Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.5.2.2:2.4.5.2.2 Neutraliteit tussen belastingplichtigen
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.5.2.2
2.4.5.2.2 Neutraliteit tussen belastingplichtigen
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500250:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 29 februari 1996, nr. C-110/94, V-N 1996/1396, 27 (Inzo).
HvJ 10 november 2011, nr. C-444/10, V-N 2011/63.16 (Christel Schriever). In gelijke zin: HvJ 7 maart 2013, nr. C-424/11, V-N 2013/28.17 (Wheels Common Investment Fund Trustees), r.o. 20: “Voorts verzet het beginsel van fiscale neutraliteit zich ertegen dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, voor de btw-heffing verschillend worden behandeld.”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het neutraliteitsbeginsel schrijft voorts voor dat belastingplichtigen gelijk moeten worden behandeld. Hierbij kan onder meer worden verwezen naar de zaak Inzo.1 Het ging daarin (net als in de zaak Rompelman) om de vraag of recht op aftrek van btw bestond, vóórdat door de belastingplichtige belastbare handelingen waren verricht. Het HvJ beantwoordde deze vraag bevestigend. Overwogen werd:
“22. Een andere uitlegging van de richtlijn zou (…) in strijd zijn met het beginsel van de neutraliteit van de BTW ten aanzien van de fiscale belasting van de onderneming. Zij zou bij de fiscale behandeling van identieke investeringsactiviteiten tot ongerechtvaardigde verschillen kunnen leiden tussen, enerzijds, ondernemingen die reeds belastbare handelingen hebben verricht, en, anderzijds, ondernemingen die door middel van investeringen proberen een aanvang te maken met activiteiten die belastbare handelingen zullen opleveren. Ook zouden willekeurige verschillen ontstaan tussen laatstbedoelde ondernemingen onderling, voor zover de definitieve aanvaarding van de aftrek zou afhangen van de vraag, of deze investeringen al dan niet tot belaste handelingen leiden.”
Met betrekking tot de vraag of de overdracht van een voorraad goederen en een winkeluitrusting tezamen met de verhuur voor onbepaalde tijd van de winkelruimte aan de verkrijger kan worden aangemerkt als een overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van art. 5 lid 8 Zesde richtlijn (thans art. 19 Btw-richtlijn) overwoog het HvJ in het arrest Christel Schriever:2
“44. (…) Dit beginsel [het neutraliteitsbeginsel; BH] verzet er zich immers tegen dat marktdeelnemers die dezelfde transacties verrichten, verschillend worden behandeld ter zake van de btw-heffing (…). Aan dit beginsel zou bijgevolg afbreuk worden gedaan wanneer de mogelijkheid om artikel 5, lid 8, van de Zesde richtlijn toe te passen op de overgang van een algemeenheid van goederen als aan de orde in het hoofdgeding, afhing van de bepalingen van de huurovereenkomst, en in het bijzonder van de looptijd en de voorwaarden voor opzegging ervan.”