Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/XI.4.1
XI.4.1 Geldend recht: Boek 7 boven Boek 2
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178689:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van der Grinten 2-II 1991/288.
Vgl. Santing-Wubs 2002, p. 175-176. Art. 7:902 BW is alleen van toepassing ‘op vermogensrechtelijk gebied’ en dus niet hier.
Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 172 (MvA II Inv).
Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 169 (MvT Inv).
Van Vught 2017a, p. 45. In vergelijkbare zin Asser/Rensen 2-III 2017/86, die de eiser de keuze laat.
Volgens Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 3, p. 40 (MvT Vaststelling en invoering van titels 7.7, 7.9, 7.14 en 7.15 BW) gelden de algemene bepalingen inzake rechtshandelingen.
De uitzondering in art. 7:904 lid 2 BW (‘tenzij (…) uit de aard van de beslissing voortvloeit dat zij op andere wijze moet worden vervangen’) gaat hier op. Zie Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 3, p. 40 (MvT Vaststelling en invoering van titels 7.7, 7.9, 7.14 en 7.15 BW). Anders: Asser/Rensen 2-III* 2012/86 slot. Dat de rechter ook in het kader van art. 2:15 BW niet zijn oordeel in de plaats van het vernietigde besluit kan stellen, is heersende opvatting. Zie § VII.4.
Wat maakt het allemaal uit? In theorie bepaalt de kwalificatie van het royementsberoep op welke gronden en langs welke wegen zij aantastbaar is. Zo plaatst Van der Grinten beslissingen scherp tegenover besluiten. Beslissingen zijn vernietigbaar ex art. 7:904 lid 1 BW wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid; voor besluiten zouden daarentegen de gronden en de procedure van art. 2:15 BW gelden.1 Maeijer acht op beroepsbeslissingen – hij ziet geen besluiten – uitsluitend Boek 7 BW van toepassing. Een rol voor art. 2:15 BW is volgens hem slechts weggelegd wanneer de algemene vergadering in eerste en hoogste instantie tot royement besluit.2 Rensen laat de eiser de keuze tussen aantasting via art. 7:904 BW en via art. 2:15 BW. Volgens hem kan het allebei.3
Ik zie het iets anders. Evident is dat de geldigheid van beroepsbeslissingen die niet tevens besluit zijn, niet aan de hand van artikelen 2:14 en 2:15 BW moet worden beoordeeld. Nietig is zo’n beslissing op grond van art. 3:40 lid 1 BW wanneer zij strijdt met de openbare orde of de goede zeden;4 vernietigbaar is zij op grond van art. 7:904 lid 1 BW als het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn partijen gebonden te achten gelet op de wijze waarop de beslissing tot stand kwam of de inhoud daarvan.
Maar als gezegd is er mijns inziens steeds tevens een besluit. In dat geval hebben de bepalingen van Titel 7.15 BW volgens de Toelichting-Meijers ‘als de meer bijzondere voorrang’ boven art. 2:15 BW.5 In de latere parlementaire geschiedenis zegt de minister dat ‘de regeling omtrent de vernietiging van besluiten (…) niet behoort te gelden voor besluiten die een orgaan van de rechtspersoon neemt ter vaststelling van diens verhouding tot een bepaalde persoon’.6 Dit betekent, zo zegt de minister op een andere plaats, dat toetsing aan de redelijkheid en billijkheid van art. 2:15 lid 1 onder b BW moet wijken voor toetsing op grond van art. 7:904 lid 1 BW.7 Dat is klare taal. Kennelijk overweegt het vaststellingselement en hebben de bepalingen van Boek 7 BW voorrang boven die van Boek 2 BW.8 Waar art. 7:906 lid 1 BW bepaalt dat de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst overeenkomstige toepassing vinden, wil dat dus eigenlijk zeggen dat die bepalingen prevaleren. Er is verder klaarblijkelijk geen sprake van een aanvulling of wijziging van de rechtsverhouding in de zin van art. 7:906 leden 2 en 3 BW.9
Eerder las ik de wetsgeschiedenis anders en verdedigde ik dat de bepalingen van Boek 7 BW naast die van Boek 2 BW van toepassing zijn. In beginsel is de aangevoerde ongeldigheidsgrond en dus de insteek van de vordering beslissend voor de toe te passen regels, maar per regel moet worden bezien of deze wel of niet voor toepassing in aanmerking komt met het oog op de aard van de rechtsverhouding (art. 7:906 lid 4 BW).10 Bij nader inzien lijkt me deze genuanceerde benadering niet in lijn met de wetsgeschiedenis en met de gedachte achter art. 7:906 BW. Wat dit laatste betreft: met deze schakelbepaling heeft Meijers beoogd grensgevallen tussen besluit en vaststelling op te lossen. Hoe meer besluit, hoe meer Boek 2 BW toepassing vindt. Hoe meer vaststelling, hoe meer Boek 7 BW. Meijers zag de tuchtrechtspraak, en denkelijk ook het royementsberoep, meer als vaststelling dan als besluit. Het gaat daarbij immers om de beslechting van een geschil tussen de rechtspersoon en een enkel lid – oftewel typisch een geval waarvoor de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst zijn geschreven. Het royementsberoep is volgens Meijers geen typisch besluit, in de zin dat een orgaan van de rechtspersoon nieuw recht schept dat bedoeld is om voor een veelheid van personen te gelden.11
Ik zou dus thans menen dat de bepalingen van Boek 7 BW die van Boek 2 BW opzijzetten. Zoals Maeijer meen ik dat de rechter naar geldend recht moet toetsen over de band van art. 7:904 lid 1 BW, dat de driejarige verjaringstermijn van art. 3:52 lid 1 onder d BW geldt, en dat het gezien art. 3:49 BW mogelijk is de beslissing van de beroepsinstantie buitengerechtelijk te vernietigen.12 Dit alles in afwijking van art. 2:15 BW. Duidelijk is verder dat de rechter, als hij tot vernietiging overgaat, zijn oordeel niet in de plaats van de beroepsbeslissing kan stellen.13 Evenzo geldend is art. 7:906 lid 4 BW, op grond waarvan de rechter af kan zien van toepassing van de bepalingen over de vaststellingsovereenkomst als de aard van de rechtsverhouding zich daartegen verzet. Ik ken hiervan evenwel geen toepassingen in de rechtspraak.