Artikel 2:2 BW kent ook rechtspersoonlijkheid en vrijheid toe aan deze ‘zelfstandige onderdelen’ van kerkgenootschappen.2 Grofweg kan men stellen dat zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap kleinere organisatorische eenheden zijn die vallen onder de paraplu van het kerkgenootschap. Voorbeelden van zelfstandige onderdelen zijn de bisdommen, parochies en kloosterorden van de Rooms-Katholieke Kerk en de gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland.3 In het kader van dit onderzoek is het relevant wat de relatie is van deze zelfstandige onderdelen met godsdienst (paragraaf 14.3).
De kwalificatie van uitingen en gedragingen als godsdienst(ig) op basis van de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen komt aan bod in paragraaf 14.4. Ter afsluiting volgt in paragraaf 14.5 een conclusie.