De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.1.2:6.1.2 Vorm en vormgever van het examen
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.1.2
6.1.2 Vorm en vormgever van het examen
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949362:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat per onderwijssector de examens in historische context zijn geplaatst, wordt beschreven welke vorm het examen in de betreffende sector nu heeft. Er zijn, zoals ook uit de historische context zal blijken, verschillende soorten examens denkbaar. In de 19e eeuw was het bijvoorbeeld gebruikelijk dat de student aan de universiteit gedurende één mondeling examen werd bevraagd over de gehele stof. Als de student dit examen met goed gevolg had afgelegd was hij geslaagd. Inmiddels bestaat het examen in het hoger onderwijs juist uit verschillende tentamens die gezamenlijk het examen vormen. Er zijn dan ook verschillende soorten examens denkbaar.
Uit het onderzoek in dit hoofdstuk zal blijken dat het examen in het algemeen vier verschillende vormen kan aannemen:
Volledig examen: het examen bestaat in dit geval uit één toets. Middels die ene toets wordt beoordeeld of de student de gehele stof beheerst op het juiste niveau.
Deelexamens: hierbij wordt via verschillende onderdelen van het examen beoordeeld of de leerling de verschillende delen van de stof beheerst. Deze examenonderdelen worden aan het eind van het onderwijs afgenomen.
Afzonderlijke toetsen: deze toetsen worden verspreid in de tijd afgenomen en vormen gezamenlijk het examen. In dit geval doorloopt de leerling het examen gedurende een langere tijd, door het afleggen van afzonderlijke toetsen die doorgaans verschillende delen van de stof beslaan.
Oordeel van de leraar: het onderwijs wordt afgesloten op basis van het oordeel van de leraar over het niveau van de leerling, zonder afname van een toets of examen. De beoordeling van de leerling bestaat uit een inschatting door de leraar van het niveau van de leerling op basis van zijn ervaringen met de leerling gedurende een bepaalde tijd.
Deze verschillende typen examens kunnen door grofweg twee groepen actoren worden opgesteld:
Het bevoegd gezag en de leraar: in dit geval is de taak om het examen op te stellen doorgaans opgedragen aan het bevoegd gezag, deze taak wordt in de praktijk vaak uitgevoerd door de leraar.
De overheid: in bepaalde gevallen heeft de overheid, een orgaan van de overheid of een door de overheid aan te wijzen organisatie de taak om het examen op te stellen.
In de praktijk worden de hiervoor genoemde verschillende typen examens door elkaar gebruikt, ook zijn er vaak verschillende actoren betrokken bij het opstellen van delen van het examen. Zo bestaat het eindexamen in het voortgezet onderwijs uit een schoolexamen, bestaande uit afzonderlijke toetsen die door leraren worden opgesteld en verspreid in de tijd worden afgenomen, én uit een centraal examen, bestaande uit een van overheidswege vormgegeven examen in de vorm van verschillende deelexamens.
Het type examen dat wordt afgenomen en de actor die dit examen opstelt, zijn van groot belang voor de autonomie van de leraar. Bij een van overheidswege opgesteld examen is zijn autonomie bijvoorbeeld beperkt: hij heeft dan geen invloed op de precieze stof die wordt getoetst, ook dient hij in een dergelijk geval vaak een van overheidswege opgesteld antwoordmodel te gebruiken.
Het type examen dat wordt afgenomen en de actor die dit opstelt, zijn tevens van belang voor de leerling. Het precieze examen dat een leerling moet afnemen kan hierdoor niet alleen per onderwijssector verschillen, maar soms zelfs per school of per leraar. Uit het onderzoek in dit hoofdstuk zal blijken dat in elke onderwijssector het examen in meer of mindere mate bestaat uit toetsen en examens die de school of de leraar zelf mag vormgeven. Denk bijvoorbeeld aan het examen in het middelbaar beroepsonderwijs. Dit bestaat deels uit instellingsexamens die het bevoegd gezag opstelt. Aangenomen kan worden dat de taak om het examen op te stellen in de praktijk overgelaten wordt aan de leraar die het betreffende vak geeft. Dit maakt dat het examen dat de leerling aflegt in zekere mate afhankelijk zal zijn van de betreffende leraar.